Bochum

Afbeelding 1: Bezoekers van het Deutsches Bergbau-Museum kunnen vanaf een balkon op de schachtbok van een spectaculair uitzicht over het Ruhrgebied genieten.

Op het eerste gezicht is het Deutsches Bergbau-Museum in Bochum gevestigd in één van de vele mijnbouwcomplexen die de afgelopen jaren in het Ruhrgebied zijn stilgelegd. Niet alleen de schachtbok die boven het gebouw uitrijst geeft de bezoeker stellig deze indruk, maar ook het gangenstelsel, waarin hij kan afdalen om de werkomstandigheden van de kompels te ervaren, draagt daar toe bij. Toch is het schijn dat bedriegt, want oorspronkelijk stond op deze plaats een slachthuis dat vanaf 1930 in verschillende fasen omgebouwd werd tot het huidige museum. Uiteraard zullen we ons hier niet beperken tot dit nepexemplaar, want in de hoogtijdagen telde Bochum tientallen echte ‘Zechen’, zoals de steenkolenmijnen in het Ruhrgebied doorgaans werden aangeduid. Voor deze reportage hebben we de keuze laten vallen op een Zeche die juist geen schachtbok heeft, maar waar de voorloper van dit wezenskenmerk van een steenkolenmijn behouden is gebleven, namelijk de Malakow-Turm. Overigens, ook deze voormalige steenkolenmijn kan verwarring oproepen, want zijn naam ‘Zeche Hannover’ verwijst naar een stad die ver buiten het Ruhrgebied ligt en waar überhaupt nooit ‘Bergbau’ heeft plaatsgevonden. Net als in Duisburg, Dortmund en Essen ontstond ook in Bochum een groot hoogoven- en staalbedrijf dat veel van de gewonnen steenkool in de vorm van cokes opslokte: de Bochumer Verein. Toch was het uitgerekend ‘buurman’ Krupp uit Essen die Zeche Hannover in handen wist te krijgen en zo de vette steenkool uit de Bochumer bodem voor de neus van zijn concurrent wist weg te kapen.Afbeelding 2: De Malakow-Turm van Zeche Hannover is ondanks de opkomst van de stalen schachtbok altijd dienst blijven doen en heeft zijn behoud daar aan te danken.

De vroegste vermeldingen van steenkolenwinning (Bergbau) in Bochum gaan terug tot de zestiende eeuw en hebben betrekking op het dal van de Ruhr ten zuiden van de stad. Daar kwamen de steenkolenlagen dicht aan het aardoppervlak en hoefde men nog geen schachten te graven om ze te bereiken. In 1677 werd er voor het eerst een concessie verleend om een groter gebied te gaan exploiteren, waar de latere Zeche Dickebäckerbank uit voortkwam. Dat de Bergbau in Bochum al vroeg een belangrijke rol speelde blijkt uit het feit dat het in 1738 de zetel werd van het Märkisches Bergamt (Bochum lag in het graafschap ‘Mark’) de eerste toezichthouder op het mijnwezen binnen het Ruhrgebied. Ook de aanleg van een primitieve spoorlijn, bestaande uit rails van gietijzer waarover paarden de kolenwagens naar de Ruhr trokken, wijst er op dat eind achttiende eeuw de productie al een aanzienlijke omvang bereikt had. In Engeland waren hier al eerder voorbeelden van, maar in Duitsland wordt het als de vroegste voorloper van de latere spoorwegen beschouwd. Ook voor wat betreft de inzet van een stoommachine bij de steenkolenwinning had Bochum de primeur toen Zeche Vollmond in 1801 als eerste binnen het Ruhrgebied een exemplaar in gebruik nam om een pomp aan te drijven. Toch duurde het nog tot 1842 voordat de eerste kolenmijn, Zeche President, in exploitatie kwam die volledig op ‘Tiefbau’ (schachten) gebaseerd was, in plaats van de ‘Stollenbau’ (horizontale gangen in dal- of bergwanden) die voorheen gebruikelijk was. In datzelfde jaar slaagde Jacob Mayer er in Bochum in om gietstaal te vervaardigen. Zijn onderneming was de voorloper van de ‘Bochumer Verein’, die de behoefte aan steenkool in de daaropvolgende decennia explosief zou laten stijgen.

