Leerlooierijen

Leerlooierijen (1)Afbeelding 1: De vervanging van looikuipen door walkvaten luidde de industrialisatie in binnen de leerlooierijsector.

Bij het materiaal leer denkt men vanzelfsprekend in de eerste plaats aan schoenen, hoewel deze inmiddels voor een belangrijk deel uit rubber en kunststof bestaan. Aangezien leren tassen eveneens een zeldzaamheid zijn geworden hoeft het niet te verbazen dat niet alleen de productie van leder, maar ook de verwerking daarvan, nagenoeg uit ons land verdwenen is. En dat al decennia geleden. De industrie kwam in Zuid-Europa terecht en is na de eeuwwisseling de Middellandse Zee overgestoken omdat door de introductie van de Euro landen als Italië en Portugal niet meer konden concurreren met de Noord-Afrikaanse landen. Vrij onbekend is echter dat deze zuidwaartse beweging al veel eerder begonnen is en drie á vier eeuwen geleden de leerlooiersnijverheid vanuit de Hollandse steden in Noord-Brabant deed belanden. Het was in het midden van deze provincie, in plaatsen als Waalwijk, Dongen, Rijen en Oisterwijk, waar ze eind negentiende eeuw zou uitgroeien tot een volwaardige industrietak. Want het waren destijds niet alleen schoenen en tassen die uit leer vervaardigd werden, maar ook zadels en tuigage voor paarden en drijfriemen voor machines waarin het materiaal verwerkt werd. Net zoals bij de meer recente verplaatsing van de sector, kan de opbloei van de leerlooierijen in Noord-Brabant eveneens deels toegeschreven worden aan het loonkostenvoordeel dat deze provincie (toen ‘generaliteitsland’, ofwel wingewest) had ten opzichte van Holland. Maar het uitbannen van stankoverlast en waterverontreiniging wogen minstens zo zwaar en verklaart ook mede dat het leerlooien zich gelijktijdig naar het platteland verplaatste. Vanwege de beschikbaarheid van runderhuiden als grondstof, eikenschors als looistof en het overvloedige water uit beken en riviertjes om te spoelen, was het leerlooien overigens altijd al binnen agrarische gemeenschappen beoefend, maar vanaf toen werd het net als de thuisweverij een ambacht voor een groeiende groep plattelanders die niet meer konden leven van het boerenbedrijf. Na verloop van tijd ging men zich in de dorpen ook bezig houden met de lederverwerking. Waren er tot dan toe enkel klompen gemaakt voor plaatselijke verkoop, nu ging men er schoenen vervaardigen voor klanten die aanvankelijk vooral in de steden woonden. De schoenmakers aldaar gingen zich toeleggen op reparatie en verkoop. Hoewel leder- en schoenindustrie nauw met elkaar verbonden waren, zal in deze rubriek enkel het erfgoed uit eerstgenoemde sector de revue passeren.

Het leerlooien vond in eerste instantie plaats als nevenactiviteit op de boerderij in kleine, aan het woonhuis gebouwde looierijen. Met één of twee looikuipen in de grond en daarboven een bescheiden droogzolder was de productie nog kleinschalig. Daarnaast was het een seizoensgebonden bezigheid, aangezien de werkzaamheden vooral in de lente en herfst plaatsvonden. Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw de vraag naar leer, en daarmee de prijs, begon te stijgen, werd het looien te lucratief om het enkel als bijverdienste te doen en ontstonden er zelfstandige leerlooierijen. Vaak ging het om jongere zoons die geen toekomst hadden binnen het boerenbedrijf, omdat de oudste zoon geacht werd het bedrijf over te nemen. Van deze eerste generatie leerlooierijen zijn in Midden-Brabant nog veel voorbeelden te vinden. Ze hebben de vorm van een pakhuis dat bestaat uit drie etages, waarvan de bovenste twee met houten wanden waarin droogluiken zijn aangebracht, terwijl de looikuipen zich op de begane grond bevonden. Ofschoon deze kleine ambachtelijke bedrijven tot begin vorige eeuw bleven bestaan, ondervonden ze toen al decennialang concurrentie van de opkomende lederindustrie. In navolging van het buitenland was men ook in Nederland het looiproces gaan mechaniseren door de introductie van walkvaten die werden aangedreven door een stoommachine. Toepassing van looiextracten in plaats van eikenschors en import van runderhuiden uit Amerika onderscheidden de moderne lederfabriek van de traditionele leerlooierij. De eerste fabrieksgebouwen leken nog veel op de ambachtelijke leerlooierijen, maar waren langer om een serie walkvaten naast elkaar op de begane grond te kunnen plaatsen en hadden een extra etage, omdat de versnelling van het looiproces ook een grotere droog- en opslagcapaciteit vereiste. Na 1900 ging men fabrieken bouwen die over droogkamers met stoomverwarming beschikten, waardoor de typische droogzolders kwamen te vervallen. Met een apart ketelhuis, nathuis, ververij en kantoorgebouw ontwikkelden zich fabriekscomplexen zoals in andere sectoren. Het meest uitgesproken voorbeeld hiervan is NV Lederfabriek Oisterwijk, die omstreeks 1920 gebouwd werd en later bekend kwam te staan als Koninklijke Verenigde Lederfabrieken (KVL). De sector bevond zich op haar hoogtepunt en de omvang van dit complex, dat zelfs over een eigen elektriciteitscentrale beschikte, werd daarna niet meer overtroffen.Leerlooierijen (2)Afbeelding 2: Typisch voorbeeld van een ambachtelijke leerlooierij, zoals er nog veel in Noord-Brabant behouden zijn gebleven. Net als dit exemplaar in Dongen aan de Lage Ham hebben er veel tegenwoordig een woonbestemming. Op de voorgrond een bruggetje over de Donge.

