Frameries

Afbeelding 1: Tien jaar voor haar sluiting in 1960 kreeg schacht no11 van steenkolenmijn Crachet-Picquery nog een nieuw ophaalgebouw met schachtbok.

Van de Belgische steenkolenbekkens geniet de Borinage ongetwijfeld de meeste bekendheid bij het publiek, wat waarschijnlijk te danken is aan de kunstschilder Vincent van Gogh. Hij werkte er van 1878 tot 1880 in dienst van een evangelisatiecomité om mijnwerkers te bekeren. In de dorpen Cuesmes en Wasmes zijn de huizen waar hij in die periode onderdak had bewaard gebleven en tegenwoordig ingericht als museum. Zijn beroemdste schilderijen zou hij pas jaren later in Zuid-Frankrijk maken, maar voor zijn ontwikkeling waren deze twee jaren in de Borinage desalniettemin van belang. Hij ontdekte er de artistieke schoonheid van het ruwe arbeidersbestaan dat hij later eveneens zou vastleggen bij de Drentse turfstekers (1883) en Brabantse keuterboeren (1885). Een halve eeuw later was het de sociaal bewogen cineast Joris Ivens die het harde leven in de Borinage aan de buitenwereld toonde met zijn film ‘Misère au Borinage’. Waren de levensomstandigheden er altijd al weinig florissant geweest, de economische crisis van de jaren dertig trof de streek ongekend hard en Ivens maakte opnames van stakende mijnwerkers, gewelddadige huisuitzettingen en werkelozen op zoek naar steenkool op de hellingen van dampende terrils. Het is enigszins ironisch dat het juist twee Nederlanders waren die met hun trieste beelden het imago van de Borinage voor altijd zouden bepalen. Fabriekofiel ging in het voetspoor van Ivens en Van Gogh naar de Borinage om met hetzelfde haarscherpe observatievermogen deze gitzwarte geschiedenis aan de hand van het industrieel erfgoed op te tekenen.

Afbeelding 2: Scène van een mijnwerkersoproer uit de film ‘Misère au Borinage’.

De geschiedenis van Charbonnage de Crachet Picquery is representatief voor die van de andere steenkolenmijnen in de Borinage. Het is overigens een streek waarvan de begrenzing niet eenduidig vast ligt. Sommigen baseren zich op het ‘Borain’, een dialect dat in een aantal gemeentes gesproken wordt, maar bijvoorbeeld niet in Frameries en La Bouverie. Voor anderen, en dat zijn de meesten, is het een verzameling mijnwerkersdorpen ten westen van Mons die tezamen de Borinage vormen. Wat beide benaderingen echter gemeen hebben is dat ze de twee steden Mons en Saint Ghislain niet tot regio rekenen. Door de grote behoefte aan steenkool tijdens de industriële revolutie veranderde de aanblik van de Borinage, dankzij de schijnbaar onuitputtelijke bodemreserves, van een agrarisch gebied met boerderijen en molens in een mijnstreek met terrils en schachtbokken. Toch was er voordien al een traditie om de bodem, weliswaar op bescheidener schaal, te exploreren zoals  in de vuursteenmijnen van Spiennes en primitieve kolenputten tijdens de middeleeuwen. Documenten waarin de Borains beschreven worden als ‘houilleurs’, mijnwerkers, gaan terug tot de dertiende eeuw. Door problemen met de waterhuishouding beperkte de diepte van deze schachten zich tot hooguit enkele tientallen meters en werd de winning van steenkool nog eeuwenlang overtroffen door de productie van houtskool. De uitvinding van de stoommachine bracht hier verandering in. Door hiermee pompen aan te drijven werd het in de achttiende eeuw mogelijk om diepere schachten te graven en daarmee meer steenkool te delven. Toen in de negentiende eeuw door toepassing van diezelfde stoommachine in andere sectoren ook de vraag naar steenkool sterk begon toe te nemen gingen mijnbouw en industrie elkaar onderling op ongekende schaal versterken. Maar hierbij manifesteerde zich wel een onderscheid tussen de Borinage en de andere drie Waalse steenkolenbekkens. Terwijl in ’t Luikse, le Pays Noir (Charleroi) en le Centre (La Louvière) zich hoogovens, staalfabrieken, machinefabrieken, glasblazerijen en aardewerkmanufacturen in de nabijheid van de steenkolenmijnen vestigden, zijn deze industriële activiteiten in de Borinage nooit van de grond gekomen. Een dappere poging als die van Henri de Gorge in le Grand Hornu ten spijt. Dit maakte de regio extra kwetsbaar in tijden van crisis en het is dan ook niet voor niets dat Joris Ivens in de jaren dertig uitgerekend hier heen reisde om zijn film over armoede en arbeidsonrust op te nemen.