De lucratieve steenkolenwinning had ook buiten het Ruhrgebied de aandacht getrokken en zo waren het een grootgrondbezitter uit Kaiserswerth aan de Rijn en een koopman uit Elberfeld aan de Wupper die in 1847 in het dorp Hordel grondboringen lieten uitvoeren. Boortoren ‘Sechs Brüder’ bereikte er op een diepte van negentig meter de eerste steenkool en toen ook boortoren ‘Sechs Schwester’ in 1854 succes had kon een veld van vier vierkante kilometer worden afgebakend. Beide initiatiefnemers verkochten de concessie in 1856 aan de Hannoversche Bergwerkgesellschaft Hostmann & Co. AG, die in de daaropvolgende jaren twee schachten liet graven met de namen Karl (nr.1) en Hermann (nr.2). Waterdoorslag en financiële problemen vertraagden de aanleg, maar in 1860 kon uiteindelijk toch begonnen worden met de bovengrondse voorzieningen voor de steenkolenwinning. De houten hijsbokken die men in de begintijd nog gebruikt had om de kolen naar boven te halen volstonden niet meer bij schachten van meer dan honderd meter diepte. Ook de sterkte van gietijzer was hiervoor onvoldoende en omdat staal nog te duur was, koos men er in deze dagen voor om zware bakstenen schachttorens te bouwen met muren van meer dan twee meter dikte. De naam is later ontleend aan het Fort Malakow in het Russische Sebastopol dat zo sterk was dat het tijdens de Krimoorlog slechts met veel moeite door de Fransen kon worden ingenomen. Dit was de eerste oorlog in de geschiedenis waar kranten verslag van deden en de belegering van het fort kreeg zoveel bekendheid dat ‘Malakow’ synoniem kwam te staan voor een sterk bouwwerk. Overigens waren het aanvankelijk vooral militairen die deze uitdrukking gebruikten voor hun vestingwerken en pas in 1928 duikt de eerste vermelding op uit de mijnbouw. In totaal hebben er honderddertig Malakow-torens in het Ruhrgebied gestaan, waarvan er nog veertien over zijn gebleven. In de meeste gevallen, zo ook op Zeche Hannover, ging het om twee torens met daartussen een gebouw waarin beide ophaalmachines waren ondergebracht.Afbeelding 3: Het complex van Zeche Hannover in 1908, destijds nog met twee Malakow-türme boven de schachten nr. 1 en 2. De stalen schachtbok bevond zich boven nr. 5, waarvan de aanleg in dit jaar gereedgekomen was.

In 1870 bereikte men in schacht 1 op een diepte van honderdzestig meter een rijke kolenlaag waardoor Zeche Hannover voor het eerst winst maakte. De tijdelijk sterk gestegen vraag naar industriekolen als gevolg van de Frans/Duitse-Oorlog zal daar ook zeker toe bijgedragen hebben. Mede dankzij de kanonnen van de firma Krupp behaalden de Duitsers in dit conflict een klinkende overwinning op de Fransen, waarmee de naam van Alfred Krupp als staalkoning definitief gevestigd was in Europa. Vooruitlopend op de vele orders die hem dit zou gaan opleveren, besloot hij  zijn steenkolenvoorraad uit te breiden en kocht in 1872 Zeche Hannover. Binnen enkele jaren tijd werd de schachtdiepte op ruim tweehonderddertig meter gebracht en de bovengrondse voorzieningen uitgebreid met een badhuis, transportsysteem en werkplaatsen. Er kwam een mijnwerkerskolonie in het naburige Eickel die net als het mijnbouwcomplex van gasverlichting en waterleiding was voorzien.

De belangrijkste noviteit kreeg de Zeche in 1878 toen directeur Karl Friedrich Koepe een nieuw ophaalmechanisme introduceerde dat later zijn naam zou gaan dragen. Bij het Koepesysteem is de ophaaltrommel vervangen door een schijf (de Koepeschijf) waar een kabel overheen loopt met aan beide uiteinden een liftkooi. Beide liftkooien zijn ook aan de onderzijde met een kabel verbonden, waardoor in iedere toestand het gewicht van de ene kooi met kabel gelijk is aan dat van de andere kooi/kabel-combinatie. Daardoor konden beide liften met een veel geringer machine- of motorvermogen in beweging gezet worden en was de slijtage aan de kabel gering, aangezien deze slechts met één winding om de Koepeschijf liep in plaats van iedere keer volledig rond een ophaaltrommel te worden gewikkeld. Koepe ontving destijds maar weinig waardering voor zijn uitvinding, die hij daarom nooit gepatenteerd heeft, terwijl dit vanwege het grote aantal mijnbouwondernemingen dat het systeem later toepaste wel profijtelijk was geweest.