In het bereiden van leer zijn drie fasen te onderscheiden: de voorbereiding, het looiproces en de afwerking. Om de huiden te kunnen bewerken moesten ze eerst uit hun geconserveerde toestand worden gehaald. De gedroogde huiden werden daartoe geweekt, de gezouten huiden gezoet (ontdaan van zout). Dit werd gedaan door de huiden aan stokken te bevestigen en gedurende twee tot drie weken in een beek te hangen, aangeduid als ‘stromen’. Leerlooierijen werden daarom aan de oever van een beek of riviertje gevestigd om over een eigen stroomplaats te beschikken en omdat ook voor het looiproces zelf veel water nodig was. Vervolgens werden de huiden twee weken lang aan stokken in grote stenen putten met kalk en water gehangen om de haren los te weken. Daarna moest men de huiden spoelen in putten met zuur water om de kalkresten te neutraliseren, aangezien deze anders de looistoffen inactief zouden maken. Voor het daadwerkelijke ‘ontharen’ en ‘ontvlezen’ werd de huid over een halfronde, stenen paal – de ‘looiersboom’ – gelegd om deze met een boogvormig mes af te kunnen schrapen. De haren vormden een extra inkomstenbron door ze te leveren aan de tapijtnijverheid, vleesresten konden verwerkt worden tot lijm. Het kalken, spoelen en ontvlezen vond plaats in het deel van de leerlooierij dat als ‘nathuis’ bekendstond, de huiden die deze stappen doorlopen hadden werden aangeduid als ‘bloten’.

Vóór 1900 vond het looien voornamelijk op plantaardige basis plaat, hetgeen inhield dat men looistoffen gebruikte die tannine bevatten. Het werd verkregen door het schillen en fijnmalen van de schors van eikenhakhout (run) in speciale molens, ook wel schorsmolens of runmolens genoemd. Het looiproces, uitgevoerd in ingegraven eikenhouten kuipen van twee bij twee meter naast het nathuis, besloeg op deze traditionele wijze anderhalf á twee jaar. Tussendoor moest de kuip twee of drie maal van verse run worden voorzien om het looiproces gaande te houden. Het was ook mogelijk om meerdere kuipen met een oplopend looizuurgehalte in te zetten, het zogenaamde ‘laven’. Als de huiden ‘gaar’ waren, dat wil zeggen dat ze naar wens waren doorgelooid, werden ze gespoeld en afgeborsteld om eventuele schorsresten te verwijderen. De inmiddels tot leer verwerkte huiden moesten altijd worden gedroogd voordat ze konden worden afgewerkt. Daartoe werden ze in stapels geperst en vervolgens individueel te drogen gehangen op de zolder met ventilatieluiken.

