Black Country

Black Country (1)Afbeelding 1: Na een grootscheepse renovatie kreeg ‘The Old Foundry’ in Walsall een tweede leven als kantoorgebouw. Anderhalve eeuw lang was hier de ijzer- en messinggieterij van Henry Moseley & Sons in gevestigd.

Waar steenkool gewonnen wordt kleurt het landschap zwart: Door ophoping van mijnsteen, verspreiding van mijnstof en de uitstoot van rook door ketelhuizen en cokesfabrieken. Er zijn dan ook nauwelijks beschrijvingen van dergelijke gebieden te vinden waarin het woord ‘zwart’ ontbreekt. Soms was deze typering echter zo hardnekkig dat de streek letterlijk als ‘zwart land’ bekend kwam te staan. Zo werd het ‘Pays Noir’ een geaccepteerde benaming voor het steenkolenbekken van Charleroi in Wallonië, terwijl ’t Luikse, de Borinage en Le Centre bepaald niet minder zwart waren.  Hetzelfde kan op het eerste gezicht gezegd worden van de ‘Black Country’ ten noordwesten van Birmingham, wanneer we het vergelijken met de omvangrijkere Britse mijnbouwgebieden in Zuid-Wales, Yorkshire en Northumberland. Wat in dit geval echter mogelijk de doorslag heeft gegeven is de steenkolenlaag van bijna tien meter dikte die zich hier op uiterst geringe diepte bevond en lokaal zelfs aan de oppervlakte kwam. De exploratie van deze  ‘thirty foot thick coal seam’ begon al in de middeleeuwen, met name voor de vuurhaarden van de vele smederijen die hier toen reeds actief waren. Halverwege de zestiende eeuw duiken de eerste vermeldingen op van hoogovens waarin het ijzererts gesmolten werd, dat men hier eveneens in de bodem aantrof. In de eeuwen die volgden nam de rol van deze ijzerverwerking sterk toe, vooral toen deze na 1800 op industriële schaal bedreven ging worden. Het aantal staalfabrieken bleef er weliswaar beperkt, maar de ijzergieterijsector bereikte er een omvang die nergens anders in het Verenigd Koninkrijk werd geëvenaard en om die reden wordt het gebied juist in deze rubriek onder de aandacht gebracht. Ze legde mede de basis voor de machinebouw en metaalverwerkende industrie die in Birmingham en wijde omgeving (de ‘Midlands’) na 1900 tot grote bloei kwamen. In de Black Country zelf had de neergang zich toen reeds ingezet en veel sporen van dit industriële verleden zijn al decennia geleden uitgewist. Alleen het gelijknamig openluchtmuseum houdt de herinnering aan deze tijd nog levend, onder andere met een messinggieterij uit Walsall. In dezelfde plaats kon de voormalige ijzer- en messinggieterij van Henry Moseley & Sons dankzij herbestemming tot kantorencomplex wél op zijn oorspronkelijke plaats worden behouden.  Black Country (2)Afbeelding 2: De messinggieterij in het ‘Black Country Living Museum’ dateert uit 1869 en was gevestigd in Walsall. Kort na de oorlog sloot ze haar deuren, maar was tussen 1964 en 1973 nogmaals in bedrijf, waarna in 1986 verplaatsing naar de museumlocatie volgde.

Een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de Black Country was de opening van een hoogoven door John Wilkinson in Bradley bij Bilston, aangezien hij in 1757 voor het eerst cokes in plaats van houtskool gebruikte voor het smeltproces. Dit voorbeeld werd al snel door anderen nagevolgd, zeker toen tien jaar later door de aanleg van kanalen de aanvoer van steenkool uit de mijnen sterk verbeterde. Vooral de aanleg van het kanaal tussen Wolverhampton en Birmingham en het Staffordshire & Worchestershire Canal waren van grote betekenis voor deze vroege industriële ontwikkeling. Halverwege de negentiende eeuw bereikte de ijzerproductie haar hoogtepunt met ruim honderd hoogovens en meer dan tweeduizend zogenaamde puddelovens om het ruwijzer om te zetten in smeedijzer. Het Bessemerproces deed in 1864 haar intrede, toen men bij Old Park Works in Wednesbury op deze manier staal ging produceren. Een tweede staalfabriek werd in 1882 gebouwd door de Staffordshire Steel & Ingot Iron Company in Spring Vale bij Bilston, gevolgd door Round Oak Works van de Earl of Dudley bij Brierly Hill in 1894. Toch zou de staalproductie in de Black Country nooit de omvang krijgen van die in Sheffield. Rond de eeuwwisseling begonnen ook de schaduwzijden van deze ongekende industrialisatie steeds manifester te worden, zoals de sterke luchtvervuiling maar ook de miserabele arbeidsomstandigheden en uitbuiting. Wat het laatste betreft bereikte de onvrede in 1913 een hoogtepunt  toen zo’n veertigduizend arbeiders in de Black Country het werk neerlegden omdat ze hetzelfde loon eisten als hun vakgenoten in Birmingham. Dankzij regeringsbemiddeling kon er een overeenkomst worden bereikt, hoewel het belangrijkste resultaat van deze staking was dat de organisatiegraad van de arbeiders er sterk door was toegenomen. Voordien was het lidmaatschap van een vakbond in de Black Country namelijk allerminst populair geweest, voornamelijk vanwege de plattelandsmentaliteit die er heerste.Black Country (3)Afbeelding 3: Door het smeden van ankers en kettingen leverde de Black Country haar bijdrage aan Groot-Brittannië als maritieme grootmacht. Hier het transport van één van de ankers voor de onfortuinlijke RMS Titanic.

