Tilburg

Tilburg (3)Afbeelding 1: Ketelhuis van wollendekenfabriek AaBe waarin thans een winkelcentrum is ondergebracht.

Na Twente was het midden van de provincie Noord-Brabant de tweede voornaamste textielregio van Nederland, die zich eveneens in oost/westelijke richting uitstrekte. Liep deze in Twente van Enschede in het oosten naar Almelo in het westen, in Noord-Brabant waren Helmond en Tilburg de twee steden waar tussen de Zuid-Nederlandse textielindustrie geconcentreerd was. Zoals Enschede het middelpunt was van de Twentse textielindustrie, zo was Tilburg dit in het zuiden. En net zoals Twente met Nijverdal, Oldenzaal, Borne en Losser middelgrote plaatsen had waar deze sector de werkgelegenheid domineerde, zo was dat in het zuiden in Goirle, Geldrop, Gemert en Deurne het geval. Daarnaast is er nog een opmerkelijke parallel tussen Eindhoven en Hengelo. Beiden liggen tussen de twee polen van de textielregio’s, zagen aanvankelijk ook zelf deze industrietak tot ontwikkeling komen, totdat deze in de twintigste eeuw verdrongen werd door de metaalelektro: Stork in Hengelo en Philips in Eindhoven. Tenslotte is in beide gebieden de industrie voortgekomen uit een nijverheid van thuiswevers die teruggaat tot de zeventiende eeuw en waarvoor de basis is gelegd door fabrikeurs, die in de loop van de negentiende eeuw overschakelden op productie in manufacturen: de voorlopers van de latere fabrieken. Belangrijke verschillen zijn er overigens ook tussen zuid en oost. In Twente domineerde de katoenindustrie, terwijl Tilburg groot werd door de wollenstoffenindustrie. De textielindustrie hield in Twente niet op bij de grens, maar kwam in Duitse plaatsen als Nordhorn, Gronau, Ochtrup en Rheine eveneens tot grote bloei. Dat was in het zuiden niet het geval met België, waar deze industrie in andere landsdelen gesitueerd was.Textielmuseum (2.JPGAfbeelding 2: Het Tilburgs Textielmuseum is sinds 1986 gevestigd in de voormalige wollenstoffenfabriek C. Mommers & Co. aan de Goirkestraat.

Tilburg dankte haar lakennijverheid aan de wol van de schaapskudden op de Brabantse heidevelden en het zachte water in de beken die gevoed werden vanuit de Kempen. Halverwege de zeventiende eeuw telde het dorp zo’n driehonderd weefgetouwen, een aantal dat was opgelopen tot bijna zeshonderd toen aan Tilburg in 1809 stadsrechten werden verleend onder koning Lodewijk Napoleon. De fabrikeurs verkochten de geweven wollenstoffen vooral in Leiden of werkten in opdracht van lakenkooplieden in die stad. Omdat de wol van de Brabantse schapen niet meer volstond, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht, gingen ze over tot import van zowel ruwe wol als gesponnen garens. Juist vanwege die behoefte aan garens kwam in Tilburg de industrialisatie op gang, en wel met de introductie van een mechanische spinmachine door Martinus Cornelis van Dooren in 1809. Deze werd nog door paardenkracht aangedreven, maar toen zijn zoon Pieter in 1826 een spinnerij liet bouwen nabij de Leij aan de Hilvarenbeekseweg, installeerde hij er een stoommachine. Er gaan nog enkele decennia overheen voordat andere Tilburgse ondernemers dit voorbeeld volgen en fabrieken gaan bouwen. Halverwege de eeuw gaat het dan echter snel en ontstaan de textielbedrijven Ledeboer (1849), Sträter (1852), Van den Bergh-Krabbendam (1853), Thomas de Beer (1854), Eras (1854), Elias (1854), Brands (1861) en Janssens de Horion (1868). Bestond het productenpakket voorheen vooral uit baai, laken, karsaai en duffel, dankzij deze fabrikanten worden er vanaf 1850 ook hoogwaardigere stoffen als flanel en buckskin geweven. Vanaf 1860 komt ook de mechanisatie van het weefproces op gang. Pionier op dit gebied was de firma Diepen, die tien jaar later ook de eerste selfactors liet plaatsen in haar spinnerij.Tilburg (5)Afbeelding 3: De fabriek van de firma BeKa in 1904. Duidelijk te onderscheiden zijn het sierlijke ketelhuis met schoorsteen, de voormalige kazernegebouwen (zadeldaken) en originele fabrieksgebouwen (sheddaken).