Om zoolleer te vervaardigen hoefde men nu alleen nog maar een flink aantal lagen samen te persen of te walsen, maar productie van overleer vereiste nog enkele stappen extra, aangeduid als ‘touwen’. Zo werd het geïmpregneerd met traan en vet, ‘gesplit’ om het op de gewenste dikte te brengen, ‘geblancheerd’ om het van de laatste vleesresten te ontdoen en daarmee een blank uiterlijk te geven of ‘gekrispeld’ om de nerfstructuur weer zichtbaar te maken, als daar juist behoefte aan bestond. Tenslotte kon men het leer nog in de gewenste kleur verven of een behandeling geven op de ‘glansstoofmachine’. Al deze nabewerkingen voltrokken zich in de ‘touwerij’. Voorafgaand aan de verkoop werden de huiden gewogen of, toen daar inmiddels meetmachines voor ontwikkeld waren, onderworpen aan een oppervlaktebepaling.

De invoering van walkvaten betekende een aanzienlijke versnelling van het looiproces, waardoor de productiecapaciteit sterk opgevoerd kon worden. Deze mechanisatie viel vrijwel samen met een tweede belangrijke innovatie in de lederindustrie, de chroomlooiing. De looiende werking van chroomzouten was al in 1884 ontdekt, maar vond pas na 1900 in Nederland ingang. Chroomgelooid leer was erg soepel en werd daarom vooral toegepast als overleer. Met de invoering van vat- en chroomlooiing kwam de industrialisatie binnen de sector op gang. Sommige ondernemingen gingen zich zelfs presenteren als ‘chroomleerlooierij’ om moderniteit uit te stralen. Naast de stoommachine werden vanaf de jaren twintig ook steeds meer zuiggas- en elektromotoren geplaatst voor de aandrijving van machines. Schaafmachines, stolmachines en uitzetmachines namen het handwerk over, maar veroorzaakten geen verandering in het productieproces, omdat de handelingen in principe hetzelfde bleven. Een loopkat met takel zorgde voor verlichting van het werk in het nathuis, net als een onthaar- en ontvleesmachine, hoewel binnen sommige bedrijven hiervoor tot na de oorlog nog de boom in gebruik bleef. Tegen die tijd begonnen ook droogkasten, splitmachines en verfspuiten voor de nabehandeling door te dringen tot de looierijsector.

Het looien werd alleen door mannen uitgevoerd, die vaak al op jonge leeftijd in het bedrijf werkzaam waren. Het werk was zwaar en smerig en er bestond een grote kans op infecties, waarbij met name miltvuur zeer gevreesd was. De arbeiders in de lederfabrieken werkten gemiddeld korter en ontvingen hogere lonen. Door de geringe omvang van de meeste bedrijven bestond er over het algemeen een goede verstandhouding tussen de patroon en zijn werknemers. Alhoewel zich vlak voor de Tweede Wereldoorlog al een verbetering aftekende in de arbeidsomstandigheden, onder andere door invoering van een cao, vond er daarna pas een structurele verbetering in de positie van de arbeider plaats door het invoeren van een minimumloon en veiligere en schonere productiemethoden.Leerlooierijen (3)Afbeelding 3: Het ontharen en ontvlezen op een looiersboom bleef nog lang de gangbare praktijk binnen de lederindustrie.

De Langstraat, een streek in Noord-Brabant die zicht uitstrekte van Vlijmen (nabij Den Bosch) in het oosten naar Raamsdonksveer (nabij Geertruidenberg) in het westen, vormde eeuwenlang het centrum van de Nederlandse schoen- en lederproductie. Het stadje Waalwijk groeide er uit tot de grootste plaats, nadat het met de buurdorpen Baardwijk en Besoyen was samengesmolten. Vanouds hield men zich er bezig met leerlooien dankzij de veeteelt langs de Maas in het noorden en het eikenschors uit de bosgebieden in het zuiden. De schoenmakerijen die hier uit voortkwamen gingen de leerlooierijen aan het einde van de negentiende eeuw overvleugelen en hier kwamen fabrieken uit voort, waarvan er op het hoogtepunt omstreeks 1960 een dertigtal actief waren. Momenteel is daarvan alleen de firma Van Haren overgebleven, die nog steeds gevestigd is in het oorspronkelijke fabriekscomplex uit 1934. Het bestaat uit een productiehal met sheddaken, kantine, dienstwoning en poort en heeft de status van rijksmonument. Eveneens behouden zijn de stoomschoenenfabriek Van Schijndel (1910, nu winkels en woningen) en stoomschoenenfabriek Van der Heijden (1887, nu woningen). Van het leerlooierijverleden resteert alleen de ‘Waalwijkse Chroomlederfabriek v/h Van Dooren & De Greeff aan de Stationsstraat (1908, nu woningen).  Leerlooierijen (4)Afbeelding 4: In de voormalige chroomlederfabriek Van Dooren & De Greeff in Waalwijk wordt nu gewoond.