De Black Country heeft nooit echt een scherp omschreven begrenzing gekend, hoewel tegenwoordig meestal het grondgebied van de gezamenlijke gemeenten Dudley, Sandwell, Wolverhampton en Walsall wordt aangehouden. Het waren in ieder geval ook deze plaatsen die in 2015 de status van UNESCO Global Geopark aanvroegen om zich in de toekomst toeristisch beter op de kaart te kunnen zetten. Dudley omvat de kernen Sedgley, Coseley, Brierly Hill, Kingswinford, Stourbridge en Halesowen. Hier voorzagen de steenkolenmijnen niet alleen hoogovens en ijzergieterijen, maar ook glasfabrieken van brandstof. Daarnaast werd er ook kalksteen gedolven. Oldbury, Rowley Regis, Smethwick, Tipton, Wednesbury en West-Bromwich vormen vandaag de dag samen Sandwell. Ook hier waren steenkolenmijnen, ijzergieterijen en glasblazerijen gevestigd, maar daarnaast ook metaalstanserijen, kettingsmederijen en chemiebedrijven. De huidige gemeente Wolverhampton omvat naast de gelijknamige stad ook de kernen Bilston, Penn, Wednesfield, Tettenhall, Bushbury, Heath Town, Ettingshall en Bradley. Wolverhampton onderscheidde zich met tal van constructiebedrijven, wagenmakerijen en rijwielfabrieken. De stad Walsall, tenslotte, vormt samen met Aldridge, Bloxwich, Brownhills, Darlaston en Willenhall één gemeente. Tussen al het geweld van de zware industrie kwam in Walsall ook de lederindustrie tot grote bloei en dan vooral de verwerking daarvan tot paardenzadels. Profvoetbalclub de ‘Saddlers’ herinnert daar nog altijd aan. Niettemin waren er ook talloze gieterijen, niet alleen voor ijzer, maar eveneens voor koper, messing en brons. Het vervolg van deze reportage zal nader ingaan op de geschiedenis van de gieterijen in deze stad.Black Country (6)Afbeelding 4: De binnenplaats van The Old Foundry in Walsall kreeg een overkapping en doet nu dienst als binnentuin.

Gietstukken van uiteenlopende aard en afmetingen werden vervaardigd in de vele ijzergieterijen die Walsall telde. Van stadsgasbuizen, kachels en machineonderdelen tot deurbeslag, gespen en kranen. De bedrijven waren te herkennen aan de typische koepelovens die een vertrouwd onderdeel vormden in het straatbeeld van de stad. Een ijzergieterij die sinds haar oprichting in 1890 nog altijd bestaat is die van Chamberlin & Hill, thans onder de naam Chamberlin plc. aan de Chuckery Road. Hoewel de diversiteit aan opdrachten altijd groot was, genoot de onderneming een reputatie op het gebied van brandkasten. In 1920 nam de familie Bather het bedrijf over en ondanks het feit dat het na de oorlog een naamloze vennootschap werd, bleef ze er tot 2005 als grootaandeelhouder bij betrokken. Door het vervaardigen van precisiegietwerk, met name in opdracht van de Duitse automobielindustrie, is Chamerlin er tot op heden in geslaagd om winstgevend te blijven. De geschiedenis van Castings Limited in Selborne Street gaat terug tot 1850. Toen begin vorige eeuw de transportmiddelenindustrie in en rond Birmingham opkwam ging men hiervoor zogenaamde ‘malleable castings’, ofwel smeedbare gietstukken, produceren. Ze moesten schokbestendig zijn en door middel van lassen bevestigd kunnen worden. Om aan deze hoge specificaties te kunnen voldoen had het bedrijf zelfs een laboratorium voor het uitvoeren van testen en het ontwikkelen van nabehandelingstechnieken. Wat dat laatste betreft beschikte men over roterende ovens met nauwkeurige temperatuurbeheersing om de objecten volledig spanningsvrij te krijgen, ook wel ‘annealing’ genoemd. Daarna konden de componenten in een eigen emailleerafdeling nog van een beschermlaag worden voorzien. Een andere sector die na 1900 sterk opkwam, en behoefte had aan geavanceerd gietwerk, was de elektrotechnische industrie. Sydenham & McOustra Ltd. in Beacon Street besloot zich hier op toeleggen en was hierin zo succesvol dat ze zelf ook eindproducten ging maken zoals gereedschappen, instrumenten en speelgoed. Op die manier was men minder afhankelijk van schommelingen in de vraag van afnemers, hoewel het daarmee een uitzondering was binnen een sector die bekend stond om zijn conjunctuurgevoeligheid.Black Country (4)Afbeelding 5: Pagina uit de catalogus van Kirkpatrick waarmee het bedrijf haar hang- en sluitwerk bij klanten onder de aandacht bracht.