Zeche Hannover was in 1892  één van de eerste mijnbouwondernemingen die voor het kolentransport een kabelbaan ging inzetten, waardoor het gebruik van paarden tot het verleden behoorde. Aandacht voor het welzijn van de mijnwerkers was er in datzelfde jaar ook, wat blijkt uit de aankoop van een landgoed in het naburige Dahlhausen met de bedoeling er een kolonie (een zogenaamde ‘Siedlung’) tot stand te brengen. Realisatie daarvan zou echter nog tot 1907 op zich laten wachten, maar uiteindelijk zou de Siedlung Dahlhauser Heide meer dan zevenhonderd woningen voor arbeiders en beambten tellen. Ondertussen had de firma Krupp ook de naastgelegen Zeche Hannibal in bezit gekregen en voegde deze in 1899 samen met Zeche Hannover. Dit had tot gevolg dat men een derde schacht ging graven (nr. 5, aangezien beide schachten van Zeche Hannibal omgenummerd waren in 3 en 4) en een nieuwe kolenwasserij en een nieuw ketelhuis bouwde, beiden met een aanmerkelijk grotere capaciteit dan hun voorgangers. Na de eeuwwisseling nam ook de elektrificatie van het complex een aanvang, al beperkte de toepassing zich gedurende de eerste jaren nog tot verlichting.

Kort vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog bereikte de productie een recordhoogte vanwege de toegenomen vraag vanuit de wapenindustrie, om daarna als gevolg van de politieke onrust, hyperinflatie en bezetting van het Ruhrgebied volledig in te zakken. Pas na 1923 braken betere tijden aan, waaraan in 1929 als gevolg van de Grote Depressie alweer abrupt een einde kwam. Van de negenduizend werknemers van Hannover-Hannibal waren er in 1932 nog maar amper drieduizend in dienst. Toen na de machtswisseling van 1933 de toestand zich verbeterde, was er weer investeringsruimte voor moderniseringen, zoals een installatie om huisbrand- en industriekolen van elkaar te scheiden. Omdat schacht nr. 2 inmiddels dieper was dan negenhonderd meter, volstond de Malakow-toren niet meer en werd deze afgebroken. De stalen schachtbok met ophaalmachine die er voor in de plaats kwam kon echter pas na de Tweede Wereldoorlog in gebruik genomen worden. Tot midden 1944 kon de productie dankzij de inzet van meer dan tweeduizend dwangarbeiders nog in stand gehouden worden, maar toen namen de geallieerde bombardementen dusdanig in hevigheid toe dat aan het eind van de oorlog Zeche Hannover zwaar, en Zeche Hannibal volledig verwoest was.Afbeelding 4: De stoommachine van Zeche Hannover dateert uit 1893 en is daarmee het oudste exemplaar van het Ruhrgebied dat nog op zijn oorspronkelijke plaats behouden is gebleven. Ter demonstratie kan de machine tegenwoordig met een elektromotor in gang worden gezet.

Na herstel van de oorlogsschade in 1947 kon de steenkolenwinning hervat worden en werd ook het integratieprogramma van beide Zechen verder voortgezet. Dat mondde in 1953 uit in het fusiebedrijf Hannover-Hannibal-AG, dat korte tijd later ook de naastgelegen Zeche Königsgrube overnam. De reserves waren in de voorgaande jaren namelijk snel terug gelopen, terwijl het veld van Königsgrube nog beschikte over tachtig miljoen ton tot een diepte van twaalfhonderd meter. De winning hiervan ging grotendeels via schacht nr.5 verlopen om de bovengrondse verwerkingsinstallaties van Zeche Hannover ten volle te kunnen blijven benutten. De kolencrisis van 1958 markeerde het einde van de onstuimige naoorlogse groei en maakte een verdere rationalisatie noodzakelijk. In 1964 werd ook Zeche Hannibal gesloten en drie jaar later was enkel nog schacht nr.2 in gebruik, waarmee de kolen van Hannover, Hannibal en Königsgrube naar boven werden gehaald. Toen deze in 1973 eveneens tot stilstand kwam was Zeche Hannover de laatste mijn van Bochum die gesloten werd en kwam daarmee een einde aan ruim drie eeuwen  bedrijfsmatige steenkolenwinning. In de daaropvolgende jaren werd het complex afgebroken, uitgezonderd de Malakowtoren van schacht nr. 1, het ophaalgebouw met tweelingstoommachine en het ventilatiegebouw. Ze kwamen in het bezit van het Landschaftsverband Westfalen-Lippe (LWL), die ze liet restaureren en in 1995 als één van haar industriemusea voor het publiek open stelde. Twee jaar later werden daar drie huizen van de voormalige Siedlung Rübenkamp uit 1890 aan toegevoegd.