In het westelijker gelegen Dongen, dat ook tot de Langstraat behoort, zijn het juist de leerlooierijen en lederfabrieken die domineren. Ze bevinden zich hoofdzakelijke aan de Lage- en Hoge Ham, Kerkstraat en Heuvelstraat. De ambachtelijke leerlooierijen zijn getransformeerd tot woonhuis of winkel, enkele kleine lederfabrieken tot appartementengebouw en de fabriekscomplexen tot bedrijventerrein. In laatstgenoemde categorie is dat van overlederfabriek Van den Assum aan de Heuvelstraat, waarvan het oudste deel dateert uit 1899, de grootste. Het is gelegen aan het riviertje de Donge, waarvan het water ook door veel andere leerlooierijen gebruikt werd, en bestaat uit een huidenmagazijn, nathuis, haarhok, looierij, spannerij, vatververij, schuurderij, ketelhuis, smederij, magazijnen, kantoor, laboratorium en woonhuis. De walkvaten in de looierij en de kalkputten op het binnenterrein getuigen van het originele karakter van het complex, dat daarom de status van rijksmonument heeft gekregen. Onder de naam ‘Heuvelpark’ worden er tegenwoordig bedrijfsruimtes verhuurd.Leerlooierijen (5)Afbeelding 5: De Lederfabriek van Koks in Dongen ging later onderdeel uitmaken van het fabriekscomplex van Van den Assum. Ze vertoont nog duidelijk de kenmerken van een ambachtelijke leerlooierij, maar is aanzienlijk groter. 

De fabriek van Driesen, gelegen Achter den Ham, illustreert hoe uit een ambachtelijke leerlooierij een kleine fabriek ontstond door er een laagbouw van twee verdiepingen met een plat dak tegen aan te plaatsen. Moderne fabrieken bestonden in hun geheel uit twee bouwlagen met een plat dak, zoals die van de firma Haast aan de Lage Ham, die nu dienst doet als bedrijfsverzamelgebouw (van Steenoven). Het erfgoed van de Dongense schoenenindustrie betreft de fabrieken van Ligtenberg aan de St. Josephstraat (met destijds al een winkel en café voor haar arbeiders), Smits in de Kerkstraat (met mansardekap en bijbehorende personeelswoningen) en Maas aan De Hoogt (bestaande uit een laagbouw van de schoenfabriek, ingesloten tussen twee klassieke leerlooierijen). In de ambachtelijke leerlooierij van de firma Hessel uit 1889, gelegen aan de Kerkstraat, is het museum van Dongen ondergebracht, waar de herinnering aan het leer- en schoenenverleden levend wordt gehouden.Leerlooierijen (6)Afbeelding 6: De uitbreiding van de Dongense leerlooierij Driesen tot een fabriek is nog duidelijk zichtbaar. Na de eeuwwisseling werden er woningen in gecreëerd.

In het iets zuidelijker gelegen Rijen kwam de sector pas na 1900 tot bloei en traditionele leerlooierijgebouwen zijn er dan ook nooit veel geweest. Opmerkelijk genoeg liet Jos Boemaars er nog een bouwen in 1928 en dit is de enige die vandaag de dag is overgebleven. Ze ligt aan de Hoofdstraat, waar de lederindustrie geconcentreerd was en de fabrieken zich uitstrekten over diepe percelen. Een fraai voorbeeld daarvan is die van C. & A. Van Gorp uit 1930, bestaande uit een kantoor, magazijn, looierij en ketelhuis met schoorsteen, allemaal voorzien van platte daken. Het bedrijf heeft nog tot 1996 geproduceerd en het complex staat nu op de rijksmonumentenlijst.Leerlooierijen (7)Afbeelding 7: Lederfabriek C. & A. van Gorp is representatief voor de looierijen die zich begin vorige eeuw op diepe percelen aan de Rijense Hoofdstraat vestigden.