De oudste ijzergieterij van Walsall, Kirkpatrick in Frederick Street, was in 2020 uiteindelijk toch genoodzaakt om haar deuren te sluiten. De economische stilstand als gevolg van de coronapandemie was de nekslag voor dit bedrijf dat in 1855 door de broers John, Thomas en William Kirkpatrick was opgericht. Omdat de neogotische architectuur destijds erg populair was in Groot-Brittannië gingen de broers hang- en sluitwerk in deze stijl gieten, waaronder ook naamplaten, brievenbussen en deurlampen. William manifesteerde zich daarnaast op maatschappelijk gebied door zitting te nemen in school- en kerkbesturen. In 1877 werd hij in de gemeenteraad gekozen en tien jaar later volgde zijn benoeming tot burgemeester van Walsall, een ambt dat hij door zijn vroegtijdige dood slechts één jaar bekleedde. Kirkpatrick bleef gedurende haar gehele bestaan ‘door and window furniture’ gieten, totdat het na de laatste eeuwwisseling als enig bedrijf in  het Verenigd Koninkrijk op dit gebied actief was en ze haar ‘black ironmongery’ ook voor exportmarkten produceerde. Tijdens beide wereldoorlogen werd de onderneming net als vele anderen ingeschakeld in de wapenproductie, wat concreet betekende dat men scharnieren en sluitingen leverde voor munitiekisten en patroonhouders. Toen de gieterij eind jaren dertig verhuisde naar een industrieterrein aan het Walsall Canal, waarvoor enkel de Charles Street overgestoken hoefde te worden, werd die gelegenheid aangegrepen om over te schakelen op een moderne elektrische inductieoven. De zeventig werknemers die in de naoorlogse periode bij Kirkpatrick op de loonlijst stonden waren vrijwel allemaal in Walsall woonachtig en hadden vaak vaders en grootvaders die er ook gewerkt hadden.Black Country (5)Afbeelding 6: Net als veel andere gieterijen in Walsall lag ook die van Kirkpatrick midden in een huizenblok (1). Daarom verhuisde het bedrijf eind jaren dertig naar een industrieterrein aan het Walsall Canal, gelegen aan de overzijde van Charles Street (2).  

Veel non-ferro gieterijen hadden zich toegelegd op het leveren van metalen onderdelen aan de lokale producenten van riemen, zadels, tuigage en andere paardenfournituren. Deze werden aanvankelijk vooral uit messing (‘brass’), maar later ook uit nikkel gegoten. Het aantal messinggieterijen bedroeg in 1842 drieëntwintig en zij voorzagen zo’n veertig stijgbeugelmakers, twintig sporenmakers en honderdtwintig bitmakers van metaalwaren. Honderd jaar later resteerden er nog maar enkele tientallen van deze fourniturenmakers, terwijl er nog altijd twintig messing- en nikkelgieterijen waren. Zij waren er ondertussen namelijk in geslaagd om andere klanten voor hun gietwerk te vinden. Ook voor hen bood de stormachtige ontwikkeling binnen de elektrotechnische- en automobielindustrie namelijk nieuwe mogelijkheden. Maar ook een nieuw metaal als aluminium leende zich voor toepassing binnen deze sectoren. Bovendien had menige gieterij tevens een afdeling voor het verchromen, vertinnen, vernikkelen en verzilveren van metaalobjecten, de zogenaamde ‘plating’-processen. Zo ook Henry Mosely & Sons in Bath Street, dat daarnaast gespecialiseerd was in ‘japanning’.  Dit lakprocedé om metaaloppervlakken glanzend zwart te maken was afgekeken van de Japanners en werd op grote schaal in Wolverhampton en Bilston bedreven door tientallen bedrijven met samen zo’n tweeduizend werknemers. Een interieur met decoratieve ‘japanware’ was decennialang een rage onder de middenklasse, maar het productieproces werd eind negentiende eeuw verdrongen door het ‘electroplating’.