Oisterwijk

oisterwijk-2Afbeelding 1: De elektriciteitscentrale van de KVL na restauratie. Vanuit het torentje liepen in het verleden de stroomdraden naar de fabriekshallen.

Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw was de leder- en schoenenindustrie sterk vertegenwoordigd in het midden van de provincie Noord-Brabant. De belangrijkste concentratie bevond zich aan de noordrand in de zogenaamde Langstraat, waar in plaatsen als Waalwijk, Kaatsheuvel en Drunen de leerfabrieken het straatbeeld bepaalden. Maar ook wat zuidelijker in dit gebied liggen dorpen waar deze sector tot grote bloei kwam, zoals Rijen, Dongen en Oisterwijk. Wat begonnen was als een nijverheid die gebruik maakte van de veeteelt in de weidegebieden aan de Maas, het water dat vanuit de Kempen in deze rivier uitstroomde en de looistof ‘run’ die uit nabijgelegen eikenbosjes gewonnen werd, ontwikkelde zich tegen het einde van de negentiende eeuw tot een volwaardige industrie. De regionale veestapel volstond toen al lang niet meer en men ging zelfs over tot import van runderhuiden om aan de vraag te kunnen voldoen. De Verenigde Staten waren daarbij een belangrijke leverancier, zoals spoedig bleek niet alleen van grondstoffen maar ook van nieuwe productietechnieken. Door over te gaan op synthetische looistoffen, gebaseerd op chroomzouten, en roterende looitrommels, de zogenaamde walkvaten, was men er daar in geslaagd om de looitijd terug te brengen van enkele maanden tot enkele uren. Bovendien leverde dit ‘chroomlooien’ ook een soepeler en sterker leer op dat beter te verven was. Kort na de eeuwwisseling ontstonden in Noord-Brabant dan ook de eerste chroomleerlooierijen, wat de verdringing van de ambachtelijke bedrijven extra versnelde. Deze schaalvergroting bereikte een hoogtepunt toen in 1916 de NV Lederfabriek Oisterwijk werd opgericht door Van der Aa uit Tilburg en Vermetten uit Rotterdam. Door de Eerste Wereldoorlog was de invoer van leer stilgevallen, terwijl de vraag groeide door legerorders voor militair schoeisel en paardentuigage. Ten gevolge van schaarste aan middelen in de laatste oorlogsjaren konden de ondernemers nauwelijks van deze situatie profiteren. Dat veranderde toen de Amsterdamse Ledermaatschappij (Almij) in 1920 ging deelnemen in het bedrijf en het onder de naam Koninklijke Lederfabrieken Oisterwijk (predicaat verleend in 1932) liet uitgroeien tot de grootste bovenlederfabriek van Europa. Het ‘Schoenenwetje’ uit 1923, waarmee Nederland haar industrie beschermde tegen prijsdumping vanuit Duitsland, dat toen in een zware economische crisis verkeerde, leverde hier een belangrijke bijdrage aan. De Duitse ondernemers Oppenheimer en Adler omzeilden deze invoerbeperking namelijk door via investering in de Almij actief te worden in de Nederlandse lederindustrie. In 1939, aan de vooravond van de volgende oorlog, was de onderneming met twaalfhonderd personeelsleden, die wekelijks vijfentwintigduizend huiden verwerkten, inmiddels de grootste werkgever van Oisterwijk.

oisterwijk-1Afbeelding 2: De machinekamer tijdens een demonstratiedag, met de stoommachine in werking. Op de voorgrond het vliegwiel met generator. 

Was er in 1917 enkel nog een vergunning afgegeven voor plaatsing van een stoommachine, in de jaren twintig steeg de productie zo snel dat besloten werd om over te schakelen op een nieuwe energiebron: elektriciteit. Aangezien deze in Oisterwijk nog niet voor handen was, moest deze in eigen bedrijf worden opgewekt. Daarvoor werd in 1923 een draaistroomgenerator gekocht bij de Belgische Société d’Electricité et de Mécanique. Haar zusterbedrijf in Gent, de machinefabriek Carels, bouwde de stoommachine van 1300 pk om deze aan te drijven. Deze was van het gelijkstroomtype, in 1908 ontwikkeld door de Duitse ingenieur Stumpf, waarbij de verse stoom om beurten aan beide zijden van de cilinder wordt ingelaten en deze na expansie in het midden verlaat. Dit had als voordeel dat afkoeling van de cilinderinlaat door afvoerdamp werd voorkomen en dus een hoger rendement kon worden bereikt. De beide cilinders van de stoommachine dreven met hun krukassen samen één vliegwiel aan waaraan de draaistroomgenerator direct gekoppeld was. Een condensor met vacuümpomp onder ieder cilinder zorgde voor de afvoer van de afgewerkte stoom. Midden op het fabrieksterrein liet de onderneming naar het ontwerp van een Duitse architect een gebouw neerzetten om deze nieuwe energiecentrale in onder te brengen. Met een grote hal voor het ketelhuis en een kleinere voor stoommachine en generator beslaat deze zo’n negenhonderd vierkante meter. De eerste ketel van de Belgische firma Fumières & Frères uit Charleroi had eind jaren twintig al niet meer voldoende capaciteit en werd toen uitgebreid met twee ketels uit het Duitse Wuppertal en twee van Werkspoor uit Utrecht. Daarbij dient aangetekend te worden dat het ketelhuis niet alleen stoom leverde voor de centrale, maar ook voor verwarming van de fabrieksruimtes en het productieproces (met name het drogen van het leer). Bij vollast van de centrale, zo’n 0,8 MW, moest deze gevoed worden door twee of drie stoomketels. Ook de warmte van de rookgassen werd benut door deze via vier warmtewisselaars naar de schoorsteen te voeren. Met deze  zogenaamde ‘economizers’ werd de watertoevoer naar de ketel voorverwarmd. Tijdens de ontwerpfase van de centrale is plaatsing van een diesel- i.p.v. een stoommachine nog even overwogen. Nederlandse machinebouwers als Stork, Kromhout, Werkspoor en Thomassen konden deze in een gelijk vermogen leveren en dat gold eveneens voor Carels uit Gent. Net als voor veel andere industriële bedrijven was beschikbaarheid van stoom voor procesdoeleinden echter zo aantrekkelijk dat dit de machinekeuze voor de centrale bepaalde. Aan de andere kant was een stoomturbine, hoe logisch misschien ook voor een energiecentrale, nog te riskant uit technisch en financieel oogpunt. Door betegeling van vloer en wanden, met fraaie muurschilderingen daarboven, kreeg de machinekamer een esthetisch uiterlijk om daarmee de moderniteit van deze voorziening te benadrukken. Voor optimale toegankelijkheid en bediening van de machine werd deze ‘zwevend’ tussen souterrain en bovenverdieping geïnstalleerd. Deze bovenverdieping was zowel van buiten als vanuit het ketelhuis met een trap toegankelijk. Voor aanvoer van zware machineonderdelen bij herstelwerkzaamheden werd de machinekamer aan de zuidzijde uitgerust met twee portalen en  kreeg ze over haar volle lengte twee rails waarover een handmatig bedienbare brugkraan met loopkat voortbewogen kon worden. Een toren aan de westzijde, bovenaan voorzien van openingen met persiennes, vormde het vertrekpunt van de stroomdraden naar de verschillende bedrijfshallen. Uit veiligheidsoverwegingen werden hier later ondergrondse kabelgoten voor aangelegd.oisterwijk-3Afbeelding 3: Hoofdgebouw van de KVL, gezien vanaf de spoorlijn Tilburg-Boxtel.

