Joure

Joure (1)Afbeelding 1: Het personeel van geelgieterij Keverling poseert voor het fabrieksgebouw met rokende schoorsteen. De jaartallen op de gevel verwijzen naar de vestiging op de toenmalige locatie (1854) en eerstesteenlegging van het nieuwe bedrijfspand (1911).

De provincie Friesland wordt eerder geassocieerd met landbouw dan met industrie en als men er al fabrieken aantrof hielden die zich meestal bezig met de verwerking van wat eerstgenoemde sector voortbracht, met name zuivel. Een metaalgieterij verwacht men al helemaal niet in dit deel van het land en het licht dan ook voor de hand dat we deze niet, zoals gebruikelijk, klakkeloos moeten indelen bij de categorie zware industrie. Metaalwarenfabriek Keverling richtte zich namelijk op het meer verfijnde gietwerk voor een aantal specifieke bedrijfstakken die in de regio sterk vertegenwoordigd waren: zadelmakers, scheepsbouwers en klokkenmakers. Voor het plaatwerk en de mechanieken van de Friese stoel- en staartklokken was messing het aangewezen materiaal en dat gold ook voor scheepsinstrumentarium en paardentuigage. Toen Petrus Keverling dit materiaal in 1769 in Joure begon te verwerken, was het nog onbekend dat het een legering van koper én zink was en noemde men het geelkoper. Dat deze gieterij behouden is gebleven is overigens te danken aan een bedrijf uit Joure dat nóg ouder is en bovendien een veel grotere bekendheid geniet: Douwe Egberts. De geschiedenis van deze onderneming gaat terug tot 1753, toen Egbert Douwes in Joure een winkel in koloniaalwaren begon. Er kwam een internationaal genotmiddelenbedrijf uit voort dat tot 1978 zelfstandig wist te blijven. De productie was toen al lang verplaatst naar een grote fabriek aan de rand van Joure en andere productielocaties in Nederland en daarbuiten. Uit historisch bewustzijn besloot men in 1976 om de oorspronkelijke bedrijfsgebouwen te restaureren en in te richten als museum, niet alleen ter promotie van Douwe Egberts, maar ook als herinnering aan andere bedrijvigheid die Joure groot had gemaakt. Zo gingen ook een klokkenmakerij, zilversmederij, blikslagerij, drukkerij en de geelkopergieterij van Keverling deel uitmaken van het complex, dat daardoor samen met een grachtje en twee straatjes het karakter van een openluchtmuseum kreeg.Joure (6)Afbeelding 2: Uitstalling van gereedschap en producten van de metaalwarenfabriek.

