
Afbeelding 1: Het complex van de ‘Baumsche Fabrik’ in Elberfeld, met op de voorgrond de portalen van de Schwebebahn. Textilfabrik von Baum was in 1883 één van de eerste producenten van confectiekleding. Nu bieden de gebouwen onderdak aan bedrijven op het gebied van marketing, design, communicatie, consultancy en IT met in totaal zo’n driehonderd werknemers.
In sommige regio’s verliep de industrialisatie zo stormachtig dat er agglomeraties ontstonden die aanleiding gaven tot het samenvoegen van gemeentes, teneinde de bestuurskracht te vergroten. Meestal was het één centrale stad die de omliggende stadjes en dorpen annexeerde en ook zijn naam oplegde aan de nieuw ontstane gemeente. Dat er voor een geheel nieuwe naam gekozen werd zoals in het geval van Wuppertal is een zeldzaamheid. Deze gemeente ontstond in 1929 door samenvoeging van de steden Elberfeld, Barmen, Vowinkel, Cronenberg en Ronsdorf die in de voorafgaande eeuw sterk gegroeid waren door de opkomst van de textielindustrie. De rivier de Wupper had daarin een belangrijke rol gespeeld en dus was het niet onlogisch om de nieuwe naam daaraan te ontlenen. Bovendien bevond zich boven het water van deze rivier een hypermodern vervoerssysteem dat inmiddels in heel Duitsland bekendheid genoot: de Schwebebahn. Deze hangende spoorlijn met een lengte van dertien kilometer en twintig stations was tussen 1895 en 1901 gebouwd om de steden Barmen, Elberfeld en Vowinkel met elkaar te verbinden. De opening ervan door Keizer Wilhelm II was zo’n plechtige gebeurtenis dat er voor hem en zijn gevolg een speciaal treinstel was gebouwd met een luxe interieur. Tot op de dag van vandaag is deze zweeftrein operationeel en vervoert dagelijks vele duizenden mensen. Incidenten hebben zich in al die jaren slechts twee maal voorgedaan. Een tragisch ongeluk in 1999 waarbij een treinstel in de Wupper belandde en vijf mensen om het leven kwamen, en een merkwaardig voorval uit 1950 waarbij een bijzondere passagier zijn duik wél overleefde. Het betrof de vierjarige olifant Tuffi van een rondreizend circus die als reclamestunt een ritje in de Schwebebahn mocht maken. Onderweg raakte het dier echter zodanig in paniek dat het door een ruit naar buiten spong en twaalf meter lager in de rivier terecht kwam, wonderbaarlijk genoeg met enkele lichte verwondingen tot gevolg. Hij zou daarna nog bijna veertig jaar leven en heeft daarom waarschijnlijk ook geen vergiftiging opgelopen. Dat was goed denkbaar geweest omdat de textielfabrieken destijds nog volop afvalwater loosden op de Wupper, hetgeen regelmatig een bont kleurenpalet opleverde.

Afbeelding 2: Het grote fabriekscomplex van Friedrich August Jung op het landgoed Hammerstein, dat naast een grote katoenspinnerij ook een weverij, vakschool en arbeidershuisvesting omvatte. Hiervan resteert nu enkel nog de fabrikantenvilla.
