Trembleur

Blegny Mine, kolenwasserij (1)Afbeelding 1: Blegny Mine in haar huidige museale gedaante, met links de kolenwasserij en rechts de schachtbok waarmee bezoekers nog altijd tot een diepte van zestig meter kunnen afdalen.

Hoewel hemelsbreed slechts enkele tientallen kilometers van elkaar verwijderd, heeft de steenkolenwinning in het Luikse bekken een andere ontwikkelingsgeschiedenis doorgemaakt dan die in het Nederlandse Zuid-Limburg. Door de opkomst van de ijzer- en staalindustrie in Luik werden er vanaf het begin van de negentiende eeuw al vele schachten gegraven om de rijke steenkolenlagen te exploiteren. Terwijl kort voor 1900 in Nederland door nog geen duizend mijnwerkers zo’n tweehonderdduizend ton kolen werd bovengehaald, gaf de sector in ’t Luikse toen al werk aan meer dan dertigduizend mensen die een jaarproductie van bijna zes miljoen ton realiseerden. Maar zoals wel vaker manifesteerde zich ook hier al snel de wet van de remmende voorsprong. De moderne particuliere- en staatsmijnen die daarna in Nederland tot stand kwamen waren veel productiever en al in 1925 werd door twaalf mijnzetels meer steenkool gewonnen dan door de vijfenzestig in de regio Luik, en dat bij een totale personeelsbezetting die beduidend lager was.  Het grootste mijnbouwbedrijf in Zuid-Limburg, De Staatsmijnen, had toen bijna twintigduizend mensen op de loonlijst staan, terwijl over de grens de Charbonnage du Hasard met ruim drieduizend de ranglijst aanvoerde. De bedreiging voor de inefficiënte Luikse bedrijven kwam echter van de nieuwe steenkoolmijnen die vrijwel gelijktijdig in Belgisch Limburg werden geopend door Waalse ondernemers. Vlamingen die daarvoor nog het verarmde platteland ontvlucht waren om aan de andere kant van de taalgrens in de mijnen af te dalen, konden dat nu dichter bij huis doen. Bovendien kwam er al voor de oorlog een einde aan de vanzelfsprekendheid dat binnen de Luikse mijnwerkersfamilies ook de jongste generatie nog ondergronds ging werken. Uit veiligheidsoogpunt hadden de verouderde mijnen een twijfelachtige reputatie en werk in de hoogovens en staalfabrieken werd als aantrekkelijker ervaren. Eind jaren dertig was men daarom reeds genoodzaakt om een beroep te doen op buitenlandse mijnwerkers – vooral uit Italië en Polen – terwijl dit in de Limburgse mijnen (ook die in België) pas aan eind jaren vijftig aan de orde was. Desalniettemin sloot de laatste steenkolenmijn er pas in 1980 haar poorten, vijf jaar later dan in Nederland, waar het uitwissen van de sporen uit dit verleden toen al bijna was afgerond. Ook wat dit laatste betreft verliep de gang van zaken aan de andere kant van de grens duidelijk anders, overigens niet alleen uit historische besef maar eveneens als gevolg van het bekende Waalse ‘laissez-aller’. Blegny Mine in Trembleur hoort beslist thuis in eerstgenoemde categorie.  Al vrijwel direct na het stilleggen van de productie in 1980 gingen mijnwerkers er rondleidingen geven aan belangstellenden. Daarna volgde ombouw tot een museum, dat tien jaar later al honderdduizend bezoekers ontving en thans op de UNESCO-werelderfgoedlijst staat. Slechts enkele kilometers daarvandaan in Cheratte verviel de Charbonnage du Hasard tot een spookachtige ruïne die hoog scoort bij urban explorers. Deze reportage zal kort ingaan op het verleden van beide steenkolenmijnen ten noordoosten van Luik.Charbonnage du Hasard (6)Afbeelding 2: Charbonnage du Hasard in Cheratte, uniek vanwege zijn zogenaamde ‘Malakov Turm’ waarvan buiten Duitsland nauwelijks voorbeelden te vinden zijn.