Bochum beschikte overigens al sinds 1930 over een ‘Bergbau-Museum’, dat echter niet in een voormalige steenkolenmijn maar aanvankelijk in een oud slachthuis gevestigd was. De geschiedenis van de collectie die daar wordt getoond gaat nog verder terug in de tijd, want al in 1868 werd een ‘Lehr- und Schausammlung Bergbaulicher Utensilien’ aangelegd om jonge mijnwerkers en –ingenieurs kennis te laten maken met geologie en winningstechnieken. Door geldgebrek liet een permanente tentoonstellingsruimte lang op zich wachten en toen het eenmaal zover was beperkte de personeelsomvang zich in de beginjaren tot een modellenmeester en een zaalwachter. Dat veranderde in 1935 toen de bekende industriearchitect Fritz Schupp opdracht kreeg om een volledig nieuw museumgebouw te ontwerpen, dat bovendien van een ‘Anschauungsbergwerk’ moest worden voorzien om de bezoekers een ondergrondse ervaring te geven. Een schachtdiepte van zeventien meter werd hiervoor voldoende geacht en tussen 1937 en 1940 groef men een zeshonderd meter lang gangenstelsel. Nog voor de voltooiing van het project werd de nieuwbouw al zwaar beschadigd door geallieerde bommen en deed de bezoekersmijn dienst als luchtbeschermingsbunker voor honderden omwonenden.Afbeelding 5: In de beginjaren van het Deutsches Bergbau-Museum konden de bezoekers zich enkel aan de hand van modellen een voorstelling maken van het mijnbouwbedrijf.

Eind jaren veertig kon echter al weer een eerste tentoonstelling worden ingericht en toen in 1953 de nieuwbouw eindelijk gereed was, kwamen duizend vierkante meter beschikbaar om de collectie te tonen. Vooral het monumentale ontvangstportaal met dertig bronzen reliëfs vormde een blikvanger en doet dat vandaag de dag nog steeds. Vanaf 1962 nam het museum ook een onderzoekstaak op zich, niet alleen op basis van  archiefstukken maar bijvoorbeeld ook doormiddel van archeologische opgravingen op locaties met een mijnbouwverleden dat teruggaat tot de middeleeuwen of zelfs de oudheid. Hoewel men in Bochum anders zou vermoeden, beperkt het aandachtsgebied van het museum zich niet tot steenkool en komen ook de winning van metalen en mineralen ruim aan bod. Toch kreeg de geschiedenis van de steenkolenwinning extra nadruk toen in 1973 de zeshonderd ton wegende schachtbok van Zeche Germania een plaats kreeg op het museumterrein. Zoals gezegd kwam in dat jaar een einde aan de Bochumer Bergbau en omdat behoud van erfgoed op voormalige mijncomplexen destijds allerminst een uitgemaakte zaak was, besloot men één schachtbok als ultiem symbool van deze sector in ieder geval veilig te stellen. Bezoekers kunnen zich met een lift naar boven laten voeren om vanaf een platform op zeventig meter hoogte uit te kijken over het Ruhrgebied.

In de jaren tachtig onderging het museum een uitbreiding met drieduizend vierkante meter, waardoor ruimte ontstond voor wisseltentoonstellingen, een auditorium en horecavoorzieningen. Ondergronds richtte men naast de steenkolenmijn ook een ijzerertsmijn in, omdat de winning van deze grondstof in Duitsland binnen afzienbare termijn ten einde zou komen. Toen dit in 2018 ook voor wat betreft de steenkolenwinning een feit was organiseerde het Deutsches Bergbau-Museum samen met het Ruhr Museum in Essen een grote tentoonstelling, die tegelijkertijd de afsluiting betekende van een vierjarig vernieuwingsprogramma om de museumpresentatie weer bij de tijd te brengen. Die bestaat sindsdien uit vier thema’s – steenkolen, mijnbouw, bodemschatten en kunst – en omvat een oppervlakte van in totaal achtduizend vierkante meter. Het onderzoek is zich ondertussen meer en meer gaan richten op de grondstoffen die uit duurzaamheidsoogpunt in de nabije toekomst steeds belangrijker zullen worden zoals lithium voor batterijen en zeldzame aardmetalen voor elektrische auto’s en windmolens. De mijnbouw mag dan voor het Ruhrgebied een gesloten boek zijn, elders zullen nog tal van nieuwe mijnen geopend moeten worden om aan de vraag naar grondstoffen te kunnen voldoen.Afbeelding 6: Het mijngangenstelsel van het Deutsches Bergbau-Museum heeft een lengte van 2,5 kilometer, waarvan 1,2 kilometer voor het publiek toegankelijke is.