Zoals andere textielsteden op het Europese vasteland werd ook Wuppertal wel aangeduid als het ‘Manchester van´, in dit geval, Duitsland. Die vergelijking was juist voor Wuppertal wat minder op zijn plaats omdat de katoenspinnerijen, die zo dominant waren in Manchester en omstreken, er nooit groot in aantal zijn geweest en ook maar kortstondig actief waren. Toen als gevolg van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) de aanvoer van katoen uit de zuidelijke, geconfedereerde, staten stilviel werd Wuppertal daar dusdanig hard door getroffen dat de spinnerijsector er nooit meer bovenop is gekomen. De grootste spinnerij, die van Friedrich August Jung op het landgoed Hammerstein (Vowinkel) met twintigduizend spindels en vierhonderd arbeiders, moest in 1866 zijn deuren sluiten, waarna enkel een weverij resteerde. Want de weverijsector zette zich uiteindelijk wél sterk door en kwam voort uit de omvangrijke thuisweverijnijverheid die het Bergisches Land, genoemd naar het Hertogdom Berg, al sinds de zestiende eeuw kende. Het sterk beboste heuvelgebied leende zich slecht voor landbouw en de boeren gingen er daarom hun inkomen aanvullen als thuiswever. Dat betrof aanvankelijk linnengoed, dat in de blekerijen aan de oevers van de Wupper werd na-behandeld, maar vanaf de achttiende eeuw in toenemende mate wollen-, katoenen- en zijden stoffen. De thuiswevers maakten daartoe onderdeel uit van een ‘Verlagssystem’ (letterlijk ‘uitgiftesysteem’, zoals het woord ‘Verlag’ nu nog in het Duits ‘uitgeverij’ betekent), waarin ondernemers hen van garens voorzagen om later de daarvan vervaardigde stoffen weer terug te kopen. Veel van deze ‘Verleger’ ontwikkelden zich in de loop van de negentiende eeuw tot fabrikanten toen door de opkomst van de stoomkracht tal van gemechaniseerde weverijen ontstonden in Elberfeld en Barmen. Veel thuiswevers verlieten daarop noodgedwongen de kleine dorpjes van het Bergisches Land om als arbeider in deze fabrieken te gaan werken. Dat waren overigens niet alleen weverijen, maar vooral ook ververijen die zich gespecialiseerd hadden in ‘Türkischrotfärbung’. Het gebruik van de rode kleurstof uit de meekrapwortel om textiel te verven was afkomstig uit het Ottomaanse Rijk en werd zowel op garens als weefsels toegepast. Om het Turksrood goed te laten hechten moesten die eerst grondig gewassen en gebeitst worden en na afloop intensief gespoeld, waarvoor het zachte water van de Wupper zeer geschikt was. Vanwege de chemicaliën en hoge temperaturen was dat niet alleen ongezond, maar ook zwaar werk omdat de natte garens en stoffen veelvuldig gedompeld, gewrongen en uitgehangen moesten worden. De mannen die deze ‘Knochenarbeit’ leverden waren wat postuur en gedrag betreft in het straatbeeld duidelijk te onderscheiden van de wevers. Eind negentiende eeuw schakelden de ververijen over op synthetische kleurstoffen, waarvan de benodigde hoeveelheden zo groot waren dat een ondernemer uit Barmen deze ging produceren. Zijn echte kassucces boekte deze Friedrich Bayer echter in 1899 met de pijnstiller Aspirine, waarna zijn bedrijf uitgroeide tot een wereldconcern op het gebied van farmaceutica, bestrijdingsmiddelen en kunststoffen dat tegenwoordig zijn hoofdvestiging heeft in Leverkusen

Afbeelding 3: De werkzaamheden in een ververij aan de Wupper, vastgelegd als aquarel in 1885 door Walter Petersen (1862-1950). Te zien is hoe ververijknechten met ijzeren staven de garens door de kokende loog roeren (achtergrond) en met een vat op wielen het natte garen naar een volgende procesgang vervoeren (voorgrond).
Wat Wuppertal onderscheidde van andere textielcentra was de diversiteit aan producten die er werd voortgebracht en dan vooral kleine textielwaren en benodigdheden voor het naaien, afwerken en verfijnen van kleding. In Nederland gebruiken we daar doorgaans de Franse uitdrukking ´fournituren´ voor, maar in Duitsland kwamen ze bekend te staan als ´Barmer Artikel´. Knopen, linten, koorden, snoeren, voeringen en ritssluitingen werden door kleine en grote ondernemingen in deze stad vervaardigd. Aanvankelijk was dit nog handwerk dat als huisnijverheid bedreven werd. De opkomst van vernuftige machines die deze handelingen mechaniseerden zorgde er echter voor dat ook dit fabrieksproducten werden. Elastische bandjes werden vanaf 1868 geproduceerd door de firma Gold-Zack Werke AG, die er later met gouddraad een zigzagpatroon in aanbracht om zich van concurrenten te onderscheiden. Het merk Bemberg werd een begrip op het gebied van voeringen van zijden stoffen. Kort na 1900 begon J.P. Bemberg AG, met nevenvestigingen in Krefeld en Augsburg, al te experimenteren met kunstzijde op basis van Rayon- en Cupro-garens. Dat was zo succesvol dat verkoopkantoren in het VK, Italië, Japan en de VS geopend werden. Ondanks overname door de Vereinigte Glanzstoff Fabriken in 1925 en ENKA in 1971 bleef de sterke merknaam gehandhaafd tot na de laatste eeuwwisseling. De Zwitserse ondernemer Martin Winterhalter kwam in 1923 naar Barmen nadat hij van de Amerikaan Gideon Sundback de licentierechten had verworven voor de productie van