Krefeld

Afbeelding 1: Het voormalige fabriekscomplex van de Vereinigte Seidenwebereien AG is tegenwoordig een business park dat de naam van zijn ontwerper draagt. Het was een van de laatste projecten van Bauhaus-architect Mies van der Rohe voordat hij in 1938 naar de VS uitweek.

Hoewel het productievolume van luxe zijden stoffen verre overtroffen werd door dat van katoen, wol en linnen maakte ook binnen deze sector het ambacht uiteindelijk plaats voor industrie. En ook voor zijde ontstonden productiecentra binnen Europa, nadat aan het einde van de middeleeuwen import vanuit China tot stilstand was gekomen door de oorlogen met het Ottomaanse Rijk. Eeuwenlang was deze kostbare stof door karavanen via Centraal-Azië naar de Europese markten gebracht, waardoor de handelsweg er zelfs zijn naam aan ontleent: de Zijderoute. De Italianen gingen zich eind vijftiende eeuw als eerste toeleggen op het weven van zijde stoffen en dan vooral rond het Comomeer, waar de teelt van moerbeibomen opvallend succesvol was. Zoals veel andere ontwikkelingen uit die dagen van de renaissance verplaatste ook de zijdenijverheid zich noordwaarts, waarbij Frankrijk de eerste halteplaats was. In navolging van Italië gingen ook hier koningshuis, adel en gegoede burgerij zich meer en meer in zijden stoffen hullen, waardoor Lyon kon uitgroeien tot een centrum op het gebied van de zijdeweverij. Luxe kleding van zijde mocht dan binnen de protestante gemeenschappen in Noord-Europa minder gangbaar zijn, de handelsgeest in deze kringen was des te groter. Het waren dan ook niet voor niets de Franse hugenoten die de kennis en ervaring naar Engeland, de Nederlanden en Pruisen brachten op de vlucht voor geloofsvervolging. Hetzelfde gold voor de Mennonieten die de zijdenijverheid in Krefeld introduceerden. Deze stad lag in het graafschap Moers, dat eind zestiende eeuw in bezit was gekomen van prins Maurits van Nassau, waardoor het dezelfde relatieve geloofsvrijheid verkreeg als de Republiek der Nederlanden waarvan hij stadhouder was. Een aantal van deze mennonietenfamilies waren generaties lang zogenaamde fabrikeurs die thuiswevers zijden stoffen lieten vervaardigen voor verkoop tot ver buiten het graafschap. Toen Krefeld in 1702 in handen van Pruisen kwam, hadden ze al een dermate goede reputatie opgebouwd dat ze het monopolie op de zijdehandel binnen het koninkrijk kregen. Na verloop van tijd gingen ze hun klanten ook voorzien van een andere fijne stof in het hogere segment van de textielmarkt, namelijk fluweel ofwel ‘Samt’. Zo bleef Krefeld tot ver in de vorige eeuw bekend staan als ‘Stadt von Seide und Samt’, hoewel de productie zich toen inmiddels verplaatst had naar de fabrieken.

Afbeelding 2: Het Jacquard-weefgetouw was een belangrijke uitvinding die rond 1800 uit de zijdenijverheid is voortgekomen en het mogelijk maakte om ‘automatisch’ patronen in de stof aan te brengen. In het Haus der Seidenkultur in Krefeld zijn er nog een aantal te bewonderen.