Hoewel aansluiting van Oisterwijk op het elektriciteitsnet van de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits Maatschappij (PNEM) reeds in 1929 een feit was, bleef de bedrijfscentrale van de Lederfabriek gewoon in gebruik, omdat het benodigde vermogen voor de fabriek te hoog was om op deze openbare voorziening te kunnen vertrouwen. Toen in 1935 uiteindelijk toch een aansluiting tot stand kwam, trof men een voorziening op het grote controlepaneel die de machinist in staat stelde om op het juiste moment over te schakelen, teneinde overbelasting van de elektromotoren in de fabriek te voorkomen. Net als sommige andere bedrijfscentrales leverde ook die van de Koninklijke Lederfabrieken Oisterwijk in de laatste oorlogsjaren elektriciteit via het openbare net aan de bevolking. Daarna zijn stoommachine en generator nog maar weinig operationeel geweest en beperkte zich dit tot kortstondig proefdraaien. Door ondeskundig handelen ging het hierbij in 1972 mis en raakte de machine dusdanig beschadigd dat hij definitief stil kwam te liggen. De lederfabriek was ondertussen onderdeel gaan uitmaken van Hagemeyer concern, dat ook chroomlederfabriek De Amstel in Waalwijk overnam en beide bedrijven in 1974 samenvoegde onder de naam Koninklijke Verenigde Leder (KVL). Ondanks de verslechterende marktomstandigheden heeft de KVL het nog tot 2000 uitgehouden. De fabriek sloot toen haar deuren, waarna het einde in 2004 met een faillissement werd bezegeld. Plaatsing op de Rijksmonumentenlijst kon niet voorkomen dat de energiecentrale ten prooi viel aan vandalisme en diefstal. Hieraan kwam een einde toen de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oisterwijk in 2009 gezamenlijk eigenaar werden van het elf hectare grote fabrieksterrein en in het kader van het project ‘Mijn Mooi Brabant’ werd gestart met de renovatie van ketelhuis en machinekamer. Stichting Stoommachine Oisterwijk ontfermde zich over de technische installatie en slaagde er in 2012 in om de machine weer te laten draaien, zij het dat deze sindsdien elektrisch wordt aangedreven in plaats van elektriciteit op te wekken. Bij gelegenheid worden demonstraties gegeven voor het publiek. De herontwikkeling van het gehele KVL-terrein ging in 2013 van start toen er een masterplan voor herbestemming van het industrieel erfgoed en nieuwbouw van meer dan driehonderd woningen daar omheen werd gepresenteerd. Naast de energiecentrale garandeerde dit plan het behoud van nog vier grote fabrieksgebouwen: het representatieve hoofdgebouw met kantoren, toegangspoort en magazijn aan de spoorzijde, het U-vormige gebouw met perserij en touwerij ten noorden daarvan, de oostvleugel waarin eens looierij, ververij en schaverij waren ondergebracht en de westelijk gelegen lakfabriek. Kleinere objecten die eveneens in aanmerking kwamen voor renovatie waren de voormalige brandweerkazerne, het laboratoriumgebouw en het gedenkteken uit 1941.  Onder de naam ‘Leerfabriek’ afficheert de gemeente Oisterwijk het complex als een ‘ambachtsplaats voor creativiTIJD’. Zo is in de brandweerkazerne een restaurant  (De Kazerne) gevestigd, in het hoofdgebouw een banketbakkerij (Bij Robèrt), in het U-gebouw een fotostudio (Photocolors) en doet het ketelhuis dienst als evenementenlocatie.