Al deze industriële activiteiten gingen onvermijdelijk gepaard met een neergang in de thuisweverij. Werden er in 1857 naast duizend fabrieksarbeiders nog vijfentwintighonderd thuiswerkers geteld, in 1897 betrof juist het aantal thuiswevers duizend en was het aantal fabrieksarbeiders opgelopen tot achtentwintighonderd, die werkzaam waren in tweeënveertig bedrijven met allemaal de beschikking over één of meerdere stoommachines. Deze werden gevoed met steenkool die o.a. per spoor vanuit de Belgische Borinagestreek werd aangevoerd. Om deze brandstof goedkoper vanuit de Rotterdamse haven en de opkomende Limburgse mijnen te kunnen betrekken ontstond de behoefte aan een kanaal, dat echter tot na de Eerste Wereldoorlog op zich liet wachten.  In de tussentijd had zich met de komst van een gemeentelijke elektriciteitscentrale in 1911 al een belangrijke verandering voltrokken met betrekking tot de energievoorziening in de fabrieken. Uit veiligheid en efficiency schakelden de textielfabrieken vanaf toen geleidelijk over op deze nieuwe energiebron, hoewel hun stoomketels in bedrijf bleven voor centrale verwarming, wasserijen, vollerijen en ververijen. Laatstgenoemde bewerkingen konden ook plaatsvinden binnen gespecialiseerde bedrijven, zoals dat van Janssen en Bierens. Hun ‘Stoomververij en chemische wasserij De Regenboog’ opende zelfs filialen in Amsterdam waar men kleding voor een wasbehandeling kon aanbieden. Vrijwel alle Tilburgse textielondernemingen waren familiebedrijven (in de twintigste eeuw veelal overgegaan tot Naamloze Vennootschap) en de fabrikanten zonden hun potentiële opvolgers naar Engeland, Frankrijk, Duitsland en België om zich daar in de praktijk te laten scholen. Deze gewoonte bleef nog lang bestaan, al was het maar om ook op de hoogte te blijven van technische en commerciële ontwikkelingen in deze landen, hoewel er in 1878 al een gemeentelijke weefschool tot stand kwam in Tilburg. Hieruit kwam een textielschool voort, die de leerlingen in alle facetten van het textielbedrijf opleidde. Ook het zuidelijk van Tilburg gelegen Goirle deelde mee in de stormachtige industrialisatie. Daar waren het de families van Besouw en van Puijenbroek die fabrieken bezaten waarin zelfs tot na de laatste eeuwwisseling productie heeft plaatsgevonden van respectievelijk tapijt en bedrijfskleding.Duvelhok (1)Afbeelding 4: Oude en nieuwe bedrijvigheid ‘naast’ elkaar. Op de voorgrond het voormalige ‘Duvelhok’ van BeKa, op de achtergrond de kantoortoren van verzekeraar Interpolis, tegenwoordig de grootste werkgever van Tilburg. 

In Tilburg was het doek toen al voor het overgrote deel van de textielbedrijven gevallen, waarbij de piek van de bedrijfssluitingen in de tweede helft van de jaren zestig lag. Tussen 1965 en 1975 daalde de werkgelegenheid in de sector van tien- naar drieduizend arbeidsplaatsen en het aandeel in de totale werkgelegenheid in Tilburg van twintig naar tien procent. Gelijktijdig groeide het besef dat een blijvende herinnering aan deze industrietak voor de toekomst gewenst was en dat een museum daarvoor de meest geëigende vorm zou zijn. Als locatie hadden de initiatiefnemers hun kaarten gezet op de voormalige wolspinnerij Pieter van Dooren die in 1972 definitief dicht was gegaan. Het gemeentebestuur van Tilburg besliste in 1975 echter anders en liet het fabriekspand slopen om er een ziekenhuis te bouwen. Door de politieke affaire die hierop volgde zou het nog tien jaar duren vooraleer het museum daadwerkelijk tot stand kwam, en wel in de Goirkestraat waar talrijke textielbedrijven actief waren geweest. Met het vertrek van wollenstoffenfabriek George Dröge in 1978 was daar een groot complex leeg komen te staan dat representatief was voor de fabrieken zoals Tilburg die een eeuw lang gekend had. Het ging daarbij vooral om de uit 1885 daterende hoogbouw van de naastgelegen firma C. Mommers & Co., een voorbeeld van vroege fabrieksarchitectuur waarvan er ooit meer dan tien in de stad hadden gestaan. Langgerekt, met drie of vier bouwlagen en voorzien van een eenvoudig zadeldak, leende het zich uitstekend om vanuit de machinekamer op iedere verdieping een aandrijfas draaiende te houden. Speciaal aan dit exemplaar van de firma Mommers & Co. was dat het in hoogte alle anderen overtrof en de vloer van de derde verdieping doormiddel van trekstangen met de kapconstructie was verbonden. Hierdoor hoefden er op tweede verdieping geen ijzeren kolommen geplaatst te worden, waardoor er maximaal ruimte was voor plaatsing van de brede spinmachines, de selfactors. Aangezien de bovenste etage geen grote last hoefde te dragen omdat hier de nopperij/stopperij was gevestigd, bleek deze constructie goed te voldoen. Tegenwoordig is in deze hoogbouw de historische collectie en de bibliotheek van het Textielmuseum ondergebracht. Ernaast bevindt zich een shedhal, waarin de weverij was ondergebracht. Ook binnen het museum heeft het gebouw sinds 1986 wederom deze functie, maar dan voor demonstratiedoeleinden en om kunstenaars de mogelijkheid te bieden er hun creaties te laten maken. Want naast het geven van een goed beeld van het textielverleden is dat laatste onder de naam ‘Textiellab’ in de loop der tijd ook met nadruk een rol van het museum geworden. Wat het complex verder karakteristiek maakt is de aanwezigheid van twee ketelhuizen met schoorsteen, een stoommachine (hoewel niet oorspronkelijk), twee kantoor/woonhuizen aan straat, een smederij en een wolmagazijn.Tilburg (4)Afbeelding 5: Naast het Duvelhok resteren van het voormalige BeKa-complex ook nog de fabrieksschoorsteen uit 1904 en een deel van de oorspronkelijke kazernegebouwen, waarin o.a. het Regionaal Archief is gevestigd.

