Nord-Pas de Calais

Afbeelding 1: Dramatische taferelen voor de toegangspoort van de steenkolenmijn van Courrières, waar op 10 maart 1906 elfhonderd mijnwerkers omkwamen als gevolg van een stofexplosie.

Het gehele mijnbouwgebied van Nord-Pas de Calais in Noord-Frankrijk staat sinds 2012 op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Dat betekent dat dit industrielandschap voor toekomstige generaties behouden moet blijven, maar daarnaast ook verder ontwikkeld moet worden. Deze categorie binnen het Unesco Werelderfgoed bestond destijds overigens al twintig jaar en is gericht op de wisselwerking tussen menselijk handelen en de natuur. Niet aan individuele bouwwerken of plaatsen, maar aan het landschap en de veranderingen die het door menselijke ingrepen heeft ondergaan wordt hiermee bijzondere waarde toegekend. Het industriële verleden heeft een zwaar stempel gedrukt op de regio Nord-Pas de Calais en hier kan dan ook met recht gesproken worden van een ‘industrielandschap’. De winning van steenkool gedurende drie eeuwen veroorzaakte een metamorfose in wat eens een uitgestrekt plattelandsgebied was. De status van werelderfgoed heeft daarom betrekking op het gehele landschap dat door de steenkolenwinning getekend is en waarvan de kernzone een oppervlakte van maar liefst vierduizend hectaren omvat. Het vormt tevens de reden om ook in deze reportage het gehele gebied in beschouwing te nemen, hoewel de vier voormalige steenkolenmijnen die er geheel of gedeeltelijk behouden zijn gebleven extra aandacht zullen krijgen.

Afbeelding 2: Overzichtskaart van het steenkolenbekken van Nord-Pas de Calais met de steenkolenmijnen ‘Arenberg’ in Wallers (1), ‘De Clercq Crombez’ in Oignies (2), ‘Delloye´ in Lewarde (3) en ‘Pierre Destombes’ in Loos-en-Gohelle (4).

Het mijnbouwgebied van Nord-Pas de Calais vormt geologisch gezien de westelijke begrenzing van het Europees-continentale steenkolenveld. Op het Ruhrgebied na was dit in Noordwest-Europa het grootste steenkolenbekken, met een lengte van 120, breedte van 12 en diepte van 1,2 kilometer. De eerste mijnbouwonderneming, La Société Desaubois, kwam er in 1720 tot stand om via de schacht (‘fosse’) Jeanne Collard steenkool te gaan winnen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde Nord-Pas de Calais zich op industriële wijze tot een aaneengesloten wingebied met  schachtbokken (‘chevalements’), steenbergen (‘terrils’) en mijnwerkersdorpen (‘cités’). Na verloop van tijd ontstond er ook een complete infrastructuur bestaande uit mijnspoorlijnen, waterbekkens en overslaglocaties. De vier steden in het steenkolenbekken – Béthune, Lens, Douai en Valenciennes – lagen te ver verwijderd van de meeste steenkolenmijnen om er mijnwerkers te huisvesten en daarom ontstonden reeds rond 1820 de eerste cités. Op deze manier waren de mijnbouwondernemers bovendien in staat om controle uit te oefenen op hun arbeiders en zo een efficiënte en gedisciplineerde werknemersgemeenschap tot stand te brengen. Uiteindelijk bedroeg het aantal cités een indrukwekkende zevenhonderd, waarin vier typen te onderscheiden zijn. Tussen 1820 en 1890 lieten de mijnbouwdirecties hoofdzakelijk huizenrijen bouwen in de directe nabijheid van de schachten. Er zijn nog heel wat van deze ‘corons’ behouden gebleven, maar sommigen hebben later plaats gemaakt voor modernere huisvesting, zoals arbeidersdorpen met dubbelhuizen (1860-1939), tuinwijken met veel groen en voorzieningen (1904-1939) en naoorlogse cités (1946-1970). Laatstgenoemden hadden juist weer een sobere opzet, omdat er in korte tijd veel arbeiders met hun gezinnen ondergebracht moesten worden. De wederopbouwjaren stonden in het steenkolenbekken in het teken van ‘Operatie Kolenslag’, waarbij het aantal mijnwerkers met tweehonderdtwintigduizend in 1947 een record bereikte. Een jaar eerder waren de mijnbouwbedrijven van Nord-Pas de Calais, die tot dan toe met elkaar geconcurreerd hadden, opgegaan in de ‘Houillères (kolenmijnen) du Bassin Nord-Pas de Calais’ (HBNPC). Deze maakte op haar beurt weer onderdeel uit van de staatsonderneming ‘Charbonnages (mijnbouwbedrijven) de France’. In de jaren zestig brak de periode van de mijnsluitingen aan die drie decennia duurde en in 1990 eindigde met de buitendienststelling van schacht 9 in l’Escarpelle en schacht 10 in Oignies. Sindsdien zijn er vier steenkolenmijnen geheel of gedeeltelijk behouden gebleven, namelijk die van Arenberg in Wallers, Delloye in Lewarde, de schachten 11 en 19 in Loos-en-Gohelle en de schachten 9 en 9bis in Oignies. Omdat er ook buiten deze complexen her en der schachtbokken – zowel van beton als staal – resteren, staan er in totaal nog eenentwintig overeind. Daarnaast zijn er in het landschap nog tweehonderd ‘terrils’ te herkennen van de ruim driehonderdvijftig die het steenkolenbekken van Nord-Pas de Calais op haar hoogtepunt telde. De meeste mijnspoorlijnen zijn tegenwoordig natuurcorridor of zijn omgebouwd tot fiets- of wandelpad en maken onderdeel uit van het Frans/Belgische RAVeL: het Réseau Autonome des Voies Lentes, ofwel het autonome netwerk van langzame wegen.

