Eisden

Eisden (4)Afbeelding 1: Twee voormalige mijningenieurswoningen zijn later omgebouwd tot een hotel met brasserie. De naam Porta Cité is een verwijzing naar het mijnwerkersdorp van Eisden, ofwel de ‘cité’.

Net als van de meeste steenkoolmijnen in het Kempense Bekken is ook van die in Eisden, tegenwoordig onderdeel uitmakend van de gemeente Maasmechelen, het nodige behouden gebleven. Omdat de drie mijnen van het naburige Genk in de desbetreffende rubriek al uitgebreid zijn belicht, zal voor wat betreft Eisden de nadruk liggen op de cité, aangezien deze algemeen wordt beschouwd als de mooiste tuinwijk van het Kempense Bekken. Maar niet nadat eerst enkele woorden gewijd zijn aan de steenkoolmijn zelf, waarvan alle resterende gebouwen inmiddels een nieuwe bestemming hebben gekregen. Ze was operationeel van 1922 tot 1987 en telde op haar hoogtepunt in 1955 meer dan zevenduizend werknemers. Begonnen als de Waalse onderneming Société Anonyme des Charbonnages Limbourg-Meuse in 1907 fuseerde het bedrijf in 1969 onder druk van de Belgische regering met de andere Kempense Mijnen, om het daarna nog bijna twee decennia met de nodige overheidssteun vol te houden. Bij de sanering die volgde bleven het badhuis (1922), het directiegebouw (1932), de magazijnen (1911) en beide schachtbokken(1921 en 1926) geheel of gedeeltelijk behouden. De schachtbokken van Eisden zijn als enigen in het Kempense Bekken in gewapend beton opgetrokken. Dit maakte hen beter bestand tegen trillingen dan exemplaren van staal, maar tegelijkertijd gevoeliger voor verzakkingen en één van beiden is dan ook een replica omdat restauratie te duur was. Een andere bijzonderheid is het feit dat in 1922 Koningin Elisabeth hier afdaalde voor een ondergrondse rondleiding, waarna men het de Koninginneschacht is blijven noemen. De façade van het badhuis is tegenwoordig geïntegreerd in het bioscoopcomplex van ‘Euroscoop’, in de magazijnen is een academie voor muziek, toneel en dans gevestigd en het directiegebouw doet dienst als viersterrenhotel onder de naam ‘Terhills’. Uiteraard is deze naam afgeleid van de uitdrukking ‘terrils’, zoals de mijnsteenbergen in het Frans heten. Daarvan zijn er in Eisden nog vier overgebleven en in begroeide toestand rond een grote diepe waterplas vormen zij nu als ‘Connecterra’ de toegangspoort tot het Nationaal Park Hoge Kempen.Eisden (6)Afbeelding 2: Toegangspoort tot de tuinwijk, komende vanaf de steenkolenmijn.

Gezien de grote behoefte aan werknemers zag de mijnmaatschappij zich genoodzaakt om op de onbewoonde heide voor een volledig nieuwe wooninfrastructuur te zorgen. Naar voorbeeld van het Engelse Garden City model groeide het dorp met het bedrijf mee. Tussen 1910 en 1950 bouwde men vier wijken met zo’n tweeduizend woningen. De bijbehorende sociale en recreatieve voorzieningen droegen bij aan nieuwe samenlevingsvormen in de streek. In deze plannen vormde de indrukwekkende Sint Barbarakerk samen met de voorzieningen rond het kerkplein het centrum van de tuinwijk. Dat ze uiteindelijk niet volledig gerealiseerd zijn was het gevolg van de kolencrisis die eind jaren vijftig een einde maakte aan de voorspoed binnen de sector. Toch geven de kerk, scholen en nutsgebouwen die wel voltooid werden een goede indruk van de prestigieuze opzet die men voor ogen had. Het stedenbouwkundig concept van wonen in een park komt tot uiting in het gebogen stratenpatroon, de open ruimten, de optische kruispunten, de perkjes en plantsoenen. Door meer dan veertig verschillende woontypen te ontwerpen trachtten de architecten eentonigheid te voorkomen. Twee-onder-een-kapwoningen domineren weliswaar, maar ook rijtjes van drie, vier of zes arbeiderswoningen komen voor en in die gevallen zijn het de topgevels die afwisseling in de façade garanderen. Met uitzondering van de ingenieurswoningen is er geen hiërarchie te herkennen in de opbouw van de woningen en dat geldt evenmin voor de perceelgrootte die slechts varieert van negen tot twaalf are. Door de fusie van de Kempense mijnen raakte het concept in verval, omdat de woningen in de verkoop gingen zonder enige vorm van bouwkundige bescherming. Een wildgroei aan verbouwingen en tuininrichtingen die afbreuk deden aan het oorspronkelijke karakter was het gevolg en het is pas vrij recent dat bouwkundige voorschriften hier een kentering in gebracht hebben.  Eisden (3)Afbeelding 3: Het museum voor Mijnwerkerswoning.