De vroegste vermelding van steenkoolontginning in het land van Herve dateert uit de vijftiende eeuw. Deze beperkte zich toen nog tot de beekdalen en geschiedde in opdracht van de monniken van de Abdij van Val Dieux. Van mijnbouw was pas sprake in 1779 toen Gaspard Corbesier de eerste schacht liet afdiepen, nadat hij de concessie ‘Trembleur’ had verworven. Zijn nazaten kochten later de naburige concessie ‘Argenteau’ en voegden beiden in 1883 samen, waarmee de basis werd gelegd voor steenkolenmijn zoals deze er nu nog staat. Hieraan ging wel een lange periode van inactiviteit vooraf die duurde van 1887 tot 1919. Uit de eerste fase dateert nog de schacht Marie l’Espérance, genoemd naar de dochter van Gaspard Corbesier en gereedgekomen in 1849. In 1850 werd deze voorzien van een stoommachine om de lift en de pompen aan te drijven. Schacht, gebouwen en installaties van deze eerste mijn zijn nagenoeg volledig behouden gebleven en bieden onder de naam Puits Marie (Mariaput) tegenwoordig onderdak aan de museale collectie. Door de schaarste aan steenkool van na WOI werd de mijn, die in het bezit was gekomen van de familie Ausselet, weer operationeel gemaakt en in tien jaar tijd liep de jaarproductie op tot zo’n tachtigduizend ton. Dit was mogelijk dankzij de aanleg van een nieuwe schacht (gestart in 1920) die tot een diepte van 530 meter reikte en was onderverdeeld in acht niveaus. De Mariaput vervulde in deze opzet de rol van ventilatieschacht. Dat veranderde tijdens de oorlog. Nadat de hoofdschacht en haar gebouwen tijdens de inval van mei 1940 door het Belgische leger waren opgeblazen, werd tijdens de bezettingsjaren de Mariaput weer ten behoeve van de exploitatie ingezet. Toen eind jaren veertig deze schade was hersteld keerde men terug naar de vooroorlogse situatie en de kolenwasserij en schachttoren die heden ten dage het beeld van de kolenmijn bepalen dateren dan ook uit die tijd. Eveneens pakte men toen, met het oog op toekomstige productieverhoging, de infrastructuur voor de afvoer van de steenkool aan. De buurtspoorlijn van Luik naar ’s Gravenvoeren, waarop de reizigersdienst in 1948 was beëindigd, kreeg daartoe bij Warsage een aansluiting op de goederenspoorlijn Tongeren-Aken (de zogenaamde Montzenlijn) zodat geen beroep meer gedaan hoefde te worden op de overbelaste spoorlijnen in het Maasdal. Om kosten te sparen bleef men gebruik maken van het bestaande smalspoor en hees men de spoorwegwagons op platte wagens die ook nog eens getrokken werden door de oude buurtspoorlocomotieven. Deze situatie bleef bestaan tot de sluiting van de mijn, hoewel men in de jaren zestig overschakelde op diesellocs. Dankzij deze verbeterde logistieke kon de mijn haar jaarproductie verder opvoeren en deze bereikte met 230.000 ton een hoogtepunt in 1970. De Société Anonyme des Charbonnages d’Argenteau-Trembleur bood toen werk aan zo’n zevenhonderd mensen. Zoals gezegd beëindigde deze onderneming in 1980 haar activiteiten en bleef de mijn behouden als publieksattractie. Onder begeleiding van een gids kunnen de bezoekers door de mijnschacht zestig meter de diepte in of op eigen gelegenheid veertig meter omhoog naar de top van de terril.Blegny Mine, Mariaput (1)Afbeelding 3: Gedurende de negentiende eeuw vond de exploitatie plaats via de Mariaput. Later ging deze dienst doen als ventilatieschacht en nu zijn de gebouwen ingericht als museum over de geschiedenis van de mijnbouw.