Bijna net zo lang heeft Lederfabriek G.B. Seelen & Zoon het volgehouden, waarvan de gebouwen zich in de Heistraat bevinden. Het gaat om de fabriekswoning, productiehallen en ketelhuis met schoorsteen die tussen 1908 en 1915 gebouwd zijn en tot 1993 in bedrijf waren. Een jaar eerder was Lederfabriek ‘De Adelaar’ failliet gegaan, opgericht door Van Wezel in 1913 en gelegen aan de spoorlijn Breda-Tilburg. Een station met emplacement aan deze spoorlijn was een belangrijke troef voor Rijen, die veel industriële bedrijvigheid trok en ook lederfabrikanten deed besluiten om er neer te strijken. Het complex van ‘De Adelaar’, inclusief schoorsteen met bedrijfsnaam, werd helaas tien jaar later al gesloopt om plaats te maken voor een nieuwbouwwijk. De gebroeders Coremans lieten hun fabriek pas na de oorlog (1948) bouwen, op aanzienlijke afstand van Hoofdstraat en spoorweg. Van een karakteristieke architectuur was toen al geen sprake meer. Dat de gemeente Gilze-Rijen het desondanks op haar monumentenlijst heeft gezet moet dan ook waarschijnlijk worden toegeschreven aan een late bewustwording. Tot herbestemming is het vooralsnog niet gekomen.Leerlooierijen (8)Afbeelding 8: Lederfabriek G.B. Seelen & Zoon te Rijen was in bedrijf tot 1993. Niet alleen kende de looierijsector in Rijen een latere opkomst dan in Dongen, ze beleefde ook pas tientallen jaren later haar einde.

Enkele jaren later dan ‘De Adelaar’ in Rijen kwam er in Oisterwijk, vijftien kilometer oostelijker aan dezelfde spoorlijn gelegen, een nog veel grotere lederfabriek tot stand. Dit complex, inclusief elektriciteitscentrale met stoommachine, is gelukkig wél behouden gebleven en werd smaakvol geïntegreerd in een nieuwbouwwijk. De NV Lederfabriek Oisterwijk werd opgericht in 1916 door Van der Aa uit Tilburg en Vermetten uit Rotterdam. Door de Eerste Wereldoorlog was de invoer van leer stilgevallen, terwijl de vraag groeide door legerorders voor militair schoeisel en paardentuigage. Ten gevolge van schaarste aan middelen in de laatste oorlogsjaren konden de ondernemers nauwelijks van deze situatie profiteren. Dat veranderde toen de Amsterdamse Ledermaatschappij (Almij) in 1920 ging deelnemen in het bedrijf en het onder de naam Koninklijke Lederfabrieken Oisterwijk (predicaat verleend in 1932) liet uitgroeien tot de grootste bovenlederfabriek van Europa. Het ‘Schoenenwetje’ uit 1923, waarmee Nederland haar industrie beschermde tegen prijsdumping vanuit Duitsland, dat toen in een zware economische crisis verkeerde, leverde hier een belangrijke bijdrage aan. In 1939, aan de vooravond van de volgende oorlog, was de onderneming met twaalfhonderd personeelsleden, die wekelijks vijfentwintigduizend huiden verwerkten, inmiddels de grootste werkgever van Oisterwijk. De lederfabriek ging later onderdeel uitmaken van Hagemeyer, dat ook chroomlederfabriek De Amstel in Waalwijk overnam en beide bedrijven in 1974 samenvoegde onder de naam Koninklijke Verenigde Leder (KVL). Ondanks verslechterende marktomstandigheden heeft de KVL het tot 2000 uitgehouden. De fabriek sloot toen haar deuren, waarna het einde in 2004 met een faillissement werd bezegeld.

De herontwikkeling van het gehele KVL-terrein ging in 2013 van start toen er een masterplan voor herbestemming van het industrieel erfgoed en nieuwbouw van meer dan driehonderd woningen daar omheen werd gepresenteerd. Naast de elektriciteitscentrale garandeerde dit plan het behoud van nog vier grote fabrieksgebouwen: het representatieve hoofdgebouw met kantoren, toegangspoort en magazijn aan de spoorzijde, het U-vormige gebouw met perserij en touwerij ten noorden daarvan, de oostvleugel waarin eens looierij, ververij en schaverij waren ondergebracht en de westelijk gelegen lakfabriek. Kleinere objecten die eveneens in aanmerking kwamen voor renovatie waren de voormalige brandweerkazerne, het laboratoriumgebouw en het gedenkteken uit 1941.  Onder de naam ‘Leerfabriek’ afficheert de gemeente Oisterwijk het complex als een ‘ambachtsplaats voor creativiTIJD’. Zo is in de brandweergarage een restaurant  (De Kazerne) gevestigd, in het hoofdgebouw een banketbakkerij (Bij Robèrt), in het U-gebouw een fotostudio (Photocolors) en doet het ketelhuis dienst als evenementenlocatie.Leerlooierijen (9)Afbeelding 9: Nadat de ‘KVL’ in Oisterwijk van 1916 tot 2000 dienst had gedaan als lederfabriek, kreeg ze daarna een tweede leven als ‘Leerfabriek’.