Afbeelding 3: De vrijwel volledig in tact gebleven steenkolenmijn ‘Arenberg’ in Wallers diende meermaals als decor bij filmopnames.

In Wallers begon de Compagnie des Mines d’Anzin in 1900 met het delven van een productie- en een ventilatieschacht (1 en 2), die beiden in 1903 in gebruik werden genomen. Het mijncomplex dat er omheen ontstond werd vernoemd naar Auguste Louis Albéric d’Arenberg, de administratief directeur van de Compagnie des Mines d’Anzin, en ontwikkelde zich tot één van de meest productieve winningslocaties van deze onderneming. In de jaren vijftig boorde men nog een schacht 3 (productie) en -4 (ventilatie) en uiteindelijk zouden beide productieschachten een diepte van respectievelijk 606 en 689 meter bereiken. Dankzij haar hoge opbrengsten behoorde Fosse Arenberg tot de mijnen die het langst operationeel bleven, tot in 1989 uiteindelijk ook hier de liften tot stilstand kwamen. Deze late sluiting heeft er ook toe bijgedragen dat het een van de weinige mijnen is die nagenoeg volledig behouden is gebleven en daarmee een blijvende getuigenis vormt van de belangrijke rol die het steenkolenbekken van Nord-Pas de Calais eens speelde. De oorspronkelijke installaties zijn nog grotendeels intact, waaronder de elektrische ophaalmachines die gelden als de vroegste voorbeelden in hun soort binnen het steenkolenbekken. Naast de architectonische waarde van het sanitair-gebouw en administratiekantoor is het schachtcomplex een fraaie illustratie van de ontwikkeling van de steenkolenwinningstechniek gedurende de twintigste eeuw. Bijzonder waardevol is het compleet gebleven smalspoorcircuit waarover het transport plaatsvond tussen de schachten, kolenwasserij en mijnsteenbergen. Met maar liefst drie stalen schachtbokken van verschillend ontwerp is het complex een blikvanger die de gehele omgeving domineert en daarom als fotogeniek bekend staat. Zo diende het als decor voor enkele filmproducties waaronder ‘Germinal’ naar de roman van Emile Zola. De cité die het complex omgeeft is met zijn school, ziekenhuis, kerk, winkels en vrijetijdsvoorzieningen een typisch voorbeeld van het paternalisme dat de sector aan het begin van de vorige eeuw kenmerkte. Het was een tijd waarin de mijndirectie niets aan het toeval overliet en de ‘zorg’ voor zijn arbeiders net zo allesomvattend was als de invloed op het dagelijks leven van zijn gezinsleden.

