Leiden

Hoewel de geschiedenis van Leiden doorgaans geassocieerd wordt met de vervaardiging van wollenstoffen, denkt men daarbij over het algemeen aan de lakennijverheid en niet aan textielindustrie. De imposante lakenhal uit de zeventiende eeuw, waarin thans het stedelijk museum is gehuisvest, verwijst nog naar dit verleden. Niettemin bevinden zich in de binnenstad ook nog een aantal voormalige textielfabrieken uit het recentere verleden, toen de stad weliswaar niet meer toonaangevend was in deze sector, maar een aanzienlijk deel van haar ingezetenen er nog altijd in werkzaam waren. Overigens gaat de eerste bloeiperiode van de lakennijverheid veel verder terug in de tijd dan de lakenhal, want al in de late middeleeuwen werd er volop wol aangevoerd uit Engeland om tot laken verwerkt te worden door de Leidse wevers. Daarmee volgde men het voorbeeld van Artesië en Vlaanderen, waar vandaag de dag nog menige stad kan pronken met een middeleeuwse lakenhal. Rond 1500 raakte de nijverheid in Leiden echter in het slop, omdat men in Engeland meer en meer zelf wol ging verwerken en daarbij bovendien uit modeoverwegingen koos voor een ander weefseltype. Laken zou weliswaar nog lang voor kleding gebruikt blijven worden, toch ontstond er een voorkeur voor het lichtere ‘saai’ dat uit kamgaren van Spaanse wol geweven werd. Er ging een kleine eeuw overheen voordat deze wollenstof ook in Leiden geproduceerd werd. De stad had deze heropleving te danken aan de godsdienstoorlogen die calvinistische wevers en drapeniers uit Noord-Frankrijk, Wallonië en Vlaanderen naar het noorden deed uitwijken. Het waren over het algemeen saaiwerkers die nieuwe productietechnieken meebrachten en een scherpe ondernemingsgeest introduceerden, waardoor de traditionele dikke lakense stof definitief door dunnere saaien naar de achtergrond werd verdrongen. Maar ook andere stoffen zoals fustein, grein en ras kwamen er van de Leidse weefgetouwen en hun productie, die naast spinnen en weven ook het vollen, scheren en verven omvatte, was georganiseerd in afzonderlijke ‘neringen’. Iedere nering had zijn eigen hal waar de wollenstoffen werden gekeurd. Nadat er in 1583 een saaihal tot stand was gekomen volgde een fusteinhal (1583), rashal (1596), baaihal (1606), lakenhal (1614), warphal (1652) en greinhal (1653). Door deze economische voorspoed groeide de stedelijke bevolking tot zeventigduizend zielen in 1670, waarvan zo’n vierduizend wevers. De nijverheid was toen echter al over haar hoogtepunt heen, al zou de echte neergang zich pas in de achttiende eeuw duidelijk manifesteren. De export naar de Levant liep terug doordat de macht van de Republiek ter zee tanende was, die naar Frankrijk, Oostenrijk, Venetië, Napels en Zweden door hoge invoerrechten, waarmee deze landen hun eigen textielnijverheid gingen beschermen. Binnenlands ondervonden de Leidse wevers concurrentie van vakgenoten in Tilburg en Eindhoven, waar de lonen aanmerkelijk lager waren omdat het om plattelanders ging die het naast hun boerenbestaan deden. Bedroeg de jaarproductie van Leiden in 1664 nog 144.000 ‘stukken’, aan het einde van de achttiende eeuw was dit gedaald tot 27.000. Na afloop van de Franse bezetting trad er langzaam maar zeker een kentering op, niet in de laatste plaats door de stimuleringen van koning Willem I, hoewel het gemeentebestuur zich ook actief ging inzetten voor het herstel van de eens zo bloeiende nijverheid.leiden-1Afbeelding 1: De naam Scheltema is tot op de dag vandaag gehandhaafd gebleven aan de Oude Singel. Wat in het verleden een wollendekenfabriek was is nu een cultureel centrum.

De productie van lakens en wollen dekens profiteerde als eerste van de overheidsorders, hetgeen leidde tot een begin van industrialisatie. Het manufactuurgebouw van Scheltema aan de Oude Singel is een mooi voorbeeld van zo’n vroege fabriek, waarin spinmolens en weefgetouwen waren samengebracht zonder dat deze gemechaniseerd waren. Toen Jacobus Scheltema in 1817 zijn onderneming startte waren er een twintigtal van dergelijke manufacturen actief in Leiden, waarvan er overigens nog maar één sinds 1816 een stoommachine had draaien. Hoewel het bedrijf pas tegen het einde van de negentiende eeuw over ging tot mechanisatie, won het met haar kwalitatief hoogstaande producten onder de merknamen ‘Scheltema’ en ‘Elegant’ verschillende internationale prijzen en hield het zich tot 1958 staande in de Leidse binnenstad. Na bijna een halve eeuw leegstand volgde een ingrijpende restauratie van het fabriekspand, waarna er onder de oude naam een cultureel centrum in werd gevestigd.

