Bocholt

Het waren geloofsvervolgden uit Wallonië die in de zestiende eeuw de textielnijverheid naar Bocholt brachten. In 1569 stichtten zij een eigen gilde van `Baumseidenweber´ waarvan het ledental rond 1800 was opgelopen tot vierhonderdenveertig. De stad Bocholt ontwikkelde zich zo tot een productiecentrum voor mengweefsels samengesteld uit kettingdraden van linnen en inslagdraden van katoen. Om te voorzien in de groeiende behoefte aan garens waren in de eerste decennia van de negentiende eeuw reeds vele handmatig aangedreven spinmachines actief. In de jaren vijftig zette de industrialisering zich echter snel in, waardoor de handspinners in korte tijd door de mechanische spinnerijen verdrongen werden. Korte tijd later ontstonden de eerste mechanische katoenweverijen, net zoals verwerkende bedrijven voor het bleken en verven van de stoffen. Typische voorbeelden van katoenweefsels die in Bocholt op massaschaal geproduceerd werden betroffen flanel, beddenlakens en kalmuck. Vanaf 1870 ontstond een veelheid van kleine en middelgrote textielondernemingen en tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw boden deze werk aan meer dan tienduizend arbeiders. Van deze sterke groei getuigen vandaag de dag, ondanks de verwoestingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en saneringen van de afgelopen decennia, nog veel fabrieksgebouwen, arbeiderswijken en fabrikantenvilla’s. De ouderdom van de fabrieken is eenvoudig af te lezen aan hun vestigingslocatie. De oudste bedrijven liggen nog in de binnenstad of de onmiddellijke nabijheid van het riviertje de Aa, terwijl na 1900 de fabrieken steeds verder oprukten in de toen nog onbebouwde buitengebieden: van de Industriestrasse tot de Franken- en Teutonenstrasse, na WOII aan de Franzstrasse en de nieuwe bedrijventerreinen. Bocholt ontwikkelde zich tot één van de belangrijkste textielsteden van Duitsland. Een positie die ze ondanks de textielcrisis en vele bedrijfssluitingen hoog probeert te houden.Bocholt, Spinnerei  Herding (1)Afbeelding 1: De voormalige spinnerij van Herding, nu het onderkomen van het LWL Industriemuseum Bocholt.

Het meest indrukwekkende ensemble van sheddaken en spinnerijhoogbouwblokken van rond 1900 bevindt zich aan de Industriestrasse. Direct aan de treinsporen die eens naar Münster en Winterswijk leidden liet Max Herding in 1870 een handweverij bouwen, die vanaf 1883 gemechaniseerd en sterk uitgebreid werd. Hier werden in een groot shedhallencomplex typische ‘Bocholter Waren’ als overtrekken, onderkleding en dekbedden geproduceerd. Het gold als een voorbeeldbedrijf toen in 1903 de eerste Northrop-machine werd geïnstalleerd die in staat was om automatisch schietspoelen te verwisselen. In plaats van vier kon een wever nu twaalf machines bedienen. Om deze van voldoende garen te kunnen voorzien gaf Herding in 1907 aan het Zwitserse architectenbureau Sequin & Knobel opdracht tot ontwerp en bouw van een spinnerijcomplex van vier bouwlagen, waar de toren met trappenhuis, sprinklerinstallatie en waterreservoir nog twee etages boven uit stak. Een verdere uitbreiding van de spincapaciteit volgde in de jaren dertig toen de spinnerij van de naastgelegen ‘Actiengesellschaf für Baumwolle-Industrie’ werd overgenomen. Deze fabriek werd in 1898 gebouwd volgens de plannen van het bureau Hermanns & Riemann uit Coesfeld. Het is op de begane grond van dit gebouw dat Herding tot 2014 op ultramoderne weefmachines beddengoedtextiel vervaardigd heeft, waarna productie en verkoop verplaatst zijn naar het naburige stadje Rhede. De spinnerij uit 1907 had toen reeds een nieuwe bestemming gekregen als LWL-Industriemuseum. Het Landschaftsverband Westfalen-Lippe (LWL) ondersteunt nog een zevental andere musea in deze regio die gevestigd zijn in voormalige industriecomplexen en een totaalbeeld geven van het industriële verleden. In Bocholt betreft dat uiteraard de textielsector. Het begin van de museale activiteiten op dit gebied gaat echter aanmerkelijk verder terug in de tijd. Al eind jaren zeventig zag men namelijk de noodzaak in om de textieltraditie van Bocholt in een museum aan het publiek te tonen, maar omdat er destijds nog geen geschikte fabrieksruimte leegstond werd besloten tot een historisch verantwoorde nieuwbouw tegenover het Herding-complex aan de andere zijde van de Aa. Zo verrees in de jaren tachtig een complex bestaande uit een weefzaal, ketelhuis, machinehal, werkplaats en kantoor, waarvoor de bedrijfspanden van de firma’s L.B. Lühl uit Gemen en Gebr. Essing uit Rhede model stonden. Onder de naam Textilwerk Bocholt maakt het tegenwoordig onderdeel uit van het LWL Industriemuseum. Naast een variëteit aan weefmachines die ter demonstratie in bedrijf gesteld kunnen worden zijn ook een klein spoorwegcomplex en arbeiderswoningen toegevoegd om alle facetten van de textielindustrie aan de bezoekers te kunnen tonen.Bocholt, Textilmuseum (1)Afbeelding 2: Textilwerk Bocholt, een museum dat in de jaren tachtig als typisch voorbeeld van een Westfaalse textielfabriek werd gebouwd.

