Wageningen

Langs de Neder-Rijn kan men ook nu nog een goede indruk krijgen van het industrielandschap dat hier in het verleden door de baksteenfabricage gevormd is. In de uiterwaarden bij Wageningen, Renkum, Oosterbeek en Arnhem is een tiental schoorstenen zichtbaar van steenfabrieken die nog in gebruik zijn, een nieuwe bestemming hebben gekregen of tot ruïne zijn vervallen. Het drietal in Wageningen valt in de laatste twee categorieën en is een blijvende herinnering aan de zeven exemplaren die deze gemeente ooit telde en rond 1900 werk boden aan zo’n driehonderdvijftig mensen. Van de vroegste fabriek, de ‘Steenovensweert’,  is het oprichtingsjaar niet bekend, maar deze wordt al genoemd in 1819. Daarna volgen de ‘Bovenste Polder’ (1848), ‘Hooge Waard’ (1862), ‘Blauwe Kamer’ (1881), ‘Plasserwaard’ (1897), ‘Maneswaard’ (1898) en ‘Koebongerd’ (1918). Op laatstgenoemde na begonnen deze ondernemingen allemaal nog met veldovens, schakelden na eeuwwisseling over op ringovens, waarna in de jaren twintig ook de vlamoven ingang vond vanwege de verschuivende vraag van bakstenen naar klinkers. Zoals overal in de sector leed het werkvolk een zwaar bestaan in geïsoleerde gemeenschappen die bij gebrek aan alternatieve inkomstenbronnen sterk afhankelijk waren van hun werkgevers. Door deze omstandigheden kwam er pas relatief laat een arbeidersorganisatie tot stand en het was in Wageningen waar hiervoor de basis werd gelegd. In de driekwart eeuw tussen 1890 en 1966 vonden er in de Wageningse steenfabrieken zesentwintig stakingen plaats, maar de meest bepalende was die van 1906 in de ‘Bovenste Polder’. Aanleiding was de aankondiging van een loonsverlaging die men met succes van tafel kreeg door met het volledige personeelsbestand vijfentwintig dagen lang het werk neer te leggen. Steun van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV), begin van dat jaar opgericht, gaf daarbij de doorslag, maar was geen uitgemaakte zaak, omdat de staking niet met hun instemming of door hun leden was uitgeroepen. Het moet dan ook gezien worden als een gebaar van het NVV om de arbeiders in de steenfabricage tot vereniging aan te zetten, hetgeen dan ook nog voor het einde van dat jaar in Wageningen gebeurt. Daar vindt de oprichting plaats van de Nederlandse Bond van Steen- en Pannenbakkers met zo’n driehonderd ingeschreven leden, waarvan meer dan de helft afkomstig uit Wageningen. Al een jaar later blijkt dat succes niet gegarandeerd is, want een staking die maar liefst honderdzevenentachtig dagen lang vastberaden wordt volgehouden moet daarna toch worden afgebroken zonder het beoogde eindresultaat. De eigenaar van de Steenovensweert blijft bij zijn weigering om een ontslagen arbeider weer in dienst te nemen. In 1923 vindt de grootste staking uit de geschiedenis van de Gelderse baksteenindustrie plaats. Dit keer gaat het om een loonsverlaging van vijfentwintig procent in combinatie met een vijf uur langere werkweek. Op het hoogtepunt zijn bijna drieduizend arbeiders binnen vijfentwintig bedrijven bij het arbeidsconflict betrokken. Na twee maanden komen beide partijen overeen om tot arbitrage over te gaan die uiteindelijk als uitkomst heeft dat de loonsverlaging tot tien procent beperkt blijft zonder dat er langer gewerkt hoeft worden.Wageningen (2)Afbeelding 1: Net als steenfabriek De Panoven in Zevenaar heeft De Bovenste Polder een ringoven van het zigzag-type.