Afbeelding 4: Op het schachtcomplex 9-9bis in Oignies verrees in 2013 het bijzondere muziektheater ‘Métaphone’  (links) dat zelf de rol van instrument vervult.

De oorsprong van de mijnbouw in Oignies gaat terug tot 1842, toen Louis George Mulot er steenkool in de bodem aantrof. Deze ingenieur voerde zijn onderzoek uit in opdracht van de plaatselijke grootgrondbezitster Henriette Declercq. Nadat ruim tien jaar later de aanleg van schacht 1 en 2 was begonnen, richtte Mulot in 1855 de Compagnies des Mines Dourges op voor de exploitatie van een concessiegebied met een totale oppervlakte van bijna vierduizend hectares. Het schachtencomplex dat nu nog resteert,  Fosse 9-9 bis Declercq Crombez, werd aan het begin van de jaren dertig aangelegd en was daarmee één van de laatsten die voor de nationalisatie van 1946 tot stand kwam. De mijngebouwen zijn een typisch voorbeeld van het neo-regionalisme uit de interbellumjaren. Tijdens de hoogtijdagen van midden jaren vijftig werkten er zo’n vijfentwintighonderd ‘mineurs’. Het was ook in deze tijd dat er enkele kilometers zuidelijker aan het Canal de la Deule zelfs nog een schacht 10 geboord werd om aan de vraag naar steenkool te kunnen voldoen. Schacht 9 bereikte uiteindelijk een diepte van 828 meter en de winning vond plaats op acht tussenliggende niveaus. Schacht 9 bis die voor de ventilatie zorgde kwam niet verder dan 578 meter.

Toen de mijn in 1990 haar poorten sloot kwam daarmee ook een einde aan het tijdperk van de steenkolenwinning in Nord-Pas de Calais. Sinds 1994 staat Fosse 9-9bis op de monumentenlijst en is met haar bijbehorende bosgebied en tuinwijk Declercq een illustratief voorbeeld van een geslaagde conservering. Om naast belangstellenden voor industrieel erfgoed ook andere doelgroepen te trekken is er in 2013 het muziektheater Métaphone geopend dat zelf als een reusachtig instrument fungeert en daarmee uniek is in de wereld. Ook op de bakermat van de ‘Compagnies des Mines Dourges’ wordt de herinnering aan het mijnbouwverleden levend gehouden. De gebouwen die van Fosse 2 na de sluiting in 1977 zijn overgebleven vormen weliswaar een weinig spectaculaire aanblik, de collectie aan machines die hier in het ‘Centre de la Mine et du Chemin de Fer’ is samengebracht is alleszins de moeite waard. Topstuk is een ophaalmachine van 3200 pk die in 1932 in Mulhouse gebouwd werd om mijnwerkers en steenkool van een diepte van vijfhonderd meter naar het daglicht te brengen. Het bestand aan rollend materieel omvat ook tal van stoomlocomotieven en wagons die overigens vaak elders in Frankrijk hun ritten hebben gereden. Uiteraard wel dankzij de steenkool uit het bekken van Nord-Pas de Calais.

Afbeelding 5:  De steenkolenmijn ‘Delloye’ in Lewarde heeft als ‘Centre historique minier’ niet alleen een museale functie maar herbergt daarnaast de archieven van alle Franse mijnbouwbedrijven.

