Leuven

Leuven (5)Afbeelding 1: In de voormalige machinezaal kan onder de brouwketels genoten worden van een hapje en drankje.

Nadat kort na de eeuwwisseling het fabriekscomplex van Philips aan de zuidzijde van de binnenstad een nieuwe bestemming heeft gekregen, is het momenteel de beurt aan noordelijke industriezone rond de Vaartkom om zo’n transformatie te ondergaan. De geschiedenis van dit bedrijvige gebied gaat echter veel verder terug in de tijd dan de Philipssite, want al snel na de oplevering van deze haven aan de Leuvense Vaart in 1753 verrezen hier graanpakhuizen, handelskantoren, zoutziederijen, schrijnwerkerijen en vooral brouwerijen. Een opmerkelijke overeenkomst tussen beide locaties is overigens dat ze beiden in de onmiddellijke nabijheid van een abdij gelegen zijn. Daarvoor geldt dan weer dat de gebouwen van de Norbertijnenabdij van ’t Park naast de Philips-site veel ouder (16e  eeuw) zijn dan die van de Benedictijnenabdij van Keizersberg (eind 19e eeuw). Beeldbepalend voor de Vaartkom zijn nog altijd de bedrijfsgebouwen van Stella Artois, die gedurende een eeuw in verschillende bouwfasen van oost naar west opgeschoven zijn en tegenwoordig naast een brouwerij ook een internationaal hoofdkantoor (InBev) en R&D-centrum omvatten. Het oudste brouwhuis dat behouden is gebleven, daterend uit 1922, heeft onlangs een ingrijpende restauratie ondergaan en als evenementencentrum ‘De Hoorn’ een tweede leven gekregen.  Leuven (4)Afbeelding 2: Brouwzaal ‘De Hoorn’, kort na oplevering in 1923.