ritssluitingen in Duitsland. Hij stichtte daartoe een bedrijf onder de naam Riri, een samentrekking van de woorden Rippe (reep) en Rille (groef) en wist in samenwerking met lokale machinebouwers het productieproces dusdanig te mechaniseren dat er per dag tienduizendmeter ritssluiting van de band rolde. Door de opkomst van het nationaalsocialisme zag hij zich in 1936 echter genoodzaakt terug te keren naar zijn vaderland waar hij opnieuw een fabriek begon. Van de overvloed aan stoffen en fournituren die de industrie van Wuppertal voortbracht werd een klein deel ook binnen de stadsgrenzen verwerkt tot kleding door ateliers waarvan enkele uitgroeiden tot confectiefabrieken. Leonard Tietz kwam bij deze bedrijven regelmatig inkopen doen voor zijn textielhandel in Stralsund en besloot in 1882 een veel grotere winkel te openen in Elberfeld, naar het voorbeeld van de moderne modewarenhuizen in Parijs. Zijn concept van vaste prijzen met het recht om te ruilen sloeg aan en er volgden filialen in Keulen, Aken en Düsseldorf die in prestigieuze panden gevestigd waren. Na zijn dood in 1914 breidde zijn zoon Alfred Leonard de warenhuisketen uit tot vijfenveertig vestigingslocaties met vijftienduizend medewerkers en een hoofdkantoor in Elberfeld. Ook hij moest vluchten voor het Naziregime dat zijn bedrijf ‘arisierte’ tot Westdeutsche Kaufhof AG. Na WOII kwam het door een restitutieregeling weer in handen van de familie die het onder de nieuwe naam Galeria Kaufhof GmbH voortzette.

Afbeelding 4: Het fabrieksgebouw van de Gold-Zack-Werke in de Elberfelder Nordstadt heeft tegenwoordig de monumentenstatus en biedt onderdak aan het Bandwebermuseum, een theater en een klimhal met horeca. Op de voorgrond het fietspad dat is aangelegd op het spoorwegtracé van de Wuppertaler Nordbahn.
Vandaag de dag herinneren nog vele tientallen fabrieksgebouwen aan het rijke industrieverleden van Wuppertal en voor belangstellenden zijn er wandelroutes uitgezet die langs zeventig locaties met informatiepanelen voeren. Die markering is vaak noodzakelijk omdat lang niet iedere voormalige fabriek (nog) de traditionele industriële kenmerken vertoont. Ondernemers die waren produceerden voor de consumentenmarkt lieten een bedrijfspand bouwen met een representatieve uitstraling dat evengoed het kantoor van een bank of verzekeringsmaatschappij had kunnen zijn. Een voorbeeld hiervan is de ‘Baumsche Fabrik’ aan de Hofaue in Elberfeld. Vom Baum Kommandit-Gesellschaft liet hier tussen 1883 en 1965 dames- en herenmode vervaardigen en was daarmee één van de eerste confectiefabrieken van Duitsland. De naaiateliers met een totale oppervlakte van vijfduizend vierkante meter zijn nu ingedeeld in kantoorruimtes voor bedrijven op het gebied van marketing, design, communicatie, consultancy en IT met in totaal zo’n driehonderd werknemers. Met een heuse hoektoren en rijk gedecoreerde gevels aan de Üllendahler- en Eckernförder Straße is het voormalige fabriekspand van Zwirnerei Hebebrand in Elberfeld op het eerste gezicht nauwelijks als dusdanig herkenbaar. Deze twijnerij voor katoengarens dateert uit 1888 en is sinds de jaren negentig onder de naam ‘Cotton Factory’ eveneens een bedrijfsverzamelgebouw. De façade van Spitzenfabrik Albert & Ernst Henkels in Wuppertal Langerfeld is al even prestigieus. Beide broers ontwikkelden in 1877 een machine om het kantklossen te mechaniseren en lieten een groot fabriekscomplex bouwen om dit tere siertextiel hiermee op grote schaal te produceren. Het kwam in 1896 gereed aan de Barmer Straße, sinds 1922 Langerfelder Straße geheten, en was in de hoogtijdagen de werkplek van meer dan twaalfhonderd werknemers. Eind jaren twintig ging Henkels ten onder en later brachten andere textielbedrijven er hun productie en opslag in onder. Momenteel wordt de fabriek omgebouwd tot een wooncomplex met voorzieningen. Een fabrieksgebouw waarin textielproductie nog tot na de laatste eeuwwisseling heeft stand gehouden is Bandweberei- und Flechterei Wilhelm Büsgen aan de Friedrich Engels Allee in Barmen. In dit tot monument verklaarde ‘Alleehaus’ begon de achterkleinzoon van de oprichter onder de firmanaam ‘Shape 3’ met de vervaardiging van naadloze driedimensionale weefsels. Een ketelhuis met schoorsteen laat niets aan duidelijkheid te wensen over omtrent de industriële oorsprong van dit complex en dat geldt ook voor het langgerekte fabrieksgebouw met grote raampartijen van Gold-Zack Werke AG. Het herbergt nu het Bandwebermuseum, een theater en een klimhal met horeca en ligt net als veel andere fabrieken aan de ‘Wuppertaler Nordbahn’. Dit spoorwegtracé maakte onderdeel uit van de spoorlijn Düsseldorf-Dortmund Süd, waarover veel grondstoffen voor de textielindustrie werden aangevoerd en dat nu onder de naam ‘Nordbahntrasse’ een tweeëntwintig kilometer lang fietspad is. Minimaal zo belangrijk was de Prinz-Wilhelm-Eisenbahn waarover steenkool uit de mijnen van het noordelijk gelegen Ruhrgebied naar de spinnerijen en weverijen in het dal van de Wupper werd getransporteerd. Aangelegd in 1831 is het de oudste nog in gebruik zijnde spoorlijn van Duitsland.