Het was vooral de komst van Adolf von der Leyen naar Krefeld die van grote betekenis was voor het opbloeien van de zijdenijverheid. Nadat hij vanwege zijn Mennonitische geloofsovertuiging in 1656 het katholieke Bergisches Land had moeten verlaten, werd hij in Krefeld stamvader van een dynastie van zijdefabrikanten, die de stad zoveel welvaart en rijkdom brachten dat ze als ‘zijdebaronnen’ bekend kwamen te staan. Van huis uit was hij vertrouwd met de handel in duurdere stoffen aangezien zijn ouders als ‘passementwerkers’ linten, biesjes, sierbanden, koorden en kwastjes vervaardigden en deze zelfs tot in Frankfurt op de jaarmarkt verkochten. Adolf zette deze traditie in Krefeld voort, waarbij zijn assortiment zich via zijdeband geleidelijk uitbreidde tot uiteenlopende zijden stoffen. Door het zakelijk succes verwierf hij aanzien, wat hem een leidende positie in de Mennonietengemeenschap en in 1679 het poorterschap van Krefeld opleverde. Zijn kleinzonen Adolf, Friedrich en Johann gingen vanaf 1721 ook fluweel verkopen en zetten in 1724 een zijdeververij op om niet meer afhankelijk te zijn van de Keulse ververijen. Ondanks de welstand die ze hiermee bereikten verloren ook zij de noden van hun geloofsgenoten niet uit het oog en betaalden niet alleen de priester en het orgel van de kerk, maar stichtten ook een armenhuis.

Halverwege de achttiende eeuw was al bijna de helft van de stadsbevolking op een of andere manier betrokken bij de onderneming van de Von der Leyens, waarvan zo’n zevenhonderd als zijdewever. Vandaag de dag herinneren daar in het centrum van Krefeld enkele zijdewevershuizen en het zijdeweversmonument  op de Ostwal nog aan. Het zijdedoek en -band dat van hun weefstoelen kwam werd verwerkt tot priestergewaden (paramenten), hals- en zakdoeken, boorden en kousen en deze producten werden geëxporteerd tot in Rusland en Amerika. De wevers hadden hun weefstoelen in bruikleen van de fabrikeurs, die eveneens de benodigde zijdegarens verschaften. Deze huisnijverheid hield tot ver in de negentiende eeuw stand, hoewel er toen ook zogenaamde manufacturen ontstonden waarin handwevers tewerkgesteld werden. Net als in de wollenstoffen-, katoen- en linnennijverheid waren dit ook binnen de zijdeproductie de voorlopers van de fabrieken. Aanleiding voor deze ontwikkeling was onder andere de opkomst van de Jacquardweefmachine, die te groot en te kostbaar was om in wevershuizen opgesteld te worden. Het betrof een uitvinding van de zijdewever Joseph-Marie Jacquard uit Lyon, daterend van kort voor 1800, waarmee doormiddel van een ponsbandenmechaniek (analoog aan dat van een draaiorgel) stoffen met fraaie patronen geweven konden worden. Het lag voor de hand dat deze nieuwe techniek als eerste in de vervaardiging van kostbare stoffen als zijde, fluweel en damast zou worden toegepast en na Lyon maakte Krefeld er dan ook al snel kennis mee. Een aantal exemplaren is tegenwoordig nog te zien in het Haus der Seidenkultur dat gevestigd is in de voormalige paramentenweverij van Hubert Gotzes. In deze manufactuur uit 1868 werden meer dan honderd jaar lang liturgische gewaden uit Italiaanse en Chinese zijdegarens geweven. Daarvoor beschikte het gebouw over een weefzaal met grote ramen voor een natuurlijke lichtinval op de werkplekken aan de Jacquard-weefstoelen. Na sluiting in 1992 is hier niets aan veranderd en sinds 2004 is heeft het een museale bestemming.