Een jachthoorn siert nog altijd het embleem van Stella Artois, waarin ook het jaartal 1366 is opgenomen. In dat jaar wordt voor het eerst in een hertogelijk cijnsboek een huis genaamd ‘Den Horen’ genoemd. Het was gelegen in het gelijknamige jachtdomein aan de voet van de Keizersberg, waarop zich toen nog een burcht van de graven van Leuven bevond. Van een brouwerij ‘Den Horen’ in de Mechelsestraat – bakermat van het latere brouwerijencomplex Artois – is er in archieven pas sprake vanaf begin 16e eeuw. Gesitueerd in de huizenrij tussen Penitentiënenstraat en rivier de Dijle werd deze brouwerij in 1717 opgekocht door Sebastiaan Artois – telg van een uit het naburige Herent afkomstige familie – en in 1778 herbouwd door diens zoon Adrianus. Na Adrianus’ dood werd in 1785 een familiale vennootschap opgericht: onder leiding van Leonardus Artois werden eerst aan de Vaartkom de brouwerijen “Franse Kroon” (1787) en “Prins Karel”  (1793) aangekocht en vervolgens in 1798 in de Mechelsestraat het Penitentiënenklooster, gelegen vlakbij ‘De Horen’. Vanuit deze twee kernen zouden de erfgenamen de Artoisbrouwerij tijdens de twee volgende eeuwen verbouwen en uitbreiden tot een indrukwekkend gebouwenbestand in het gebied Mechelsestraat, Vaartkom, Vaartstraat, Sluisstraat, Burchtstraat en Glasblazerijstraat. Door vernieuwende productieprocessen en een gerichte expansiepolitiek groeide dit bedrijf uit van een kleinschalige familiebrouwerij tot de grootschalige vestiging “NV Brouwerijen Artois” en, na de laatste fusies en overnames, tot “Interbrew” (1987) en heden “InBev” (2004): een internationaal bierconcern met hoofdzetel te Leuven. Het industrieel erfgoed van Stella Artois dat vandaag de dag resteert, waarvan de ouderdom niet verder dan een eeuw teruggaat, omvat naast het brouwhuis een watertoren, moutsilo’s, gistkelders, kantoren, arbeiderslokalen, ateliergebouwen, feestzalen en een karakteristieke guillotinepoort. Helaas heeft het complex veel van zijn oorspronkelijkheid verloren door zware bombardementsschade tijdens WOII en de daaropvolgende herstelwerkzaamheden.  Van al deze gebouwen is de toekomst onzeker, uitgezonderd het brouwhuis op de hoek van de Sluisstraat en Burchtstraat dat in 1997 de monumentenstatus kreeg. Het oudste deel hiervan werd in 1922 naar het ontwerp van architect Léon Monnoyer gebouwd en het is hier dat in 1926 voor het eerst het pilsbier ‘Stella Artois’ werd gebrouwen. Pilsbier voerde Artois overigens al sinds 1892 in haar assortiment, maar in dit geval betrof het een speciaal kerstbier (Stella is het latijnse woord voor ster, een verwijzing naar de kerstster). Het brouwsel was een dermate groot succes dat het permanent op de markt kwam en een vijfpuntige ster boven de jachthoorn in het logo werd opgenomen. Van boven naar beneden bestond het brouwhuis uit een verdeelzolder (voor de aanvoer van mout), maalderij (met pletmolens voor het vermalen van de mout), tremelzaal (met trechters en zeven), brouwzaal met rondboogvensters en een machinezaal (één meter onder straatniveau verzonken). Structureel bestaat het uit een skeletbouw van beton, met toepassing van zware vierendeelliggers om de betonnen moutsilo’s te kunnen dragen. Architect Monnoyer had de opdracht om twee brouwcircuits van elk vier ketels onder te brengen in één ruimte, hetgeen resulteerde in een opvallend brede brouwzaal. De opmerkelijke draagstructuur die de brouwzaal overspant is daardoor een architecturaal huzarenstukje geworden en één van de redenen voor de monumentenstatus van het gebouw. Ook de uitzonderlijke hoogte van de brouwzalen werd indertijd gedicteerd door de aard van het productieproces, omdat de stoom die door het warm stoken van de ketels gevormd werd dit vereiste. De bekleding met faiencetegels mag decoratief lijken, ze was onmisbaar om het warme en vochtige productieproces hygiënisch te laten verlopen. Naast een grote lichtinval voorzagen de hoge vensters ook in de behoefte aan ventilatie. Vanuit de machinezaal werden de ketels verwarmd en omgeroerd, de onopgeloste delen van de wort gescheiden (‘bostel’ dat als veevoer diende), waarna deze zijn weg naar de gistkelders vervolgde. Om die reden was de machinezaal verdiept aangelegd, zodat de buisleidingen ondergronds de Sluisstraat konden oversteken. In omgekeerde richting werd door dit tunneltje het benodigde water uit de watertoren naar de ketels aangevoerd. Oorspronkelijk was het brouwhuis getooid met een pseudo-mansardedak, maar tijdens de herstelwerkzaamheden na de oorlog maakte dit plaats voor een plat dak met een glaskap voor de ventilatie. Een verdere gedaanteverandering onderging het gebouw in de jaren zestig toen aan de zuidzijde de brouwzalen ‘Internationaal’ (1962) en ‘Immo’ (1964) werden toegevoegd. Bij de renovatie van 2011/2012 zijn de installaties uit deze moderne aanbouw verwijderd om plaats te maken voor grand café De Hoorn (begane grond) en kantoorruimtes voor incubators op de tweede en derde verdieping (momenteel de startups Boondoggle en Buur).  Brouwzaal ‘De Hoorn’ uit 1922 is geheel intact gebleven en kan afgehuurd worden voor feesten en gelegenheden, waarvan het gastronomische gedeelte zich dan in de voormalige machinezaal afspeelt.Leuven (6)Afbeelding 3: Aan de oostzijde van het brouwhuis zijn de verschillende bouwfasen nog goed te onderscheiden. De rondboogvensters zijn van brouwzaal ‘De Hoorn’. 