Afbeelding 3: Kaart met de mijnconcessies in het steenkolenbekken van de Borinage, waaronder die van Crachet-Picquery (1), gelegen ten zuidwesten van de stad Mons (2).

Crachet en Picquery waren oorspronkelijk twee concessies die afzonderlijk van elkaar geëxploiteerd werden door verbanden van mijnwerkers. Met het kapitaalintensiever worden van de steenkolenwinning in de loop van de achttiende eeuw waren het ook hier ondernemers die met geld van aandeelhouders, veelal woonachtig in Frankrijk, de primitieve schachten omvormden tot volwaardige mijnbouwbedrijven. Bedroeg de totale productie van de Borinage in 1764 nog tienduizend ton steenkool, aan het einde van de eeuw was dit al toegenomen tot bijna een miljoen. In 1790 telde de streek vijfenveertig steenkolenmijnen met in totaal vijfentachtig schachten, waarvan er vijfentwintig voorzien waren van een stoommachine en daardoor een diepte konden bereiken van maximaal zeventig meter. Daarmee was de Borinage koploper onder de steenkolenbekkens van Wallonië en Noord-Frankrijk. Ook de exploitanten van de concessies Crachet en Picquery voorzagen gedurende deze decennia hun schachten van pompen, werkplaatsen, paardenstallen, magazijnen, directiegebouwen en een verharde verbindingsweg naar Cuesmes. In de Napoleontische periode vond er een eerste schaalvergroting plaats toen verschillende steenkolenmijnen in de Borinage fuseerden om naar Frans voorbeeld een ‘Société Anonyme’ (naamloze vennootschap) te vormen, teneinde aandeelhouderskapitaal te kunnen aantrekken voor nieuwe investeringen. In het nieuwe koninkrijk België werd de ‘Société Générale’ de belangrijkste kapitaalverschaffer voor de steenkolenmijnen in de Borinage, die tussen 1835 en 1850 zo’n veertig procent van de investeringen voor haar rekening nam.

De afname van het aantal mijnondernemingen bleef doorgaan, van 32 met 109 schachten in 1840 naar 26 met 70 schachten in 1870, terwijl hun totale productie in die periode toenam van twee naar bijna vier miljoen ton steenkool. In 1858 werden ook de concessies Crachet en Picquery samengevoegd tot een société anonyme met de Société Générale als voornaamste aandeelhouder. Deze ruimere financiële middelen stelde het nieuwe mijnbedrijf Crachet-Pickery in staat om in 1877 de ‘Grandes Plateures’ te bereiken: de rijke steenkolenlagen die zich onder de gehele Borinage op een diepte tussen 530 en 580 meter bevinden en waarvan de hellinghoek kan oplopen tot vijfenveertig graden. De vette steenkool die er uit gedolven kon worden leende zich uitstekend om er cokes uit te produceren voor de ijzer- en staalindustrie. Ze stonden echter ook bekend om hun hoge risico op mijngasvorming, wat de aanleg van ventilatieschachten en de invoering van veiligheidslampen van het Davy-type noodzakelijk maakte. Een rapport van het staatstoezicht op de mijnen uit 1882 maakt melding van drie schachten die dan op Crachet-Pickery in productie zijn. Schacht (‘Puit’) no12 had toen inmiddels een diepte van 607 meter bereikt en exploiteerde steenkool op niveaus van 462, 528 en 583 meter diepte. Met name voor de afvoer van de hoge tonnages steenkool uit de ‘Grandes Plateurs’ was deze meest recente schacht voorzien van een ophaalmachine van 240 pk. Dit was een verdubbeling in vermogen ten opzichte van die van schacht no11, die driehonderd meter zuidelijker lag en over etages op 333, 341 en 407 meter diepte beschikte. Ze droegen de namen Petite Garde de Dieu, Grande Désirée en Angleuse en leverden eveneens vette steenkool, die vooral afzet vond bij de suikerfabrieken in België en Noord-Frankrijk. Schacht no 7 tenslotte had een diepte van 407 meter en was voorzien een stoommachine van 150 pk om de productie van 350 meter hoogte bovengronds te brengen. De exploitatie van deze schacht zou spoedig teneinde lopen en tot haar sluiting in 1960 bleven enkel no11 en 12 nog in productie.

