Groningen

Groningen (5)Afbeelding 1: De Groningse suikerfabriek gezien vanaf het Hoendiep.

Dat zoon Jan Evert Scholten (1849-1918) in ondernemerschap niet onderdeed voor zijn vader Willem Albert (1819-1892), de grondlegger van de aardappelzetmeelindustrie, blijkt niet alleen uit het feit dat hij in 1892 een elektriciteitscentrale in Groningen liet bouwen (zie rubriek ‘Energiecentrales’) maar ook uit zijn initiatief om in 1896 in het nabijgelegen Hoogkerk bietsuiker te gaan produceren. In Friesland en Groningen wist hij voldoende bietentelers aan zich te binden om deze Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek te laten renderen. En dat laatste doet de fabriek ook tegenwoordig nog, want samen met die van Dinteloord zijn het de laatste twee nog operationele suikerfabrieken van Nederland. Net als veel andere particuliere suikerfabrieken sloot die van Hoogkerk zich in 1919 aan bij de CSM om sterker te staan in de concurrentie met de coöperatieve suikerfabrieken. Daarvan was er ook één opgericht aan de rand van de stad Groningen en deze was net als die in Hoogkerk gelegen aan het Hoendiep. Nadat de CSM uiteindelijk in 2007 was overgenomen door de Suikerunie, de organisatie waarin de coöperatieve suikerfabrieken in 1966 in waren samengegaan, leek het er even op dat ook deze Groningse suikerfabriek in productie zou blijven. Echter, al een jaar later was de situatie ingrijpend veranderd doordat de EU de Europese bietsuikerindustrie een drastische productiebeperking oplegde ten faveure van rietsuikerindustrie in de onderontwikkelde landen. Royal Cosun, het moederbedrijf van suikerunie, reageerde hier meteen op door haar fabriek in Groningen stil te leggen en de sloop ervan voor te bereiden. Door ingrijpen van de gemeente Groningen zijn twee beeldbepalende gebouwen en de schoorsteen behouden gebleven. In één daarvan is een zogenaamd ‘inschuif-restaurant’ ondergebracht waarvan de naam ‘De Wolkenfabriek’ een verwijzing is naar de stoomwolken die vroeger tijdens de bietencampagne boven het fabriekscomplex hingen. De ruimte die door sloop van de overige bebouwing vrijkwam dient tegenwoordig als evenemententerrein voor openluchtoptredens met groot publiek.Groningen (4)Afbeelding 2: Luchtopname van de suikerfabriek aan het einde van de jaren twintig. (1) Hoendiep, (2) Spoorlijn Groningen-Leeuwarden, (3) bietengor, (4) tarreerlokaal, (5) washuis, (6) voorfabriek, (7) kantoorgebouw, (8) suikerhuis, (9) machinekamer, (10) ketelhuis, (11) kalkgebouw, (12) ‘oude’ entrepot-gebouw, (13) ‘nieuwe’ entrepot-gebouw, (14) schuimaarde-opslag, (15) pulploods. 