Een buitenkans leek zich voor te doen voor de Leidse textielnijverheid toen België zich in 1830 van Nederland afscheidde en de Nederlandse Handel Maatschappij (NHM) dringend verlegen zat om nieuwe productiecapaciteit voor zogenaamde ‘calicots’. Deze bedrukte katoentjes, die zeer gewild waren op de Indische markt, waren voorheen geleverd door bedrijven in Gent maar ook andere steden in het zuiden, die dankzij Engelse knowhow reeds fabrieksmatig produceerden. Omdat kennis en ervaring van het spinnen, weven en bedrukken van katoen in het noorden nauwelijks voorhanden was, zag de NHM zich genoodzaakt deze te importeren. Koloniale concurrent Engeland wist zich effectief af te schermen, maar enkele Belgische bedrijven waren door de weggevallen afzet zo in de problemen gekomen dat ze toehapten en de jonge staat deed ook weinig om dit te belemmeren. Met ruime financiering werden ze door de NHM gestimuleerd om zich in de kwijnende Hollandse textielsteden Leiden en Haarlem te vestigen, ten einde daar weer bedrijvigheid te brengen. Haarlem bleek hierbij favoriet. De stad die haar eens zo omvangrijke linnennijverheid ten onder had zien gaan, kon nu maar liefst drie industriële katoenbedrijven verwelkomen: Wilson uit Ukkel (1832), Poelman uit Gent (1833) en Prévinair uit Brussel (1834). Leiden leek buiten de boot te vallen, totdat in 1835 De Heyder uit Lier er neerstreek met een katoendrukkerij. In Haarlem is het geen succes geworden, omdat van begin af aan het werkverschaffingskarakter domineerde en de Nederlandse katoenindustrie pas echt volwassen werd toen ze in Twente met haar relatief lage loonkosten was gaan produceren. Ook in Leiden leek het de verkeerde kant op te gaan, totdat Louis Driessen het bedrijf in 1846 overnam. Omdat de onderneming zich volledige toelegde op het bedrukken van katoen ondervond het weinig concurrentie uit Twente, waar men dit proces nauwelijks aantrof en de industrie juist weefsels produceerde voor verdere verwerking in Leiden. Zoon Felix Driessen liet het bedrijf in 1886 omdopen tot NV Leidsche Katoenmaatschappij, die toen met negenhonderd werknemers de grootste fabriek van de stad was. Na een grote brand in 1897, die het complex aan de Herengracht vrijwel volledig verwoestte, volgde heropbouw en modernisering, maar de crisis van de jaren dertig bleek fataal en het bedrijf ging in 1932 failliet.leiden-2Afbeelding 2: Het fabriekscomplex van de Gebr. van Wijk liep eens van de Hogewoerd (boven) helemaal door tot aan het Levendaal. Aan beide straten zijn de fabrieksgebouwen behouden gebleven.

Hoewel de Leidse textielfabrikanten in de tweede helft van de negentiende eeuw vrijwel allemaal op stoom overschakelden, kon dit de achterstand op Tilburg voor wat betreft de wollenstoffenproductie niet meer goed maken. Was het productievolume in 1830 daar al drie keer zo groot, een kwart eeuw later bedroeg dit al het tienvoudige. Haar voortbestaan had de Leidse wollenstoffenindustrie te danken aan specialisatie. Produceerde Tilburg voornamelijk ‘grof’ laken, duffel en baai, Leiden legde zich toe op fijnere stoffen als grein, polemiet en saai, maar ook vlaggendoek en damast. Dat er ook nog steeds vraag was naar wollendekens uit Leiden, bewijst het feit dat in 1840 Benjamin Adrian een fabriek met stoommachine liet verrijzen aan de Hogewoerd, waarbij de gevel in harmonie werd gebracht met de oude woonhuizen. Willem Frederik van Wijk nam de weverij in 1863 over en liet hem uitbreiden met een afdeling voor apretuur (nabewerking) waarvoor een toren met waterreservoir (1910) gebouwd werd. Door verdere vergroting van het complex in achterwaartse richting kwam men uiteindelijk terecht aan het Levendaal, waar vanaf 1913 een gebouw met betonskeletconstructie onderdak bood aan de breigarenfabriek. Opdrachten voor het Nederlandse leger en presentie op wereldtentoonstellingen gaven het bedrijf aanzien. Een bezoek van koningin Wilhelmina aan de fabriek bevestigde deze reputatie. Na nog geprofiteerd te hebben van de korte naoorlogse heropleving van de textielindustrie, door o.a. nog een fabriek buiten de binnenstad aan de Kanaalweg te openen, ging het bedrijf ondanks de fusie met sajetfabriek Heringa (1957) toch failliet (1963). De fabrieksgebouwen aan de Hogewoerd en het Levendaal zijn behouden gebleven en herbestemd, laatstgenoemde tot supermarkt. Het tussenliggende complex is in 1989 gesloopt en vervangen door een parkeergarage en appartementengebouw.leiden-3Afbeelding 3: ‘Nieuwe Energie’ is de huidige benaming van het bedrijfsverzamelgebouw dat is gehuisvest in de voormalige spinnerij van  Clos & Leembruggen. 

Andere Leidse textielbedrijven die het tot ver in de twintigste eeuw volhielden waren Krantz en Zoon (uniformstoffen, tot 1977), Le Poole (vlaggendoek en damast, tot 1936), Zaalberg en Zn. (wollendekens, tot 1976) en Clos & Leembruggen (Sajet, tot 1978). Laatstgenoemd bedrijf liet in 1939 door de Leidse architect Bernard Buurman nog een nieuwe spinnerij ontwerpen, bestaande uit twee bouwlagen met sheddak en grote raampartijen aan de Maresingel voor optimale lichtinval. Onder de naam ‘Nieuwe Energie’ is het tegenwoordig een bedrijfsverzamelgebouw, waar in de gemeenschappelijke ruimtes grote fotoafdrukken op de muren het Leidse textielverleden laten herleven.