Her en der in Krefeld herinneren nog een aantal monumentale woonhuizen aan de zijdebaronnen van weleer. Zo liet Johann von der Leyen halverwege de achttiende eeuw een stadspaleis in rococostijl bouwen, dat later echter in bezit kwam van een andere familie van zijdefabrikanten en daar zijn huidige naam aan ontleent: Haus Floh. De onderneming  van Cornelius & Johannes Floh was de op een na grootste Seide-und-Samt-Firma van de stad die op haar hoogtepunt ruim honderd thuiswevers zijde en fluweel liet produceren. De gebroeders Von Beckerath lieten het middeleeuwse Schloss Cracau ombouwen tot een zijdeververij met bijbehorende fabrikantenwoning. Het slot ging in de Tweede Wereldoorlog door bombardementen verloren, maar de directievilla bleef behouden. Een kasteel dat nog wel bestaat is Burg Linn, gelegen in het gelijknamige stadsdeel dat eveneens nog een middeleeuws karakter heeft. Het naastgelegen Jachtslot werd bewoond door de Cornelius de Greiff en zijn nazaten. Cornelius was een kleinkind van Mennonieten die vanuit de Pfalz naar Krefeld gevlucht waren en fortuin maakten in de zijdehandel en –nijverheid. Hij liet nabij Linn ook Haus Greiffenhorst met bijbehorend park aanleggen. In Linn bevindt zich sinds 1981 ook het Duitse Textielmuseum dat een collectie beheert van meer dan dertigduizend objecten uit de gehele nationale textielhistorie en daar regelmatig exposities uit samenstelt.

Afbeelding 3: Na sanering heeft het Mies van der Rohe businesspark weer de aanblik van het oorspronkelijke fabriekscomplex met v.l.n.r. de Färberei, HE-Gebäude, Schlichterei en de schoorsteen van het Kesselhaus.

Begin vorige eeuw betekende de opkomst van de kunstvezel, toen nog beperkt tot het uit cellulose gesponnen Rayon en Cupro, een potentiële bedreiging voor de zijdeproductie in Krefeld. Uit Rayon konden uitgesproken soepele stoffen geweven worden die men al snel als ‘kunstzijde’ ging aanprijzen. Om toch nog concurrerend te blijven verplaatsten enkele textielbedrijven hun fabrieken uit Krefeld naar kleinere dorpen en stadjes in de regio (Niederrhein) waar de loonkosten nog aanmerkelijk lager waren. Ook de opkomst van andere industrieën in Krefeld, zoals de chemie en de metaal, die hun arbeiders beter betaalden heeft hier zeker toe bijgedragen. Plaatsen als Grefrath, Viersen, Dülken en Lobberich ontwikkelden zich tot kleine industriecentra, al hadden ze dat evengoed te danken aan de fabrikanten van Mönchengladbach, de andere grote textielstad in de regio Niederrhein. De crisisjaren die op de Eerste Wereldoorlog volgden maakten het voor de zijdeweverijen nog moeilijker om uit de rode cijfers te blijven gezien het luxe karakter van hun producten. De drie grootsten besloten daarom om te gaan samenwerken in een nieuwe onderneming. Gebr. Esters, C. Lange en Kniffer & Siegfried vormden in 1920 de Vereinigte Seidenweberei Aktiengesellschaft, kortweg VerSeidAG, onder leiding van Hermann Lange en Joseph Esters. Het bedrijf ging zich vooral concentreren op stropdassen (Krawatten), hét onderscheidende kledingstuk voor de groeiende klasse van beambten. Deze strategie bleek succesvol, wat in combinatie met de economische hoogconjunctuur van eind twintiger jaren reden was voor nieuwe investeringen. De directie wilde de productie, die aanvankelijk verspreid was geweest over de oude weverijen van de familiebedrijven, samenbrengen in één moderne fabriek aan de rand van de stad die met zijn architectuur de nieuwe tijd zou uitstralen. Het was architect Mies van der Rohe, een van de leidende figuren uit de Bauhaus-stroming, die hiervoor de opdracht kreeg.

Afbeelding 4: HE-Gebäude (links) en Warendurchsicht (rechts) vormden samen het middelpunt van het fabriekscomplex van de Vereinigte Seidenweberei AG.