Om het publiek een indruk te geven van het leven in de cité is één van de arbeiderswoningen ingericht als museum. Het is een twee-onder-een-kaphuis in cottagestijl uit 1925, waarvan één helft het interieur heeft van een mijnwerkerswoning uit de jaren dertig. Naast de meubilering zijn ook de beschilderingen, behangtechniek en wandversieringen geheel naar het gebruik van deze periode teruggebracht. Aan de muur hangt het originele ‘woonreglement’, dat nog altijd voor zichzelf spreekt en er aan herinnert dat de werkgever alom tegenwoordig was. De andere helft herbergt een documentatiecentrum en enkele tentoonstellingsruimten over de steenkoolmijn en het arbeidersdorp. De tuin werd eveneens volgens de oorspronkelijke voorschriften van de mijnbouwonderneming met ‘nuttige planten’ heraangelegd. Dit betekent een voortuin met bloemen en fruitbomen van het oude hoogstamtype en een achtertuin met groenten.Eisden (5)Afbeelding 4: In de voormalige directeurswoning is nu restaurant ‘De Mangerie’ gevestigd. In het daar achter gelegen park bevindt zich het Cultureel Centrum van Maasmechelen, met een moderne schouwburg.

De directeurswoning dateert uit 1912 en heeft vijf mijndirecteuren met hun gezinnen gehuisvest, waarvan de Waalse mijningenieur Adolphe Demeure de eerste was. Het oorspronkelijke ontwerp was van gelijke omvang en stijl als de andere ingenieursvilla’s, maar kreeg door uitbreiding en vooral de aanleg van een domein met boompartijen, plantsoenen en bloemperken de allure van een kasteel. Het is dan ook niet vreemd dat men doorgaans van het ‘Kasteeltje’ sprak als men het over de directeurswoning had. Deze was aanvankelijke gesitueerd tegenover de hoofdingang van de mijn. Wegens ongeschiktheid van de bodemgesteldheid voor het delven van schachten kwam het mijncomplex uiteindelijk noordelijker te liggen, maar een nieuwe villa zou daar niet meer gebouwd worden. Dat laatste gold wel voor de kantoorgebouwen, ofwel burelen, die zich in de onmiddellijke nabijheid van de directeurswoning bevinden. Toen de nieuwe administratiegebouwen in 1932 gereed waren, verhuisden de beambten daar heen en kregen de Oude Burelen een nieuwe bestemming met kleine appartementen voor mijnwerkersweduwen en een logementshuis voor alleenstaande mijnwerkers. Hoe sterk de bodem overigens onderhevig was aan verzakkingen is te zien langs de nabijgelegen Zuid-Willemsvaart, waarvan de kades vandaag de dag ver uit rijzen boven de huizen die ooit op hetzelfde niveau gebouwd werden. In de vorm van ‘Hangende Tuinen’ zijn deze kades tegenwoordig aantrekkelijk gemaakt voor het toeristisch publiek.Eisden (1)Afbeelding 5: De parochiekerk Sint Barbara, gebouwd in opdracht van de mijnonderneming, wordt vanwege zijn monumentale uitstraling en proporties ook wel ‘mijnkathedraal’ genoemd.

De kerk van tuinwijk Eisden kwam gereed in 1936 en is uiteraard gewijd aan Sint Barbara, de patrones van de mijnwerkers. Architect Auguste Van den Nieuwenborg leverde een ontwerp in neogotische stijl, opgetrokken in baksteen rond een skelet van gewapend beton. Vooral de toren is met zijn hoogte van drieënvijftig meter een imposante verschijning, de ramen zijn met hun blauw en rood glas geïnspireerd op die van de kathedraal van Chartres. Dit katholieke bolwerk, bekostigd door de mijnonderneming, moest het socialisme op afstand houden van Eisden om ‘Waalse toestanden’ te voorkomen. Goede voorzieningen voor het personeel droegen daar evenzeer toe bij en deze waren ondergebracht rond het kerkplein: winkels, scholen en het ‘Casino’. Casino’s waren ontmoetingsplaatsen voor de mijnbouwgemeenschap die in alle mijnzetels van het Kempens Bekken gebouwd zijn. De harmonie van de steenkoolmijn bracht er haar muziek ten gehore, er werden films vertoond, feesten gegeven en er was een bibliotheek. Verenigingen van uiteenlopende aard konden hier hun bijeenkomsten houden. Ook nu nog vervult het gebouw een rol als ontmoetingspunt, maar dan als Grand Café Casino. De woonomstandigheden in de cité mochten in hun tijd dan betrekkelijk comfortabel zijn, de werkomstandigheden in de steenkoolmijn waren dat allerminst. Jaarlijks deden zich wel een aantal ernstige ongelukken voor en zij die daarvoor gespaard bleven liepen grote kans om ten prooi te vallen aan beroepsziekten met het karakter van een sluipmoordenaar, zoals silicose, oogsiddering of mijnworm. Daarom kocht de mijnbouwonderneming in 1920 het kasteeldomein van het naburige Leut aan en liet het inrichten als ziekenhuis. Later volgde uitbreiding met een kraamkliniek, want natuurlijke bevolkingsaanwas garandeerde de personeelsvoorziening van het mijnbedrijf op de lange termijn. Dat heeft zich overigens maar tot één, hooguit twee, generaties beperkt. Kort na de mijnsluiting werd ook het ziekenhuis gesloten en ging het kasteel dienst doen als rust- en verzorgingshuis, waar overigens nooit veel gepensioneerde mijnwerkers hun laatste levensdagen gesleten hebben.Eisden (2)Afbeelding 6: Het casino was het centrale ontmoetingspunt binnen Eisden Tuinwijk en is dat vandaag de dag als Grand Café nog steeds.