De steenkolenwinning in de steile oostflank van het Maasdal bij Cheratte was al in de zeventiende eeuw in handen van de familie Sarolea die in dit dorp een kasteel bewoonde, dat thans tot een ruïne vervallen is. Bij de aanleg van de eerste schachten in de negentiende eeuw deden zich grote problemen voor met de waterhuishouding vanwege de nabijheid van de Maas. De mijnconcessie kwam vervolgens in handen van een Duits bedrijf, maar ook dit slaagde er niet in om de dieper gelegen steenkolenlagen te exploiteren. Een ondergrondse overstroming in 1877 die veel slachtoffers eiste betekende het einde van deze onderneming. In 1903 deed René Henry, directeur van de steenkolenmijn in het nabijgelegen Micheroux, een nieuwe poging en kocht voor spotprijs de aandelen van de Société Anonyme des Charbonnages du Hasard. Niet alleen de hoge grondwaterstand, maar ook beperkte ruimte in het smalle Maasdal maakte de aanleg van een moderne mijn problematisch. In plaats van het ophaalgebouw en de schachtbok naast elkaar te plaatsen, koos hij voor een toren met ophaalmachine direct boven de schacht. Met name in het Ruhrgebied waren dit soort schachttorens tussen 1850 en 1870 in zwang gekomen, omdat staal nog niet sterk genoeg was om de voortdurende trillingen van de op- en neergaande mijnlift te weerstaan. Een toren met dikke bakstenen muren werd door de ingenieurs betrouwbaarder geacht. In het Duitse mijnbouwjargon ging men deze aanduiden als ‘Malakow-Turm’, een uitdrukking die zijn oorsprong vreemd genoeg had in de Krimoorlog. De belegering van Sebastopol beheerste destijds maandenlang het nieuws en vooral het verzet vanuit Fort Malakow met zijn reusachtige, vierkante torens. Omdat de bakstenen schachttorens net zo onverzettelijk moesten zijn als dit fort ging men er de naam Malakow aan verbinden, die buiten Duitsland overigens nauwelijks gebruikt werd. De schachttoren van Cheratte is één van de weinige voorbeelden buiten Duitsland en bovendien uit een opmerkelijk laat bouwjaar (1907). Plaats voor een steenberg (terril) was er evenmin op het mijncomplex en daarom boorde men een schacht door de naastgelegen heuvelflank met daarboven een ophaaltoren om de mijnsteen via deze weg af te voeren. Dit systeem werkte slechts gebrekkig. Na verloop van tijd ging men het mijnafval in het Maasdal benutten voor de wegenbouw en de schacht voor ventilatie. De betonnen schachtbok staat nog steeds bekend als ‘La Belle Fleur’. Na WOI volgde een verdere uitbouw van het complex. Op het domein van het kasteel van Sarolea, dat dienst deed als directiewoning, verrees een mijnwerkers-cité bestaande uit tweehonderd woningen die voorzien waren van elektriciteit, stromend water en een tuin. Voor de ongetrouwde mijnwerkers kwam er een gezellenhuis. Met de spoorlijn Luik-Maastricht voor de deur had de mijn al goede transportverbinding om de geproduceerde steenkool af te voeren, maar in 1925 kwam daar ook nog een binnenhaven aan de Maas bij. Daarnaast kwamen ook ondergronds verbindingen tot stand, namelijk met de twee andere mijnen van de SA des Charbonnages du Hasard in Fléron en Micheroux. Met een jaarproductie van 350.000 ton steenkool en vijftienhonderd arbeiders was de mijnzetel in Cheratte de grootste van dit drietal en bleef ook het langst in productie, tot 1977. Na veertig jaar van verval is men onlangs tot het besluit gekomen om ophaaltoren (1907), machinezaal (1910) en lampisterie (1924) voor de toekomst te behouden. Alle gebouwen van recenter datum op de noordelijke helft van het complex, waaronder een betonnen ophaaltoren uit 1937, zullen worden gesloopt. Concrete plannen voor herbestemming ontbreken vooralsnog.