Mies van der Rohe heeft geen enkele andere stad in Duitsland zoveel bouwwerken nagelaten als Krefeld. De actieve ondersteuning van VerSeidAG-directeur Herman Lange heeft hierbij een doorslaggevende rol gespeeld. Als eerste ontwierp hij het interieur van het café Samt & Seide, waarmee het bedrijf zich op de Berliner Messe ‘Die Mode der Dame’ presenteerde. Daarna tekende hij tussen 1927 en 1930 woonhuizen voor de families van Hermann Lange en Joseph Esters. Het nieuwe fabriekscomplex aan de Girmesgath, waaraan hij vanaf 1931 werkte, was zijn laatste grote opdracht in Duitsland, voordat hij in 1938 voor het Naziregime naar de Verenigde Staten vluchtte. Net als zijn andere werk kenmerkten ook zijn ontwerpen in Krefeld zich door strakke lijnen, een overvloedig gebruik van staal en glas en doordachte hoekoplossingen. Het fabriekscomplex bestaat uit het zogenaamde HE-gebouw (tot stand gekomen tussen 1931 en ’35 als kantoor en magazijn voor Herrenfutterstoffe), ververij (1931-1935), ketelhuis met schoorsteen (1932), sterkerij (1935/’36), controleafdeling (1932), een portiersloge (1935/’36) en een kantoorvleugel (1938/’39). De sobere kubische vormen met witgepleisterde muren en donkere vensters typeren de aanblik van het complex.

Het HE-Gebäude, bestaande uit vier bouwlagen en een kelder, herbergde op de eerste etage een controle-afdeling met daarboven de kantoren van de verkooporganisatie. De vensterassen van de lange gevels zijn door regenpijpen opgedeeld in secties met een onderlinge verhouding van 1:2:3:2:1 en een plint van vijf lagen verblendstenen (zogenaamde Bockhorner klinkers) omgeeft niet alleen dit gebouw, maar ook alle andere, zodat het een eenheid schept. Blikvanger binnenin het gebouw is het trappenhuis dat in zijn geheel met deze verblendstenen bekleed is. In de direct naastgelegen shedhal was de Färberei ondergebracht, die door de bovenlichten op het noorden te richten gedurende de gehele dag een constante natuurlijke lichtinval had, wat voor een correcte kleurherkenning niet onbelangrijk was. Er stonden machines opgesteld voor het verven van de weefsels (foulards en jiggers), installaties om de kleurstoffen bij verhoogde temperatuur te fixeren met hete stoom en twee enorme voorraadtanks vanwege het hoge waterverbruik. Gedurende de bouw onderging de ververij nog een uitbreiding tot een totaal van elf sheds. Om de zijdegarens voldoende slijtvast te maken ten behoeve van het gebruik als kettingdraden op de weefmachine ondergingen ze een behandeling die bekend stond als ‘schlichten’ of ‘sterken’. Daarbij werd met een oplossing van lijnolie in benzine een dunne beschermende laag op het garen aangebracht. Vanwege het brandgevaar ontwierp Mies van der Rohe een vrijstaand gebouw voor de Schlichterei, dat via een onderaardse gang verbonden was met de rest van de fabriek. Later ging het gebouw als test- en kwaliteitslaboratorium dienen en kwam er ook een bedrijfskantine in, waarvoor de kunstenaar Fritz Huhnen een stadspanorama van Krefeld op de muur schilderde. De afdeling ‘Warendurchsicht’, waar de productcontrole plaats vond, kreeg een eigen gebouw direct tegenover, en parallel georiënteerd aan, het HE-Gebäude. Dat er een klokkentoren (Uhrenturm) deel van uitmaakt kan als symbolisch worden gezien aangezien de factor tijd in principe alles controleerde op het complex. Voor de eigen energievoorziening beschikte het complex over een ketelhuis met kolenbunker en turbinehal met transformatorruimte. De schoorsteen van het ketelhuis kreeg een ringvormig waterreservoir van staalplaat en voor de aanvoer van kolen kwam een aansluiting op een spoorlijn van de Krefelder Eisenbahn Gesellschaft. Deze spoorwegonderneming exploiteerde een net van goederenlijnen tussen Viersen en Moers, waarvan nu enkel nog het traject tussen Sankt-Tönis en Hüls resteert als museumlijn (in de volksmond de ‘Schluf’ geheten). Grondstoffen en producten van en naar de fabriek zijn altijd via de weg vervoerd, waarvoor het ‘Speditionhaus’ als begin- en eindpunt diende.  Samen met het portiergebouw lag het aan de toegangspoort tot het fabrieksterrein waar na oplevering in 1940 dagelijks vierduizend werknemers passeerden. Dat waren hoofdzakelijk arbeiders, want de beambten hadden hun bureaus in het kantoorgebouw aan de overzijde van de Girmesgath.

Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog leed het bedrijf grote verliezen. Niet alleen liep het fabriekscomplex in Krefeld grote schade op, maar ook vestigingen in het buitenland gingen verloren door inbeslagname en die in Thüringen werden na de Duitse deling door de DDR genationaliseerd. Pas in de jaren zestig had de VerSeidAG weer zijn vooroorlogse omvang gekregen dankzij opening van nieuwe fabrieken in de omliggende plaatsen Kempen, Herongen en Geldern.  Om de concurrentie uit de lagelonenlanden, die zich vanaf de jaren zeventig begon te manifesteren, het hoofd te kunnen bieden ging men naast stoffen voor kledingvoering en stropdassen ook textiel voor huishoudelijke- en industriële toepassingen produceren. Na enkele herstructureringen maakte het bedrijf tussen 1998 en 2009 onderdeel uit van de Nederlandse Gammaholding en sindsdien van de Jagenberg-Gruppe. Het heeft zich tegenwoordig helemaal toegelegd op technisch textiel voor gebruik in architectuur, transport, opslag en veiligheid (anti-ballistics). De activiteiten van Verseidag-Indutex GmbH zijn vandaag de dag geconcentreerd in de kantoorgebouwen aan de overkant van de Girmesgath. Het fabriekscomplex zelf is een bedrijvenpark geworden dat zich als Mies van der Rohe Businesspark presenteert en naast bedrijfsruimtes ook faciliteiten als vergaderzalen, catering en fitness aanbiedt.

Afbeelding 5: In het voormalige fabrieksgebouw van Krahnen & Gobbers, hier op een prent uit 1908, zijn nu appartementen en kantoorruimten ondergebracht.

Eén van de bedrijven die op het Mies van der Rohe Businesspark gevestigd zijn is KragoTEC dat klittenband verkoopt voor uiteenlopende toepassingen. Het is voortgekomen uit de Krahnen & Gobbers dat eens tot de grote Seide-und-Samt-ondernemingen van Krefeld behoorde. Grondleggers waren Conrad Krahnen en Wilhelm Gobbers, die in 1855 zijden stoffen gingen verkopen voor het voeren van hoeden en mutsen. In 1866 namen ze hun eerste mechanische weefstoel in gebruik en kort voor de eeuwwisseling waren dit er al vijfhonderd, die waren ondergebracht in een fabriek nabij de Hauptbahnhof. Een tweede weverij voor de eenvoudigere stoffen verrees in 1903 in het stadje Wassenberg, waarmee de productiecapaciteit uitkwam op elfhonderd weefstoelen en het personeelsbestand meer dan vijftienhonderd medewerkers telde. In Wassenberg herinneren alleen nog enkele arbeiders- en beambtenwoningen aan de aanwezigheid van dit bedrijf, maar in Krefeld is het fabrieksgebouw aan de Krahnenstrasse nu ingericht met kantoren en appartementen. Niet ver daarvandaan bevindt zich in de Virchowstrasse cultureel centrum ‘Fabrik Heeder’. Hoewel Seide-und-Samt in Krefeld domineerden, waren hier wel uitzonderingen op, zoals deze tapijtweverij van Heeder & Co. uit 1906. Sinds 1989 vinden er exposities, dansuitvoeringen en theatervoorstellingen plaats.

Afbeelding 6: In cultureel centrum ‘Fabrik Heeder’ was vroeger een tapijtweverij gevestigd.