Heerlen

Heerlen (4)Afbeelding 1: Ophaalgebouw van schacht II van de Oranje Nassau I waarin het Nederlands Mijnmuseum gevestigd is.

De gemeente die in Nederland onlosmakelijk verbonden is gebleven met het mijnverleden is Heerlen. Eind negentiende eeuw nog een dorp van ruim vijfduizend zielen dat met zijn boomgaarden, watermolens en vierkanthoeves landschappelijk gezien identiek was aan wat de toerist vandaag de dag nog kan aantreffen in het Heuvelland, was deze plaats driekwart eeuw later uitgegroeid tot een stad van tachtigduizend inwoners die samen met eveneens sterk gegroeide gemeenten als Kerkrade, Brunssum en Hoensbroek de Oostelijke Mijnstreek was gaan vormen. Ver van de Maas gelegen was deze streek lang geïsoleerd gebleven in vergelijking met Maastricht, Roermond en Venlo en de bevolking was wat voorzieningen betreft meer georiënteerd op het naburige Aken. Ook de spoorlijn liep door het Maasdal en toen er kort voor de eeuwwisseling een zijtak door de heuvels tot stand kwam die Sittard met Aken verbond was deze niet primair bedoeld om de bewoners van Heerlen en omstreken met de buitenwereld te verbinden, maar om de exploitatie van de steenkolenlagen te faciliteren. Nog voor de opening van de spoorlijn in 1896, op initiatief van Henri Sarolea die in Nederlands-Indië ervaring op had gedaan met moeilijke terreingesteldheid, was er in 1894 al begonnen aan een eerste schacht in het concessiegebied Oranje-Nassau binnen de gemeente Heerlen. Hiervoor had Sarolea samenwerking gezocht met de gebroeders Honig uit het nabij Aken gelegen Düren. Het Aachener Revier telde al de nodige steenkolenmijnen en in de beginjaren was ervaring uit dit gebied in alle rangen, van mijningenieur tot houwer, onmisbaar. In 1899 kwam de eerste steenkool bovengronds in wat al snel Oranje Nassaumijn I, kortweg ON-I ging heten. Vijf jaar later werd Oranje Nassaumijn II in buurdorp Schaesberg in productie genomen, gevolgd door ON-III te Heerlerheide in 1917 en ON-IV op de Heksenberg aan de rand van de Brunsummerheide in 1928. De gebroeders Honigmann hadden overigens al in 1908 hun aandelen verkocht aan de Franse familie De Wendel, die in Lotharingen hoogovens en staalfabrieken exploiteerde. Voor de hiervoor benodigde cokes wilde zij niet minder afhankelijk zijn van Duitse mijnbouwbedrijven, die doormiddel van kartelafspraken de prijzen opdreven. Die opzet mislukte omdat de ON-mijnen hoofdzakelijke magere steenkool bovenhaalden, in plaats van de vette steenkool die nodig is voor de productie van cokes. Van haar vier mijnzetels was de ON-III de meest productieve en op het hoogtepunt van de productie, die in 1937 werd bereikt, bedroeg de opbrengst van de ON-mijnen bijna drie miljoen ton, hetgeen ruim twintig procent van de totale Nederlandse productie was. De maximale schachtdiepte van het bedrijf was 825 meter in de ONIII, maar de diepste winning beperkte zich tot het niveau van 700 meter. Wat personeelsomvang betreft piekte de ON-mijnen in 1959 met 8700 medewerkers, waarvan 5600 ondergrondse arbeiders.Heerlen (7)Afbeelding 2: Overzicht van Oranje Nassau Mijn I in 1951 met de in aanbouw zijnde watertoren (1), de kolenwasserij (2), de schoorsteen van de briketfabriek (3), de drie schachtbokken (4), het oude ketelhuis met schoorsteen (5), de oude watertoren (6), de steenberg (7), de koeltorens (8) en schoorsteen Lange Jan (9) van de elektriciteitscentrale, het hoofdkantoor van de ON-mijnen (10) en de goederenloods van Van Gend en Loos nabij het treinstation van Heerlen.