Afbeelding 4: De steenkolenmijn van Crachet-Picquery omstreeks 1900.

In 1896 kwam de Crachet-Picquerie in handen van de Compagnies des Charbonnages Belges, een onderneming die een halve eeuw eerder was opgericht door James de Rothschild met de bedoeling om alle steenkolenmijnen in het arrondissement van Mons op te kopen. Het was de laatste consolidatieslag die plaatsvond in de Borinage voor de neergang zich zou inzetten. Door de grote vraag naar steenkool die zich na de Eerste Wereldoorlog aandiende draaiden de zeventien resterende mijnen van de Borinage op volle productie en boden daarbij werk aan meer dan zevendertigduizend mensen. Met een personeelsbestand van bijna zesduizend arbeiders en beambten behoorde Crachet-Picquerie tot de grootste mijnen van het steenkolenbekken. Omdat ook in de omringende landen de productie sterk werd opgevoerd om oorlogsschade te herstellen en teruggekeerde militairen werk te bieden, kon een kolencrisis niet uitblijven. Toen deze vanaf 1926 toesloeg werd de Borinage genadeloos hard getroffen. In de tien jaren die volgden daalde de productie er met 35%, veel sterker dan de 22% voor geheel België. De mijndirecties zagen zich genoodzaakt 17 van de 48 schachten te sluiten, hetgeen dertienduizend werknemers brodeloos maakte. Terwijl de werkeloosheid voor geheel België 14% bedroeg, liep deze in de Borinage op tot 67%, met de verpaupering tot gevolg die door Joris Ivens in 1933 op film werd vastgelegd. De mijnen die open bleven, zoals die van Crachet-Picquerie, beperkten hun personeelsomvang tot een minimum in afwachting van betere tijden. Door loonsverlagingen probeerden de mijndirecties hun bedrijven weer enigszins concurrerend te maken met de moderne mijnen in eigen land (vooral die in de Kempen) en daarbuiten. Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog daalde de productie in de Borinage nog verder totdat deze in 1944 nog maar 50% was van de omvang die ze op haar hoogtepunt van bijna twintig jaar daarvoor had bedragen.

In de ‘Bataille du Charbon’ (Kolenslag) waarmee de Belgische regering beoogde de wederopbouw te ondersteunen speelde de Borinage slechts een bescheiden rol. Crachet-Picquerie behoorde tot de negen resterende steenkolenmijnen met gezamenlijk 31 schachten. Schacht no11, inmiddels omgedoopt tot ‘Ferdinand’, onderging een grondige modernisering, waarbij ze op een diepte van 1030 meter werd gebracht en van een nieuw ophaalgebouw met schachtbok werd voorzien. Daarnaast kwam er een nieuwe kolenwasserij met een capaciteit van 325 ton per uur en werd de beluchting van het ondergrondse gangenstelsel verbeterd door de plaatsing van een nieuwe ventilator. Hierdoor kreeg het schachtcomplex de aanblik die het vandaag de dag nog altijd heeft. De aanpassing van schacht no12 bleef beperkt tot de plaatsing van een elektrische ophaalmachine met een vermogen van 1400 pk. Tenslotte groef men een verbindingstunnel van anderhalve kilometer lengte naar schacht no3 van de naburige mijn Grand Trait, eveneens eigendom van de Compagnie des Charbonnages Belges, om de daar gewonnen steenkool naar de nieuwe wasserij van Crachet-Picquerie te kunnen transporteren.  Dit soort maatregelen om de efficiëntie te verhogen bestonden al langer, maar omdat bovengronds transport per spoor veel overlast zou veroorzaken voor de bevolking van Frameries koos men voor deze duurdere oplossing. Achteraf bezien kan deze investering van 44 miljoen Francs alleen maar verbazing wekken. De tunnel kwam in 1955 in gebruik, slechts drie jaar voor de sluiting van de steenkolenmijn van Grand Trait! Twee jaar later trof die van Crachet-Piquery hetzelfde lot, toen op 16 juli 1960 de liften tot stilstand kwamen. Van de vier steenkolenmijnen die toen nog operationeel waren in de Borinage was die van Hensies-Pommeroeul de laatste die 1976 dicht ging.