1923 is het ook jaar waarin op ‘De Bovenste Polder’ de veldovens worden afgebroken om plaats te maken voor een ringoven van het zigzagtype met zestien kamers en centraal geplaatste schoorsteen. Hoewel over het algemeen technische vernieuwingen binnen de industrie verlies van arbeidsplaatsen tot gevolg had, hebben de werknemers in de baksteensector weinig strijd geleverd tegen de komst van ringovens. Sterker nog, ze hadden er aanvankelijke hooggespannen verwachtingen van, omdat de steenfabriek hierdoor het hele jaar in productie kon blijven. Zo zouden ze niet meer gedwongen zijn om in de winter ander werk te zoeken met alle onzekerheden die daar aan vast zaten. Daar zat zeker een kern van waarheid in, maar van veel grotere invloed op hun bestaanszekerheid waren de conjunctuurschommelingen in de bouwsector, waar capaciteitsuitbreidingen in de baksteenfabricage altijd weer achteraan liepen, met bedrijfssluitingen als onvermijdelijk gevolg. Gemechaniseerd was de productie op ‘De Bovenste Polder’ overigens al in 1875 met de komst van een stoommachine om een steenpers aan te drijven. Andere gunstige factoren voor de steenfabriek waren de lokale samenstelling van de klei, die zeer geschikt bleekt voor het bakken van straatklinkers, en de nabijheid van een haven voor de aanvoer van steenkool en afvoer van producten. Dat het bedrijf in 1965 haar activiteiten beëindigde had dan ook een andere reden dan een bedrijfseconomische. De gemeente Wageningen had haar oog laten vallen op de uiterwaarden voor een volgende stadsuitbreiding en kocht naast ‘De Bovenste Polder’ ook de naburige steenfabrieken ‘Hooge Waard’ en ‘Koebongerd’ aan. De twee laatstgenoemden vielen al snel onder de slopershamer, maar toen de woningbouwplannen werden uitgesteld vanwege verzet uit de bevolking bleef ‘De Bovenste Polder’ voorlopig gespaard. Van uitstel kwam afstel toen de Hoge Raad in 1976 definitief een streep zette door het Wageningse Uiterwaardenplan. In de tussenliggende tien jaar was ‘De Bovenste Polder’ weliswaar de bovenste twintig meter van haar schoorsteen kwijtgeraakt door preventieve ‘aftopping’, van verdere aantasting zou het niet meer komen. Restauratie liet vervolgens nog twintig jaar op zich wachten, hoewel in die tijd enkele ovenkamers al een nieuwe bestemming kregen als botenloods voor de Wageningse kanovereniging. De overige ovenkamers zijn sindsdien in gebruik als atelier voor kunstenaars, hetgeen ook het geldt voor een deel van de ruimtes die onder de grote kap zijn gecreëerd. Daar kwam bovendien een tweetal woningen tot stand om verzekerd te zijn van permanente menselijke aanwezigheid op deze afgelegen locatie. Nadat het ringovengebouw in 2000 op de Rijksmonumentenlijst was geplaatst ging in 2003 het eigendom over in handen van de Nationale Maatschappij tot Behoud en Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel erfgoed (BOEi).Wageningen (3)Afbeelding 2: In tegenstelling tot die van De Bovenste Polder heeft de schoorsteen van De Plasserwaard nog haar volledige lengte.

Steenfabriek ‘De Plasserwaard’ hield het tot 1980 vol, maar wel met een lange onderbreking in de twintiger jaren. Al snel naar haar oprichting in 1897 door Jan Albertus Leccius de Ridder was ze uitgegroeid tot de grootste steenfabriek van Wageningen, inclusief steenpers en stoommachine. Ten gevolge van ongunstige marktontwikkelingen kwam het tot sluiting. In navolging van andere baksteenfabrikanten ging ook kleinzoon Dirk Leccius de Ridder over op de productie van straatklinkers en liet daartoe in 1930 een vlamoven bouwen met een schoorsteen van zestig meter hoogte die het actieve leven van de fabriek met een halve eeuw verlengd heeft. De vlamoven onderscheidde zich van de ringoven doordat iedere ovenkamer een afgescheiden ruimte had waarin de steenkool werd gestookt. Op die manier kon een hogere temperatuur worden bereikt dan met het storten van steenkolen bovenop op de steenstapels, zoals in de ringoven het geval was, en bovendien waren de temperatuurverschillen veel kleiner. Alleen op die manier konden harde, dicht gesinterde klinkers worden gebakken. Na de sluiting in 1980 leden enkele initiatieven tot herbestemming schipbreuk, omdat ze niet verenigbaar waren met de status van rijksmonument die het gebouw sinds 2003 heeft. Daarin kwam in 2008 verandering toen het ministerie een woonbestemming mogelijk maakte. Tegenwoordig zijn er onder de tweedelige kap acht woningen ondergebracht, waartoe deze is voorzien van dakkapellen en openingen voor dakterrassen. De zesentwintig ovenkamers op de begane grond doen dienst als entree en garage voor de bewoners.Wageningen (1)Afbeelding 3: Nadat het achtereenvolgens de benaming was van een boerderij en een steenfabriek is De Blauwe Kamer tegenwoordig een natuurgebied van  het Utrechts Landschap.

Ten oosten van de Grebbeberg ligt in de uiterwaarden aan de weg naar het Opheusdense veer de ruïne van steenfabriek ‘De Blauwe Kamer’. Deze ontleende haar naam aan een boerderij die er voorheen stond en natuurstenen muren of een leiendak moet hebben gehad (grijs bouwmateriaal dat destijds als ‘blauw’ werd betiteld). De fabriek was operationeel van 1881 tot 1975 en de nog resterende ringoven dateert uit 1918. Nadat het complex vervolgens ruim tien jaar in gebruik was als houthandel, motorcrossterrein en schietbaan, kocht de stichting Utrechts Landschap het in 1987 aan om er een natuurgebied van te maken. Hiervoor groef men een deel van de zomerdijk af en zette men wilde runderen in voor de begrazing. Hoewel gedeeltelijk overwoekerd, zijn de restanten van de fabriek tegenwoordig nog goed waarneembaar. Smalspoorrails en een oude hijskraan benadrukken het voormalige industriële karakter. Een rijtje arbeiders- en opzichtershuizen wordt nog altijd bewoond en draagt bij aan de ensemblewaarde van het complex.