Nog voordat het in 1990 definitief gedaan was met de mijnbouw in Noord-Frankrijk was er al een museum gewijd aan de historie van deze sector. Het werd in 1982 gevestigd in de gebouwen van Fosse Delloye in Lewarde. Ook hier betreft het een complex dat relatief laat in gebruik genomen werd, want hoewel de eerste werkzaamheden in 1911 begonnen zorgde de Eerste Wereldoorlog en haar nasleep (verplichte levering van steenkool door Duitsland in het kader van het Verdrag van Versailles) ervoor dat ze pas in 1927 in productie genomen werd. Eigenaar was de Compagnie des Mines d’Aniche die al in 1773 werd opgericht en in haar lange bestaan maar liefst dertig schachten heeft laten aanleggen. Ondanks het feit dat er in 1932 nog een tweede schacht in bedrijf werd genomen is Fosse Delloye nooit echt bijzonder rendabel geweest en toen de exploitatie in 1971 eindigde was men niet dieper dan 513 meter gekomen. Al twee jaar later ontstonden er plannen om een museum te openen en daarom is nagenoeg het gehele gebouwencomplex – inclusief schachtbokken, machines en installaties –  behouden gebleven. De bezoekers treffen er vandaag de dag de kleedzaal (salle des pendus), badruimte, lampenuitgifte (lampisterie), loonhal en kantine aan alsof de laatste mineurs nog maar net zijn vertrokken. Om een indruk te krijgen van de onderaardse werkomstandigheden is er bovengronds een vierhonderdvijftig meter lang gangenstelsel gecreëerd waarin desgewenst oud-mijnwerkers uitleg verschaffen. Van de tentoonstellingszalen richt er zich één volledig op de mijnramp van Courrières. Daar kostte op 10 maart 1906  een mijnramp het leven aan elfhonderd mijnwerkers en is daarmee in Europa de trieste recordhouder. Oorzaak was vermoedelijk de explosie van mijnstof, maar het was het gebrek aan vluchtwegen en veiligheidsdeuren waardoor het slachtofferaantal zo hoog opliep. Er volgde een maandenlange staking in het gehele steenkolenbekken om bij de mijndirecties maatregelen af te dwingen die een herhaling moesten voorkomen. Over deze donkere bladzijde uit de Franse mijnbouwgeschiedenis zal ongetwijfeld veel terug te vinden zijn in de archieven van de mijnbouwbedrijven die eveneens in het ‘Centre historique minier’ van Lewarde zijn samengebracht en in totaal zevenentwintighonderd strekkende meter beslaan.

Afbeelding 6: Het schachtcomplex 11-19 in Loos-en-Gohelle, gezien vanaf één van beide terrils die een hoogte van bijna honderdvijftig meter hebben. Direct erachter liggen de cités en verderop de buitenwijken van Lens.

Dichtbij de stadsgrens van Lens, op het grondgebied van de gemeente Loos-en-Gohelle, werd in 1894 schacht 11 van de ‘Compagnie des Mines de Lens’ in gebruik genomen en enige tijd later vernoemd naar administratief directeur Pierre Destombes. In 1909 kwam er nog een tweede schacht (11 bis) gereed voor ventilatiedoeleinden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte de steenkolenmijn volledig verwoest als gevolg van de krijgsverrichtingen en na afloop nam de wederopbouw enkele jaren in beslag. Heden ten dage zijn er duidelijk twee verschillende bouwfasen in het complex te herkennen, die echter allebei van na WOI dateren. De gebouwen rondom de stalen schachtbok betreffen de herbouw van Fosse 11 uit de jaren twintig, terwijl honderd meter daarvandaan een betonnen schachttoren de locatie van Fosse 19 markeert die tussen 1954 en 1960 werd aangelegd. Beide schachten bereikten een einddiepte van meer dan achthonderd meter en bleven tot 1986 in productie. Nadien viel enkel het badgebouw onder de sloophamer, de overige gebouwen staan sinds 1992 geregistreerd als beschermd monument. Bekendheid geniet de mijn echter vanwege zijn vijf ‘terrils’, waarvan er twee met een hoogte van honderdzesenveertig meter de hoogste van Europa zijn. Ze maken onderdeel uit van ‘La Chaîne des Terrils’, een verband dat allerlei sportieve activiteiten organiseert op en rond deze mijnsteenbergen zoals mountainbiken, deltavliegen, oriëntatietochten, maar ook skiën en rodelen als de winteromstandigheden dit mogelijk maken.