Roubaix

Roubaix behoort tot de categorie steden die haar groei vrijwel volledig te danken had aan de textielindustrie, waardoor een zeer eenzijdige economische structuur ontstond. De ontwikkeling die de stad in de negentiende- en twintigste eeuw doormaakte is daarmee gelijk aan die van steden als Verviers, Mönchengladbach, Nordhorn, Bocholt, Enschede en Tilburg. Een bredere economische basis zoals haar buurstad Lille – net als Gent, Leiden en Aken een handelscentrum dat naast textiel ook andere bedrijvigheid aantrok – kwam in Roubaix nooit tot stand. Door de stormachtige groei van de wolindustrie groeide haar bevolking van nog geen tienduizend zielen in 1800 tot honderdvijfentwintigduizend een eeuw later. De skyline van de stad werd gedomineerd door bijna driehonderd fabrieksschoorstenen, die indruk gemaakt moet hebben op de achthonderdduizend mensen die in 1911 afreisden naar deze boomtown om de internationale textieltentoonstelling te bezoeken.  Velen van hen zullen daarbij door het noordelijk gelegen Tourcoing zijn gekomen, dat volop in dit economische succes deelde en het ook mede mogelijk had gemaakt. In deze stad waren de wol-verwerkers zich namelijk gaan specialiseren in het kamproces, waarbij niet alleen de ongerechtigheden maar ook de korte vezels uit de wol verwijderd werden en een minder volumineus garen ontstond. Van deze kamgarens konden vervolgens door de wevers in Roubaix luxere stoffen vervaardigd worden dan van de traditionele kaardgarens. Daarmee wist de regio zich al vroeg te onderscheiden van andere centra van wolnijverheid in Frankrijk zoals Sedan (in de Ardennen), Louviers en Elbeuf (beiden in Normandië), waar de textielindustrie nooit een dergelijke omvang zou bereiken. Mijlpalen in de mechanisatie van de wol-verwerking in Roubaix waren de installatie van een illegaal uit Engeland geïmporteerde Mule Jenny in 1804 door Eugène Grimonprez, de plaatsing van de eerste stoommachine door Bulteau in 1820, maar vooral de ingebruikname van de eerste wolkammachine door Dujardin-Collette in 1847. Dat hierdoor de behoefte ontstond aan grotere fabrieksgebouwen wordt fraai geïllustreerd door de spinnerij van textielondernemer Louis Motte die tot op de dag van vandaag behouden is gebleven. In 1844 liet hij aan een zijarm van het kanaal van Roubaix zijn eerste spinnerij bouwen met een capaciteit van vierenveertigduizend spindels. Het kanaal betekende een belangrijke impuls voor de industrialisatie van Roubaix, omdat in de loop van de negentiende eeuw de Europese wol verdrongen werd door die uit Argentinië, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Na een verwoestende brand verrees in 1864 op dezelfde plaats een nieuwe fabriek, dit keer naar Engels model met kolommen en draagbalken van gietijzer om de kans te verkleinen dat een dergelijke calamiteit zich nog eens zou voordoen en met voldoende vloeroppervlak om moderne self-actors te kunnen plaatsen. Na oplevering ging de fabriek in de volksmond al spoedig  ‘Usine Monstre’ heten en door de uitbreidingen in de daaropvolgende decennia deed het complex die naam alleen nog maar meer eer aan. De traptorens bekroond met kantelen, zoals nu nog te zien aan de oostelijke façade, behoren tot de vroegste bouwfase. Die uit het einde van de negentiende eeuw zijn getooid met een voor die tijd gebruikelijk tentdak. Het complex strekte zich over een lengte van meer dan honderd meter uit langs de Avenue Général Leclerc. Na beëindiging van de productie in 1981, volgde van 1989 tot 1993 een grondige restauratie waarna de Archives Nationales du Monde du Travail er in ondergebracht werden. De portaalachtige constructie van witgeschilderde metaalbalken, die ongetwijfeld geïnspireerd is op de ophaalbrug van een middeleeuws kasteel, wordt over het algemeen beschouwd als een minder geslaagde toevoeging van de bekende architect Alain Sarfati.roubaix-1Afbeelding 1: Het oudste gedeelte van de spinnerij Motte-Bossut, waarin zich nu de Archives Nationales du Monde du Travail bevinden.