De Vereeniging Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek zag op 16 mei 1913 het levenslicht en trok net als andere coöperaties een ervaren man aan van een particuliere concurrent om een eigen suikerfabriek op te zetten: Jap van Doormaal, directeur van de suikerfabriek in Standdaarbuiten. Hij kocht voor zijn nieuwe werkgever een stuk grond aan ten westen van de stad, gelegen tussen het Hoendiep en de spoorlijn naar Leeuwarden, en kwam samen met een architect en ingenieur tot het ontwerp van de fabriek, die door de firma Röhrig & König uit Maagdenburg van installaties werd voorzien. Het complex was U-vormig, bestaande uit een langgerekte zuid- en noordvleugel (evenwijdig aan spoorlijn en Hoendiep) met daartussen de machinekamer en de hoge schoorsteen. De zuidvleugel bestond uit een washuis, voorfabriek en suikerpakhuis, de noordvleugel uit een ketelhuis, pomphuis en laboratorium, en het kalkgebouw aan het uiteinde vormde de verbinding tussen beide vleugels. Bij de sloop in 2011 maakte deze eerste fabriek nog steeds de kern uit van een gebouwencomplex dat er in een eeuw tijd omheen gegroeid was. Die uitbreiding begon al in 1915 met de toevoeging van een raffinaderij om de geproduceerde ruwsuiker zelf te kunnen verwerken voor verkoop op de consumentenmarkt en een suikerentrepot, dat tegen het suikerpakhuis werd aangebouwd. Direct na de Eerste Wereldoorlog nam de vraag naar suiker zo sterk toe dat de Friesch-Groningsche net als haar concurrenten ging investeren in vergroting van de productiecapaciteit. Dit keer betrof het een tweede entrepotgebouw, een melassetank, kolenbunkers en een pulploods. Daarnaast ondergingen de diffusieruimte (in de voorfabriek) en het ketelhuis een sterke uitbreiding. Het vertrouwen in de toekomst was zelfs zo groot dat men in het Friese Franeker een tweede fabriek opende: de NV Frisia. Door de sterk toegenomen productievolumes begonnen de suikerprijzen in de tweede helft van de jaren twintig echter sterk te dalen en toen de marktvraag dit vanaf 1929 ook deed zag de coöperatie zich genoodzaakt om haar fabriek in Friesland al weer te sluiten. Eenzelfde lot trof de suikerfabriek ‘De Zeeland’ in Bergen op Zoom, eveneens een coöperatie die relatief laat tot stand was gekomen en als nieuwkomer extra hard getroffen werd door de marktverslechtering. Toen in de jaren dertig door de economische depressie de omstandigheden verder verslechterden, kon sluiting van de overige twaalf suikerfabrieken (zes coöperaties en zes particulieren) worden voorkomen door overheidsmaatregelen in de vorm van contingentering en prijsgarantie. Na afloop van de oorlog lieten verdere modernisering en schaalvergroting niet lang op zich wachten. In de eerste categorie vielen onder andere nieuwe voorzieningen om aanvoer van bieten over de weg te faciliteren zoals weegbruggen en een auto-gor, in de tweede categorie de komst van betonnen silo’s om te voldoen aan de alsmaar toenemende behoefte aan opslagcapaciteit. Hoe men in dat opzicht moest woekeren met de ruimte blijkt wel uit de opbouw die met een constructie van betonpalen boven op het ‘oude’ entrepotgebouw werd gezet en binnen de organisatie als ‘zeefgebouw’ bekend kwam te staan. Een gevolg van deze trend om de hoogte in te gaan was de bouw van een drietal brugverbindingen om het personeel in staat te stellen zich efficiënt te verplaatsen zonder onnodige niveauverschillen. Ook in andere opzichten begon men in deze jaren aan de medewerkers te denken. Zo bouwde men het oude ketelhuis dat in onbruik was geraakt om tot een feest- en toneelzaal met aanvullende voorzieningen voor bijzondere gelegenheden: een vroeg voorbeeld van herbestemming van industrieel erfgoed. De laatste uitbreidingsronde vond eind jaren zeventig plaats met de bouw van een nieuwe schoorsteen, kantoorgebouw, pompenhuis en vierde suikersilo, waarvoor het tweede entrepot-gebouw uit 1921 moest wijken. Het is deze omvang die het complex had toen de fabriek in 2008 buiten dienst werd gesteld.Groningen (6)Afbeelding 3: Het evenemententerrein na afloop van een openluchtfestival, met rechts het voormalige entrepotgebouw waar ‘De Wolkenfabriek’ in gehuisvest is. 

Het bouwhistorisch onderzoek dat kort hierop volgde maakte duidelijk dat de oorspronkelijke fabriek uit 1914 nog grotendeels schuil ging achter de uitbreidingsschillen die met name in de naoorlogse decennia tot stand waren gekomen. Uiteindelijk is enkel de schoorsteen, en dan nog in ‘afgetopte’ staat, hiervan behouden gebleven. Restaurant ‘De Wolkenfabriek’ is gehuisvest in een uit 1921 daterende aanbouw van het eerste entrepot-gebouw uit 1915 – het zogenaamde ‘klontjesgebouw’ – dat tijdens de sloopwerkzaamheden werd ontdaan van haar opbouw uit de jaren zestig. Dat laatste heeft overigens niet voorkomen dat de benaming ‘zeefgebouw’ i.p.v. ‘klontjesgebouw’ gehandhaafd is gebleven. Het bestaat uit een betonskelet van drie lagen dat gerealiseerd werd door de NV Bredasche Beton Maatschappij met daarbovenop een ‘halve’ verdieping die voorzien is van een stalen draagconstructie. Omdat de oostgevel door latere aanbouwsels zijn oorspronkelijke raamindeling aan de noordzijde verloren had is hier ter maskering een textielbespanning over aangebracht waarop de nieuwe culinaire bestemming op creatieve wijze is verbeeld. Ten zuidoosten hiervan is direct langs de spoorlijn nog een kantoorgebouw uit het begin van de jaren zestig gespaard gebleven, dat vooralsnog geen nieuwe invulling heeft. Kort na het gereedkomen van de fabriek werd in 1915 ook een directeursvilla opgeleverd die nog altijd bestaat (Van Heemskerckstraat 75). Deze bevond zich in de oostelijke uithoek van het terrein en werd hier door de aanleg van de N370 van gescheiden.  Het heeft de status van rijksmonument en doet nu dienst als opvangtehuis van de stichting ‘Het Kopland’.