In het noordelijk van Breda gelegen Oosterhout bleef de sector bescheiden van omvang en groeide slechts één leerlooierij uit tot een klein fabriekje. Oorspronkelijk gebouwd in 1895 als een traditionele leerlooierij door de familie Huijben, onderging het in 1916 een uitbreiding door er een tweede exemplaar tegen aan te bouwen. Tevens werd er een klein ketelhuis geplaatst, met een schoorsteen die van een andere fabriek afkomstig was en er steen voor steen opnieuw werd opgemetseld. De opschaling bleek geen succes en het fabriekje heeft maar tot  1924 gefunctioneerd, waarna het ging dienen als magazijn voor de verkoop van lederen fournituren en na de oorlog als garage. Het pand kreeg in 1999 een plaats op de rijksmonumentenlijst en werd na een restauratie in 2018 onderverdeeld in drie grote appartementen met de toepasselijke namen ‘Droogdok’, ‘Leerwalserij’ en ‘Looiershuis’.Leerlooierijen (10)Afbeelding 10: Het lederfabriekje van Huijben in Oosterhout, gezien vanaf de Pastoor Bressersstraat. De schoorsteen aan de achterzijde is bij de restauratie ‘afgetopt’ en daarom niet meer zichtbaar.

In het Noord-Brabantse Cuijk, aan de grens met Limburg, waren tot halverwege de vorige eeuw verschillende leerlooierijen gehuisvest. Een apart geval was de Koninklijke Leder- en Drijfriemenfabriek Regouin, omdat hier behalve leer ook drijfriemen werden vervaardigd. De oudste kern van het complex is het looierijgebouw aan de Grotestraat dat dateert uit 1838 en een rijksmonument is. Na de sluiting begin jaren zeventig werd de fabriek, gelegen in het dorpscentrum aan de Grotestraat, opgesplitst in units en verhuurd aan diverse bedrijven. Herontwikkeling liet tot 2019 op zich wachten, toen het plaats ging bieden aan vijftig zorgwoningen, een horecagelegenheid, tuinwinkel, bakkerij, atelier en wasserette.Leerlooierijen (11)Afbeelding 11: In het voormalige complex van de Koninklijke Leder- en Drijfriemenfabriek Regouin te Cuijk is nu o.a. lunchroom ‘De Leerlooierij’ gevestigd.

Naast de Langstraat in Noord-Brabant was ook de Achterhoek in Gelderland ooit een concentratiegebied van de lederindustrie. Heden ten dage is er nog maar weinig erfgoed dat hier aan herinnert. Een uitzondering vormt Koninklijke Hulshof’s Verenigde Fabrieken in Lichtenvoorde, waar zelfs ook nu nog gelooid wordt. De onderneming werd opgericht in 1847 als een vleeswarenbedrijf en tot 2018 zaten er vijf generaties Hulshof in de leiding. Aanvankelijk was de leerlooierij aan ’t Hof gevestigd, maar in 1897 verhuisde ze naar de huidige locatie aan ‘De Driehoek’. In de hoogtijdagen stonden er tweehonderdvijftig werknemers op de loonlijst, maar na het faillissement in 2013 werd het bedrijf met een aanmerkelijk kleiner personeelsbestand overgenomen door lederproducent Rompa Tanneries uit Rijen. Het complex bestaat uit een zeer goed bewaard gebleven hoofdgebouw uit 1919 met een geïntegreerde watertoren waarop nog een reclameslogan uit de jaren twintig leesbaar is. De Duitse architect Carl Steinert uit Frankfurt leverde het ontwerp, dat gebaseerd is op een betonnen draagconstructie met een bekleding van baksteen. Het trappenhuis is versierd met twee glas-in-loodramen van de Haagse kunstenaar Hans Liefkes, waarop te lezen is dat het gebouw kort na oplevering afbrandde en in 1920 herbouwd werd. In het oudste gedeelte, een traditionele leerlooierij die niet meer als zodanig herkenbaar is, bevindt zich nu de kantine. Bovendien zijn de directeursvilla en enkele arbeiderswoningen aan de Aalteseweg bewaard gebleven.Leerlooierijen (12)Afbeelding 12: Bij Hulshof’s Verenigde Fabrieken in Lichtenvoorde wordt ook nu nog leder geproduceerd. Daarvoor is het complex uitgerust met een eigen waterzuiveringsinstallatie.