Om de aanvoer van ruwe en bewerkte wol op efficiëntere wijze te laten plaatsvinden besloot de ‘Chambre de Commerce’ in 1901 om deze te centraliseren in een nieuw gebouw: La Condition Publique. Hier werd eveneens voor alle textielondernemers (dus min of meer openbaar, ofwel ‘publique’) de kwaliteit (‘condition’) van de wol vastgesteld, of deze nu ruw, gekamd, gekaard, gesponnen of reeds geweven was. Voor de waardebepaling voorafgaand aan doorverkoop was het vooral van belang om het watergehalte nauwkeurig te meten. Naast wol ontfermden de keurmeesters zich ook over katoen en zijde, al bleven deze volumes in Roubaix ver achter bij die van de wol. Nadat in 1972 een einde was gekomen aan deze functie duurde het nog tot 2004 vooraleer het gebouw een nieuwe, permanente bestemming als kunstencentrum kreeg. Met gevels van geglazuurde baksteen en voorzien van veel siersmeedwerk, is het representatief voor de gloriejaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, toen de stad uitbundig haar welvaart etaleerde. Ook het eclectische stijl gebouwde stadhuis van Roubaix dateert uit deze periode.roubaix-3Afbeelding 2: La Condition Publique verzorgde eens de opslag en keuring van ruwe en bewerkte wol in Roubaix. Thans doet het gebouw dienst als kunstencentrum.

Na de oorlog werd snel duidelijk dat de jaren van voorspoed niet meer terug zouden keren. De jaren twintig kenmerkten zich door overcapaciteit in de wollenstoffenindustrie, die zich eveneens geconfronteerd zag met concurrentie van synthetische vezels (viscose) en tricotage (breisels voor o.a. ondergoed, kousen en bovenkleding). Ondernemers als Jean Prouvost en Pierre & Jean Tiberghien die actief werden in laatstgenoemde industrie, zetten hiervoor nieuwe bedrijven op buiten Roubaix in Linselles, Moeskroen en Ronse. Een geheel nieuwe weg werd bewandeld door de familie Pollet die de omzet van haar spinnerij ‘Filature de la Redoute’ sterk terug zag lopen. Onder dezelfde naam zetten zij in 1922 een postorderbedrijf (‘Vente par Correspondance’) op, waar klanten via advertenties in de krant kleding konden bestellen. Het succes hiervan was zo groot dat al in 1928 een eigen catalogus werd verspreid. La Redoute is nog steeds een begrip in Frankrijk, al bestellen tegenwoordig de meeste klanten via internet in plaats van uit de catalogus. Het voorbeeld kreeg navolging in Roubaix, want in 1932 besloot ook ondernemer Xavier Tourlemond om naast zijn spinnerij een postorderbedrijf op te zetten onder de naam ‘Troix Suisses’. En ook dit verzendhuis heeft zich tot op de dag van vandaag weten te handhaven.

Ondanks de laagconjunctuur van het interbellum waren er in Roubaix dus altijd nog textielondernemers die goed zaken wisten te doen. Onder hen ook Paul Cavrois, die fortuin maakte met de vervaardiging van modieus interieurtextiel in de vijf fabrieken van zijn vennootschap Cavrois-Mahieu. Textielondernemers van zijn generatie waren inmiddels textielbaronnen geworden, die niet meer in de nabijheid van hun fabriek wensten te wonen, maar kozen voor een luxe villa in het groen. Hij liet daarvoor zijn oog vallen op het tussen Lille en Roubaix gelegen plaatsje Croix, dat zich aan het transformeren was tot een chique woonoord voor industriëlen uit beide steden. Om zich te onderscheiden van zijn buurtgenoten die hun villa’s in een vrij traditionele stijl lieten optrekken, gaf hij de architect Robert Mallet-Stevens opdracht om een ontwerp volgens de principes van het ‘Nieuwe Bouwen’ (met Walter Gropius en Le Corbusier als belangrijkste vertegenwoordigers) te maken.  Ook het volledige interieur en de tuin kwamen van zijn hand, zodat bij oplevering in 1932 een ‘Oeuvre d’Art Totale’ kon worden gepresenteerd dat nog steeds geldt als iconisch voorbeeld binnen de stroming. De Villa-Cavrois wordt tegenwoordig niet meer bewoond en is door het publiek te bezichtigen. Eveneens in 1932 liet de stad Roubaix nogmaals zien dat hoogwaardige architectuur niet alleen voor de woonkastelen van de nouveau-riche, maar ook voor openbare voorzieningen was weggelegd. In dat jaar opende namelijk het nieuwe gemeentelijke zwembad haar deuren, dat door architect Albert Baert als een juweeltje van Art-Decaux was geschapen. Het is nu nog steeds een openbare gelegenheid, maar dan als Musée d’Art et d’Industrie dat haar kunstcollectie rondom het zwembassin en in de kleedcabines tentoon stelt.

Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode aan waarin de kunstvezelindustrie haar productenpakket aanzienlijk uitbreidde. Naast rayon (ook wel aangeduid als viscose of kunstzijde) kwamen nu ook garens van polyamide (nylon), polyester en polyacrylonitril (acryl) beschikbaar. Laatstgenoemde is wat warmte-isolatie betreft superieur aan wol en hoewel het daar in andere eigenschappen weliswaar bij achterblijft, wist de industrie al snel garens van deze nieuwe vezel te produceren die goedkoper waren dan de kamgarens van de spinnerijen in Roubaix. Voor kleding was hier nog steeds vraag naar, zij het steeds meer gemengd met acryl, maar voor toepassing in interieurtextiel werd wol vrijwel volledig verdrongen door synthetische vezels. Concurrentie van de textielindustrie uit Zuid-Europese landen die daar nog bijkwam, betekende de nekslag voor veel wol-verwerkende bedrijven in Roubaix en noopte de resterende ondernemingen tot drastische kostenbesparingen. Wat personele uitgaven betrof hadden zij een eeuw lang geprofiteerd van goedkope arbeiders uit Vlaanderen, die in sommige fabrieken meer dan de helft van het personeelsbestand uitmaakten en niet alleen uit de grensstreek kwamen, maar bijvoorbeeld ook uit Gent. Afgezien van het feit dat deze door de welvaartsontwikkeling in eigen land sowieso minder reisbereid waren geworden, moesten de textielbedrijven hun gastarbeiders nu uit verder gelegen landen laten komen om überhaupt nog competitief te blijven. Het ging daarbij meestal om Noord-Afrikaanse landen, waarvan door gezinshereniging al snel grote gemeenschappen ontstonden in de arbeiderswijken. Toen inschakeling van deze goedkope arbeidskrachten, naast een immer voortschrijdende mechanisatie, ook niet meer volstond, zocht men het antwoord op de ongunstige ontwikkelingen tenslotte in de totstandkoming van grote moedermaatschappijen (holdings). Zo ontstonden rond 1970 La Lainière de Roubaix (ex Prouvost) met zo’n zestienduizend, en Jean & Pierre Tiberghien met  ruim drieduizend medewerkers.roubaix-2Afbeelding 3: La Manufacture des Flandres is een voormalige weverij van wandtapijten die nu dienst doet als textielmuseum.

Ondertussen zijn ook deze concerns ter ziele gegaan en resteert in Roubaix enkel de herinnering aan haar roemrijke textielverleden, die levend wordt gehouden in het museum ‘La Manufacture des Flandres’. Het werd in 2001 ondergebracht in een leegstaande hal van Flemish Tapestries dat zich bezig houdt met de vervaardiging van wandtapijten (vooral reproducties). Dit bedrijf kwam in 1992 voort uit de weverij van Jean Baptist Craye, een Vlaming die zich in 1880 in Roubaix vestigde om daar gordijnstoffen te gaan produceren. Een verzameling jacquardweefmachines van uiteenlopende ouderdom, maar allemaal nog operationeel, vormt het hart van de museumcollectie. In tegenstelling tot de kolossale spinnerijhoogbouw van Motte-Bossut in de binnenstad bestaat deze fabriek, gelegen aan de rand van de stad, uit de voor weverijen kenmerkende sheddakhallen. Voor de vele verlaten fabrieksgebouwen in de directe omgeving zal een nieuwe bestemming niet weggelegd zijn. Sloop ten behoeve van woningbouw valt evenmin te verwachten, gezien de krimpende bevolking van Roubaix. Deze is over het algemeen nog woonachtig in de oude arbeiderswijken of flatgebouwen uit de jaren zestig en zeventig. Het revitalisatieprogramma van overheidswege, als antwoord op de textielcrisis, was vooral gericht op buurstad Lille vanwege de betere voedingsbodem voor dit soort projecten en de verwachting dat de positieve effecten zouden afstralen op de wijde regio. Dat laatste is in geval van Roubaix en Tourcoing tot op heden niet bewaarheid.