Afbeelding 5: Geheel volgens de stand der techniek werd de nieuwe ophaalmachine van schacht noo11 uitgerust met een Koepe-schijf. In tegenstelling tot de oude ophaaltrommels was het met dit systeem mogelijk om beide liftkooien aan één kabel te hangen.

Net als in andere steenkolenbekkens ontstond ook in de Borinage spoedig het besef dat niet alle relicten van het mijnbouwverleden verloren mochten gaan, ten einde het belang van deze sector voor het gebied ook voor toekomstige generaties zichtbaar te houden. De meest voor de hand liggende locatie om het publiek kennis te laten maken met deze geschiedenis was het complex van le Grand Hornu in Boussu, omdat dit nog vrijwel geheel in zijn oorspronkelijke toestand van begin negentiende eeuw behouden was gebleven. Daar kwam bij dat het destijds al om een uniek project ging, waarbij een steenkolenmijn werd voorzien van huisvesting voor de werknemers en fabrieken om de industriële bedrijvigheid te stimuleren. Lang niet iedereen die het huidige museum bezoekt zal zich realiseren dat het gevestigd is in voormalige werkplaatsen, magazijnen en kantoren terwijl van de eigenlijke mijnschachten, die rondom het complex lagen, nauwelijks nog iets zichtbaar is gebleven. Enkel de mijnsteenberg (terril) is nog een stille getuige van de daadwerkelijke steenkolenwinning van weleer. Mede daarom kwam er een initiatief tot stand om de mijn van Crachet-Picquery, die in 1989 op de monumentenlijst was geplaatst, eveneens geschikt te maken voor een publieksfunctie, maar dan meer gericht op de jeugd, en daarmee de toekomst. Zo kwam het ‘Parc d’aventures scientifiques’, kortweg Pass, tot stand, dat gezien kan worden als een combinatie van een wetenschapsmuseum en een avonturenpark. Een panoramalift voert de bezoekers tegenwoordig naar de top van de voormalige schachtbok om van daaruit het landschap van de Borinage met haar tientallen terrils te kunnen overzien. 

Hoewel het Pass direct aan de weg tussen Mons en Frameries ligt, kunnen bezoekers er ook per fiets heengaan en dan gebruik maken van het RAVeL-pad dat over het voormalige mijnterrein loopt. Het Réseau Autonome de Voies Lentes, letterlijk te vertalen als autonoom netwerk van langzame wegen, strekt zich uit over geheel Wallonië en bestaat uit fiets- en wandelpaden die de trajecten volgen van oude jaagpaden, tramlijnen en spoorwegen. In de Borinage zijn er een aantal aangelegd op de beddingen van de mijnspoorlijnen die in de hoogtijdagen de schachten onderling, en met het nationale spoorwegnet verbonden. Ook de Crachet-Picquery had zo’n spooraansluiting, die via een brug de naastgelegen verkeersweg kruiste en waar nu het asfalt van RAVeL-pad op ligt. Toch was het van oorsprong geen mijnspoorlijn, maar de internationale treinverbinding van Brussel naar Parijs via Mons uit 1840. Door de mijnbouwactiviteiten was de ondergrond echter dermate instabiel geworden tussen Mons en Frameries, dat men de elektrificatie in 1963 aangreep om enkele kilometers oostelijker een geheel nieuw spoortracé aan te leggen. Ruim dertig jaar later reden overigens ook daar geen internationale treinen meer overheen, nadat de hogesnelheidslijn tussen Brussel en Parijs gereed was gekomen.

Afbeelding 6: Het Parc d’aventures scientifiques (Pass), gezien vanaf de terril van de Crachet-Picquery, met in de verte Frameries.