In het Friese Heerenveen staat aan de Gedempte Molenwijk nog een leerlooierij waarvan de oorsprong teruggaat tot 1836 toen Lambertus Feijts er een vergunning voor verleend kreeg. Het huidige fabriekspand werd in 1857 gebouwd en het bedrijf bood toen werk aan zo’n twaalf mensen. Na demping van de Molenwijk in de jaren vijftig marginaliseerde het gebied en verviel de leerlooierij tot een ruïne, waarvan enkel nog de begane grond in gebruik was als autostalling. De Friese erfgoedstichting DBF kocht het pand aan in 2005 en restaureerde het tot verzamelgebouw voor uiteenlopende bedrijvigheid.Leerlooierijen (13)Afbeelding 13: De voormalige leerlooierij van Feijts aan de Gedempte Molenwijk in Heerenveen is sinds de restauratie in 2007 een bedrijfsverzamelgebouw.

Het Duitse Mühlheim an der Ruhr kent een leerlooierijtraditie die teruggaat tot de zeventiende eeuw. De ‘Gerbereien’ lagen er dicht op elkaar aan de oevers van de Rumbach en de Bruchbach, vanaf hun mondingen in de Ruhr tot in het stadscentrum aan toe. Het Mühlheimer Leder had een uitstekende reputatie en dat gold vooral voor de ‘Glanzvachetten’, leer dat door een speciale veredeling bij uitstek geschikt was om er paardentuig van te maken en op de Messen van Leipzig en Frankfurt veel geld op bracht. In de tweede helft van de negentiende eeuw ging men ook modieus leder, zogenaamde ‘Lackvachetten’,  vervaardigen voor paardenzadels en koetsinterieurs. Er waren toen inmiddels een aantal lederfabrieken actief, zoals die van Lindgens (1861), Abel (1864), Funcke (1868), Hammann 1879), Möhlenbeck (1879) en Rühl (1879). Na de eeuwwisseling kwamen daar die van Fassbender (1910) en Feldmann (1918) nog bij. Medio jaren twintig bereikte de lederindustrie in Mühlheim met vijftig fabrieken haar top. Samen met fabrikantenvilla’s en arbeiderswijkjes verrezen deze langs de oevers van de Ruhr, nadat het overstromingsgevaar van deze rivier door de bouw van stuwdammen tot het verleden was gaan behoren. De luchtbombardementen van de Tweede Wereldoorlog richtten er maar weinig schade aan en tijdens de wederopbouwjaren floreerden de bedrijven dan ook weer als vanouds. Maar net als elders in West-Europa kreeg men daarna ook hier te maken met verdringing door kunststoffen en concurrentie uit Zuid-Europa, waardoor de sector in verval raakte.Leerlooierijen (14)Afbeelding 14: De gebouwen van Lederfabrik Hammann in Mühlheim an der Ruhr zijn nog duidelijk herkenbaar in Seniorenpark Carpe Diem.

Langs de Düsseldorfer Straße en de Kassenberg is tegenwoordig nog maar weinig te bespeuren van de fabrieken die zich hier ooit aaneenregen. Lindgens hield het als langste vol – na 1994 als Seton Company en sinds 2011 als GST AutoLeather Company – maar verliet uiteindelijk in 2013 de Kassenberg. Lederfabrik Hammann in de Hansastraße sloot in 2008 haar poorten en werd in vijf jaar tijd omgebouwd tot Seniorenpark Carpe Diem. Bij Carl Abel eindigde de productie al in 1968 en nadat het fabrieksgebouw in de jaren negentig nog bijna gesloopt was, werd het na renovatie in 2003 deels ingericht als hotel (‘Lederfabrik’), deels als Leder- und Gerbermuseum. Alle drie deze resterende lederfabrieken staan inmiddels op de monumentenlijst.Leerlooierijen (15)Afbeelding 15: In de voormalige Lederfabrik Abel zijn sinds 2003 een hotel en een museum over het leerlooierijverleden van Mühlheim an der Ruhr ondergebracht.