Een tweede Tilburgse textielfabriek die een museumfunctie heeft gekregen is die van Thomas de Beer aan het uiteinde van de Goirkestraat. Het museum toont sinds 1992 hedendaagse kunst en is genoemd naar de advocaat/zakenman Jan de Pont die betrokken was bij de reorganisatie van diverse textielbedrijven in Tilburg en bij zijn dood in 1987 een deel van zijn vermogen naliet voor opbouw en tentoonstelling van een kunstcollectie. Hiervoor is alleen het meest recente gebouw van de textielfabriek behouden gebleven, namelijk de grote spinnerijhal met sheddak uit 1935. De overige gebouwen moesten plaatsmaken voor een grote parkeerplaats en enkel het kantoor/woonhuis aan de straatzijde kreeg als politiebureau een nieuwe bestemming. Een atypisch fabrieksgebouw dat een nieuwe bestemming heeft gekregen is dat van Van den Bergh en Krabbendam, kortweg BeKa, aan de St. Josephstraat. Het was dan ook van oorsprong geen fabriek maar een kazerne met paardenstallen en huisvestte als dusdanig van 1842 tot 1856 een regiment lansiers. Vanaf 1859 onderging het als textielfabriek allerlei uitbreidingen, die echter na de bedrijfsbeëindiging in 1966 ook weer grotendeels zijn gesloopt. De fabrieksschoorsteen met bedrijfsnaam uit 1904 ontkwam hieraan en dat geldt ook voor een kleine shedhal die tegen de kazerne was gebouwd en daarmee nu samen de behuizing vormt van het Regionaal Archief van Tilburg en omstreken. Over het oude bedrijfspand dat even verderop in de St. Josephstraat ligt kan weinig misverstand bestaan dat het ooit een fabriek was. De gebroeders Isaac en Abraham Deen lieten het in 1862 bouwen als katoenspinnerij. Deze ‘vreemde eend in de bijt’ was geen lang leven beschoren en al in 1880 werd de fabriek overgenomen door Constant Lamberts om er wollenstoffen te gaan vervaardigen. Nadat het in 1911 was overgegaan in handen van ‘buurman’ BeKa kreeg het een nieuwe functie als ‘duvelhok’, hetgeen inhield dat de ruwe wol er ontward, schoongemaakt en met smoutolie behandeld werd. Omdat de arbeiders die hier werkten er doorgaans duivels smerig uitzagen werd dit ook de bijnaam voor dit voorbehandelingsproces. Na sluiting van BeKa namen kunstenaars bezit van het gebouw en heeft het decennialang een rol vervuld als atelier-, cursus- en expositieruimte. Na een grondige verbouwing in 2014 is het heropend met een designshop, restaurant, tentoonstellings- en conferentieruimtes. De naam Duvelhok is tot op de dag van vandaag gehandhaafd gebleven, de ‘vlam’ uit de schoorsteen dient als blikvanger. De vijfde fabrieksschoorsteen die nog resteert van de bijna honderd exemplaren die ooit het Tilburgse stadsbeeld domineerden is die van de AaBe-fabriek. Het bedrijf van Adolf van den Bergh uit 1929 kreeg grote merkbekendheid dankzij de wollendekens met het rendierlogo. Toen door de populariteit van donsdekbedden de vraag naar dit product terugliep schakelde AaBe over op brandwerend interieurtextiel voor vliegtuigen en hield het daarmee tot 2008 vol, hoewel na 1996 op een andere locatie. Na een lange periode van leegstand en grondige renovatie is het als rijksmonument geklasseerde fabriekspand aan de Hoevensweg in 2016 wederom onder de naam AaBe-fabriek heropend, maar nu als winkelcentrum met uiteenlopende neringdoenden.Tilburg (6)Afbeelding 6: Aan het Wilhelminakanaal handelde het bedrijf Leon Kalfus & Zoon van de jaren ’50 tot ’80 in gebruikte kleding. Hoewel in strikte zin geen industrie, was het een grootschalige activiteit en onder de naam ‘Fabriek59’ biedt het complex nu ruimte aan uiteenlopende ondernemingen.