Tot de bedrijfssluiting in 1974 bleef de ON-I de hoofdzetel vormen, die met twee mijnspoorlijnen was verbonden met de andere zetels: de ON-III en –IV samen aan één lijn die in noordelijke richting aftakte van het hoofdspoor, de ON-II samen met de staatsmijn Wilhelmina aan een zijlijn in zuidelijke richting. Bovendien waren de ON-III en –IV ook ondergronds met de ON-I verbonden en vond de bovengrondse kolenverwerking – wassen, sorteren en eventuele verwerking tot briketten –  eveneens daar plaats. Een andere centrale voorziening was de elektriciteitscentrale van de ON-I die met haar schoorstenen Lange Jan en Lange Lies – gebouwd in respectievelijk 1937 en 1953 en met hoogtes van 135 en 155 meter –  de skyline van Heerlen domineerde. Toen zij in 1976 met explosieven werden neergehaal markeerde dit min of meer in symbolische zin het einde van de mijnsluitingen die tien jaar eerder begonnen waren. Een drietal gebouwen bleef bij deze sloopwerkzaamheden gespaard. Het administratiekantoor van de ON-mijnen, daterend uit 1931 en ontworpen door architect Dirk Roosenburg volgens de principes van het functionalisme, is sinds 1999 een Rijksmonument en huisvest tegenwoordig de Belastingdienst. Roosenburg had in zijn ontwerp speciaal aandacht besteed aan de stabiliteit in verband met toekomstige grondverzakkingen als gevolgd van mijnbouwactiviteiten. Het was het eerste gebouw in Heerlen met een staalskelet en dankzij holle bakstenen en vloerplaten was het gebouw dertig procent lichter dan een traditioneel gebouw van dezelfde omvang. Bovendien werden er in het metselwerk openingen gelaten voor de nodige flexibiliteit in geval van lichte aardbevingen. De grote venterpartijen verschaffen het gebouw een transparantie die wordt benadrukt door het cilindrische, glazen trappenhuis. De tweede watertoren, opgetrokken uit baksteen in 1951, werd in 1974 verkocht aan de gemeente Heerlen en ging later over in handen van het Limburgse drinkwaterbedrijf dat hem nog steeds in gebruik heeft. Het enige wat nog resteert uit de beginjaren van de mijn is het ophaalgebouw van schacht II uit 1897, dat thans de collectie van het Nederlands Mijnmuseum herbergt. Oorspronkelijk was dit de ‘intrekkende’ schacht (470 m diep, 3,2 m diameter) naast de ‘uittrekkende’ schacht I (254 m diep, 2,3 m diameter), die zo’n tien meter onder het maaiveld via een zijkanaal was verbonden met een ventilatietoren. Toen in 1912 schacht III (441 m diep, 3,9 m diameter) gereed kwam, werd dit de intrekkende schacht met een elektrische ophaalmachine en kreeg ook schacht II een ventilatiekanaal en –toren om als ‘uittrekkende’ schacht dienst te gaan doen. Later werden ook ON-III en –IV door deze twee schachten van verse lucht voorzien.Heerlen (6)Afbeelding 3: Het voormalig kantoor van de Oranje Nassau Mijnen, gebouwd in 1931 en sinds 1999 een rijksmonument.

Na de pioniersjaren brak er een periode van consolidatie aan waarin Heerlen voorzieningen kreeg op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en openbaar vervoer die van stedelijk niveau waren. Dat gold ook voor het winkelbestand dat zich in het centrum vormde en waar zelfs luxeproducten verkocht werden. De opening van de kledingzaak van Schunck in 1935, gevestigd in een futuristisch pand van glas en beton dat al snel de bijnaam ‘Glaspaleis’ kreeg, illustreerde het welvaartsniveau dat ondanks de crisisjaren was bereikt en gaf de jonge stad zelfs enige allure. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouwjaren daarna vervulde de mijnstreek nogmaals een onmisbare rol om Nederland warm en in beweging te houden. Ten gevolge van de schaarste moesten de mijnwerkers echter wel even genoegen nemen met de heldenstatus die hen in de Polygoonfilms werd toegedicht. De jaren vijftig brachten in heel het land weer voorspoed, maar in Heerlen gold dit nog in veel sterkere mate zodat het Centraal Bureau voor de Statistiek in 1958 kon melden dat het was uitgegroeid tot de rijkste stad van Nederland. Dankzij het sterk toegenomen aantal kantoorfuncties en hoogwaardige werkgelegenheid in het chemisch nevenbedrijf (het huidige DSM) ontstond er een aanzienlijke sociale middenlaag in de bevolking en daarmee ook een behoefte aan culturele voorzieningen. Architect Peutz, die eerder met zijn Glaspaleis opzien had gebaard, kreeg dan ook opdracht om een Schouwburg te tekenen. Ook dit keer ontwierp hij een vooruitstrevend gebouw dat in 1961 zijn deuren opende. Ironisch genoeg was het uitgerekend in deze schouwburg, waar de stad zo trots op was, dat vier jaar later minister Den Uyl van economische zaken bekend maakte dat in een tijdsbestek van tien jaar alle mijnen gesloten zouden gaan worden. Heerlen mocht dan sinds 1958 de rijkste stad van Nederland zijn, sinds dat jaar hadden mijnen ook louter verlies geleden op de verkoop van hun steenkool.