De eerste vermelding van een Keverling die kopergieter was, een zekere Jacobus uit ‘Jouwer’, dateert van 1689 maar werd opgetekend in Amsterdam. Het betrof een meersterproef waarvoor hij was geslaagd en waarschijnlijk ging het toen ook al om het gieten van geelkoper of messing. Zuiver koper is namelijk minder geschikt voor het gietwerk en koperen voorwerpen missen de sterkte voor het dagelijks gebruik die messing wel heeft. Min of meer bij toeval moet men hier al eeuwen eerder achter gekomen zijn toen men galmei, een zinkhoudend mineraal, toevoegde aan koper en vast stelde dat het zich zo beter liet verwerken en de geelglanzende gietstukken ook minder snel schade opliepen. Het gieten van geelkoper ontwikkelde zich tot een specialisme in de (Belgische) Maasvallei, vooral in en om Dinant. Dinanderie werd dan ook een gebruikelijke uitdrukking voor de daar  vervaardigde gebruiksvoorwerpen en sierstukken.  Na de zware verwoesting van Dinant door oorlogsgeweld in 1466 raakten deze ambachtslieden verspreid over de Nederlanden. Het Duitse Aken nam de rol van internationaal productiecentrum over, dat zich later verplaatste naar het naburige Stolberg, waar het in de negentiende eeuw tot een industrie uitgroeide. Zover is het in Joure nooit gekomen, hoewel de geelgieterij van Keverling uitgroeide tot een bedrijf met tientallen medewerkers dat zich als metaalwarenfabriek presenteerde. Het omvatte naast de eigenlijke gieterij ook een modellenmakerij en werkplaatsen voor het afbramen, zagen, slijpen, polijsten en monteren van de werkstukken. Nadat er van een toekomstig product een nauwkeurig model gemaakt was, konden op basis hiervan mallen worden vervaardigd voor serieproductie. Een grote collectie van deze mallen is tot op de dag van vandaag in het museum bewaard gebleven. In geval van grotere objecten met een beperkte oplage gebruikte men vormkasten met ‘Brusselse aarde’: een zacht, poederachtig zand dat door flink aanstampen aan elkaar blijft plakken en zo de vorm goed vast houdt. Het model werd in twee vormkasten ingesloten en samengedrukt om een mal in twee helften te verkrijgen voor driedimensionale objecten. Voorafgaand aan het gieten werden deze mallen, verzwaard met stenen, opgesteld en de koepeloven gevuld met messingbroodjes tot zo’n twaalfhonderd graden verhit met behulp van cokes. Na het vullen van de vormkasten met vloeibaar geelkoper volstond een afkoeltijd van om en nabij een uur alvorens de producten ‘uitgeklopt’ konden worden. Na zuivering d.m.v. zeven was de Brusselse aarde weer geschikt voor hergebruik en het messing van de gietgoten belandde na verwijdering opnieuw in de oven. De nabewerking van de gietstukken kwam er meestal op neer dat het oppervlak glad gepolijst moest worden, maar voor sommige toepassingen was juist een zekere ruwheid vereist, zoals gebruiksvoorwerpen waarop grip moest kunnen worden uitgeoefend. In dat geval onderging het product een eindbehandeling in een trommel gevuld met aardewerkscherven en zeepsop om de gewenste oppervlaktegesteldheid te verkrijgen. De familie Keverling was haar gieterij in de achttiende eeuw begonnen in een oude leerlooierij, die in 1854 vervangen werd door een eerste fabrieksgebouw. Het huidige fabriekspand liet ze bouwen in 1911 en bestaat uit een centraalbouw van twee verdiepingen met  overstekend zadeldak, geflankeerd door twee enkel-laags zijvleugels voorzien van platte daken. De gekozen chaletstijl was toen al over zijn hoogtepunt heen, maar vond ‘in de provincie’ nog volop toepassing.  Het doet enigszins denken aan een stationsgebouw zoals ze begin twintigste eeuw nog voor lokaalspoorwegen werden ontworpen. De constructiewijze is echter wel degelijk toegespitst op industrieel gebruik, wat het beste blijkt uit de verdiepingsvloer. Deze bestaat uit bakstenen troggewelven, ondersteund door gietijzeren kolommen om het gewicht van de zware machines in de slijp- en polijstafdeling te kunnen dragen. Het bedrijfspand onderging daarna geen verdere uitbreidingen meer vanwege gebrek aan economisch perspectief. De vraag naar gietwerk in messing nam af, de concurrentie uit het buitenland toe en vooral na de oorlog was vakkundig personeel steeds moeilijker te vinden. Desalniettemin wist de familieonderneming het vol te houden tot 1983, waarna de gemeente Joure het fabrieksgebouw kocht en liet restaureren om het onderdeel uit te laten maken van het Douwe Egbertsmuseum, tegenwoordig Museum Joure. Wat de voormalige gieterij uniek maakt is dat de machines en gereedschappen bewaard zijn gebleven en daarmee een goede indruk geven van de dagelijkse praktijk in een kleine industriële gieterij.Joure (2)Afbeelding 3: De achterzijde van de geelgieterij met rechts daarvan een pand waarin de werkplaats van een voormalige zilversmederij en klokkenmakerij zijn ondergebracht.