Afbeelding 5: Zwirnerei Hebebrand op de hoek van de Üllendahler- en Eckernförder Straße in Elberfeld is nu onder de naam ‘Cotton Factory’ een bedrijfsverzamelgebouw. Toepassing van dit soort prestigieuze architectuur voor een fabrieksgebouw was geen uitzondering in Wuppertal.
De industrialisatie van Wuppertal ging in de negentiende eeuw gepaard met veel ellende en armoede. Wevers, spinners en ververs leefden met hun gezinnen onder erbarmelijke omstandigheden in de overbevolkte arbeidersbuurten van Elberfeld en Barmen, met kindersterfte, drankmisbruik en geweld tot gevolg. Friedrich Engels (1820-1895), zoon van een textielondernemer uit Barmen, kan dit niet zijn ontgaan en toch begon hij hier pas over te schrijven nadat hij er in Manchester mee geconfronteerd was. Zijn vader bezat daar een katoenspinnerij, waar Friedrich in 1844 heen werd gezonden om bedrijfservaring op te doen. Terug in Barmen beschreef hij zijn waarnemingen een jaar later in ‘Die Lage der arbeitenden Klasse in Engeland’. Dit was het begin van zijn bestaan als sociaal wetenschapper en filosoof. Hij ontmoette Karl Marx (1818-1883) en twee jaar later schreven beide samen het Communistisch Manifest. Vanwege deelname aan de mislukte revolutie van 1848 was hij gedwongen Duitsland te verlaten en bracht net als Karl Marx de rest van zijn leven in Engeland door. Terwijl Marx in Londen ‘Das Kapital’ schreef, een driedelig werk over politiek en economie, werkte Engels weer in Manchester om hem financieel te kunnen ondersteunen en publiceerde na diens dood zelfs een vierde deel. Ondertussen waren er in Wuppertal ontwikkelingen in gang gezet om het welzijn van de werkende klasse te verbeteren. Zo was er in 1867 de Barmer Ersatzkasse opgericht, een ziekenfonds dat onder de naam ‘Barmer’ ook nu nog bestaat. In 1852 had bankier Daniel von der Heydt al een model voor armoedebestrijding opgezet dat bekend zou komen te staan als het ‘Elberfelder Stelsel’. Het ging uit van een opdeling van de stad in kleine, overzichtelijke wijken waarin armenbezoekers werden aangesteld die een aantal kwetsbare gezinnen onder hun hoede namen. De bedoeling was dat door deze sociale controle moreel verval kon worden tegengegaan en armen werden opgevoed tot nette burgers. Het systeem kreeg navolging in andere Duitse steden en ook Nederlandse sociaal-hervormers lieten er zich door inspireren. De naam Von der Heydt is nu vooral bekend van het museum in Elberfeld dat in 1902 werd vernoemd naar deze bankiersfamilie die er een deel van haar kunstcollectie in onderbracht. De geschiedenis van de sociale kwestie krijgt ruim aandacht in het Museum für Frühindustrialiserung dat samen met het Engels-Haus, de ouderlijke woning van Friedrich, deel uitmaakt van het Museum Industriekultur Wuppertal. Ook het Bandwebermuseum in de fabriek van Gold-Zack Werke AG en Bandweberei Kafka vallen onder deze organisatie.

Afbeelding 6: Albert en Ernst Henkels wisten het klossen van kant te mechaniseren en gingen het grootschalig produceren in Wuppertal Langerfeld. Deze ‘Spitzenfabrik’ wordt nu omgebouwd tot wooncomplex.