Een Bocholtse onderneming die nog steeds actief is in de textiel heeft haar kantoren in het voormalige magazijn van Cosmann, Cohen & Co aan de Industriestrasse. Het gaat om IBENA, dat staat voor Josef Beckmann en Nachfahren, met productievestigingen elders in Bocholt, Rhede en Raesfeld en naast de productie  van traditioneel beddengoed inmiddels ook is overgeschakeld op de meer toekomstbestendige markt van het zogenaamde technisch textiel.  Andere textielbedrijven in Bocholt die het tot op de dag van vandaag hebben weten vol te houden zijn onder meer Johann Borgers (vilt en vlies voor de automobielindustrie), Grenzlandfärberei Geuting (nabewerking) en Gebr. Rensing (bedrijfskleding). Enkele van deze familienamen komen ook aan de andere zijde van de grens, slechts zo’n tien kilometer van Bocholt verwijderd, veelvuldig voor. Dat geldt ook voor de Driessens, die al in 1857 vanuit de Achterhoek in Bocholt neerstreken. Hun spinnerij was het eerste industriële grootbedrijf in de stad met een stoommachine van 40 pk, waarvan de karakteristieke schoorsteen op het plein van Einkaufszentrum Arkaden nog een herinnering vormt, nadat het bedrijf zelf al in 1978 haar deuren had moeten sluiten. De even verderop in de buitenlucht geplaatste stoommachine is dan weer afkomstig van de weverij Tacke & Piekenbrock die aan de Ostwall gevestigd was. Niet alleen ondernemers, maar ook vele arbeiders uit Nederland wisten hun weg te vinden naar deze ‘booming’ textielstad. Vanuit Winterswijk konden zij tussen 1880 en 1931 gebruik maken van een spoorverbinding (waarvan nog een brug over de Aa resteert), maar al voordat deze werd opgeheven maakten veel meer grensarbeiders gebruik van autobusdiensten om ook vanuit andere plaatsen in de Achterhoek de fabrieken in Bocholt te bereiken.Bocholt, Weberei Josef Beckmann (1)Afbeelding 3: Naast het Herding-complex is het verkoopkantoor van IBENA gevestigd in een voormalig textielmagazijn.Het bedrijf is een voortzetting van Josef Beckmann en nog steeds actief in de textielproductie.