Het water van de Vaartkom zelf is ondertussen al jarenlang het domein van de pleziervaart die er gebruik kan maken van aanlegsteigers en faciliteiten. Naast de oude brouwerijgebouwen van Stella Artois wordt de herinnering aan het bedrijvige verleden in leven gehouden door een silotorencomplex, olieslagerij (‘Fonteyn’) , hoogmaalderij (‘Hungaria’) en veevoederbedrijf (‘Vandenbergh’) die nog geen plaats hebben gemaakt voor nieuwbouw, maar waarvan het behoud evenmin vaststaat. Dat laatste geldt wel voor het voormalige entrepotgebouw uit 1849 op de kop van de Vaartkom. Hierin is sinds 2012 naast een café ook het openbaar entrepot voor de kunsten (OPEK) gehuisvest. Zoals gezegd vormt de Vaartkom het eindpunt van de dertig kilometer lange Leuvense Vaart, tegenwoordig het Kanaal Leuven-Dijle genoemd. Als natuurlijke waterweg die de stad Leuven van zuid naar noord doorkruiste en haar verder via Mechelen met Antwerpen verbond, was de Dijle voor Leuven vanouds economisch van uitzonderlijk belang. Door haar grillige loop, geringe diepgang en groot debiet was zij echter een moeilijk bevaarbare verkeersader, slechts toegankelijk voor kleinere schepen. De aanleg van een nieuwe waterweg – naar het voorbeeld van de Willebroekse Vaart die Brussel in 1561 had aangelegd ter vervanging van de eveneens moeilijk bevaarbare Zenne – was een langgekoesterde wens van het Leuvense stadsbestuur die in 1751 in vervulling ging. De aanleg verliep grotendeels parallel aan de Dijle, waardoor het ook wel als lateraalkanaal werd aangeduid. Haar water ontving de Leuvense Vaart eveneens uit deze rivier via een voedingskanaal naar de Vaartkom, genaamd ‘De Hond’. Aanvankelijk telde het kanaal drie sluizen, maar door het grote verval moest dit later tot vijf worden uitgebreid omdat door de hoge waterdruk regelmatig schade ontstond, met overstromingen tot gevolg. Deze kanaalinfrastructuur, waarvan vooral het sluiscomplex bij Tildonk schilderachtig is, heeft thans een beschermde status. Graantransport heeft de vrachtvaart op de Leuvense Vaart altijd gedomineerd. Rijst was een goede tweede, maar dat werd doorgaans al voor Leuven in Wijgmaal gelost voor verwerking in de stijfselfabrieken van Edouard Remy, inmiddels ook gedeeltelijk bestempeld als industrieel erfgoed.Rotselaar - Brouwerij MENA (1)Afbeelding 4: In het nabij Leuven gelegen Rotselaar staat de voormalige brouwerij MENA, die met zijn brouwhuis in Art-Decostijl een bezienswaardigheid is. Het is tegenwoordig een vrijetijdscentrum met openbare bibliotheek en toeristische dienst.

Niet ver van Leuven bevindt zich nóg een industriële brouwerij, die weliswaar ontdaan is van zijn technische installaties, maar wat architectuur betreft aantrekkelijker is dan De Hoorn. Het gaat om bierbrouwerij MENA in Rotselaar. In 1897 brouwde Eduard Meynckens in zijn boederij op deze plaats zijn eerste bier. Hij ging daarmee de concurrentie aan met brouwerij ‘De Toren’ van de familie Smedts, die gevestigd was naast het oude kasteeldonjon op het domein Ter Heide in Rotselaar. Zijn bier van hoge gisting verkocht Meynckens onder de merknamen Boelt en Dobbelen Boelt. De distributie liet hij over aan Henri Nackaerts. In 1922 kwam hier een vennootschap uit voort onder de naam ‘MENA’, de beginletters van de achternamen van beide heren. Charles Cordemans verschafte hen kapitaal om ook bier van lage gisting te kunnen gaan brouwen. Omdat de oude gebouwen hier ongeschikt voor waren deed men een beroep op architect Eduard Mispelters uit Leuven, die een nieuwe brouwerij in Art-Decostijl tekende. Deze kwam in 1933 gereed en haar vierentwintig meter hoge brouwtoren was een ware blikvanger in het kleine dorp. Er werd een brouwmeester uit Tsjechië, Frederik Zekl, aangetrokken om pilsbieren te brouwen, waarna binnen kort tijd een rijk assortiment ontstond: Castar, Costo, Bock, Bruine, Edler, Dort, Export, Paterke Mena, Schotskensbier en Priora. De brouwerij had een omvangrijke omzet en leverde bier door heel het land. De werknemers waren over het algemeen inwoners uit Rotselaar en de omliggende regio. In 1967 kwam  MENA in handen van Stella Artois, die de brouwerij twee jaar later liet sluiten. Na toekenning van de monumentenstatus in 2005 kreeg te brouwerij drie jaar later een nieuwe bestemming als vrijetijdscentrum met een openbare bibliotheek, toeristische informatiedienst en zalen voor feesten en bijeenkomsten.