Zoutziederijen

Afbeelding 1: Schoolplaat waarop twee stappen uit het zoutwinningsproces staan afgebeeld. Links het concentreren van het pekelwater d.m.v. een gradeerwerk dat voorafgaat aan het zoutzieden, rechts het drogen van het zout na afloop daarvan.

Gezien het grote belang van zout voor de conservering van voedsel, met name vis en vlees, ging men ook in onze streken al vroeg over op de winning ervan. De aanleg van zoutpannen was in het Noord-Europese klimaat geen optie en daarom moest pekelwater of zouthoudend bronwater geconcentreerd worden door het boven stookplaatsen in te dampen. De plaatsen waar men zich met deze nijverheid bezig hield kwamen bekend te staan als ‘zoutziederijen’, naar het Duitse woord ‘sieden’ voor ‘koken’, dat later ook in de zeepbereiding opgang zou maken. Toen na de middeleeuwen de behoefte aan zout sterk toenam en men het ging importeren uit Zuid-Europa, legden de zoutziederijen zich toe op raffinage (zuivering) en verplaatsten zich van de vroegere winningsgebieden naar de havenplaatsen. Daar vormden ze onderdeel van de omvangrijke trafieknijverheid – verwerking of veredeling van grondstoffen tot halffabricaten – die Nederland in de Gouden Eeuw veel welvaart bracht.

De vondst van diepliggende zoutlagen in Oost-Nederland kwam begin vorige eeuw als geroepen voor de opkomende chemische industrie en maakte van ons land zelfs een exporteur. Ook toen bleven zoutziederijen nog decennialang actief in de raffinage en distributie van dit witte goud uit eigen bodem, totdat de naoorlogse consolidatie binnen de sector een einde maakte aan hun bestaansrecht. Het erfgoed dat hier vandaag de dag in Nederland nog van resteert is zeer beperkt van omvang en dat is verklaarbaar als we bedenken dat een zoutziederij destijds minstens zo vaak als ‘zoutkeet’ betiteld werd. Ze bestonden namelijk grotendeels uit houten loodsen, die beter te ventileren waren om de temperatuur en vochtigheid voor de arbeiders nog enigszins aanvaardbaar te houden. Maar dat betekende ook dat deze bouwsels geen lang leven beschoren was als de bedrijvigheid eenmaal ten einde gekomen was. Alleen straatnamen als Zoutkeetsgracht (Amsterdam), Ketenpoort (Enkhuizen), Zoutkeetlaan (Oegstgeest) en Keetshaven (Zwijndrecht) herinneren daar nu nog aan. Daarom zullen in deze reportage ook een aantal buitenlandse voorbeelden de revue passeren, waar ze als ‘saline’ bekend stonden.Afbeelding 2: Het enige schilderij waarop het darinkdelven duidelijk is afgebeeld dateert uit 1540 en bevindt zich in Zierikzee. Het toont hoe de ‘darink’ per boot wordt aangevoerd en hoe de as na verbranding in zakken naar de zoutziederij wordt gebracht voor verdere verwerking.

De zoutwinning in Nederland begon al aan het einde van de vroege middeleeuwen en speelde zich vooral af in Zeeland en het westen van de provincie Noord-Brabant, waar het zeewater diep landinwaarts doordrong en op het daar aanwezige veen een kleilaag achterliet. Een dergelijke veenlaag waarin vanuit de klei zout was doorgedrongen noemde men ‘darink’ of ‘derrie’ en het afgraven ervan  ‘darinkdelven’. De ‘selnering’ (‘sel’ van zout, ‘nering’ van nijverheid, dit ter onderscheid van de ‘moernering’, een oud woord voor turfwinning) bestond eruit om dit veen te verbranden en de resterende as te doorspoelen met water om het zout op te lossen. Na het indampen van dit pekelwater, waarbij de schuimlaag met verontreinigingen regelmatig verwijderd moest worden, hield men een redelijk zuiver zout over. Het direct indampen van Noordzeewater was door het lage zoutgehalte niet mogelijk en in feite maakte men bij het darinkdelven gebruik van een proces van ‘voorconcentratie’ dat zich via natuurlijk weg had voltrokken.

De selnering bracht steden als Zierikzee, Reimerswaal, Bergen op Zoom, Steenbergen en Dordrecht tot bloei, maar had ook een schaduwzijde omdat de winningsgebieden door afgraving gevoelig werden voor overstromingen in geval van een dijkdoorbraak. Dat bleek toen in 1421 de Sint-Elisabethvloed dit deel van Nederland teisterde en tal van dorpen liet verdwijnen in wat nu nog altijd het Hollands Diep is. De ernst van de situatie werd onderkend en er kwam een verbod op het darinkdelven. De zoutziederijen bleven in bovengenoemde plaatsen echter voortbestaan dankzij de raffinage van geïmporteerd ruw zout die na 1500 op gang kwam. Dit was afkomstig van de Atlantische kuststreken in Frankrijk, Spanje en Portugal. Omdat de Republiek der Zeven Provinciën regelmatig in oorlog verkeerde met de twee eerstgenoemde landen, genoot de invoer uit Portugal, en dan met name uit de regio rond Setúbal, de voorkeur. Veel hiervan werd overigens na raffinage in de Nederlandse zoutziederijen weer doorverkocht aan handelaren in het Oostzeegebied. Het kwam ook wel voor dat er langere zeereizen werden ondernomen om aan kwalitatief goed zout te komen, zoals naar de Kaapverdische Eilanden (destijds een kolonie van Portugal).Afbeelding 3: Het drogen van het gewonnen zout in de ‘denne’. Door het zware werk bij hoge temperaturen in een vochtige omgeving waren de arbeidsomstandigheden in een zoutziederij ronduit miserabel.

Het hart van de zoutziederij werd gevormd door één of meer grote, platte, ijzeren pannen boven op een haard waarin steenkool of turf werd gestookt. Hierin werd niet alleen het water verdampt, maar ook het zout gezuiverd. Naast het gewenste zout natriumchloride bevatte het pekelwater namelijk ook calcium-, magnesium- en ijzerhoudende zouten. Afgaande op smaak en kleur moest de zoutzieder de zuiverheid van het product vaststellen. Zo gaven magnesiumzouten er een bittere smaak aan (daarom ook bitterzout genoemd) en ijzerzouten een bruinrode kleur. Tijdens het koken vormde zich een vlies dat het merendeel van de minerale verontreinigingen bevatte en met een grote schuimspaan verwijderd kon worden. Door toevoeging van ossenbloed konden verontreinigingen van organische aard worden afgevangen. Deze bonden zich namelijk aan de bloedeiwitten, waarna de gevormde vlokken naar de bodem van de pan zakten. Voor ditzelfde doel werd ossenbloed eveneens in de suikerraffinage gebruikt om een hagelwit eindproduct te verkrijgen. Het uit de pannen geschepte zout werd tenslotte nog enige weken gedroogd voordat men het, al of niet verpakt, naar de klanten vervoerde. Deze droogplaats, in het jargon ‘denne’ genoemd, bestond uit een afhellende vloer, bedekt met zakken, waardoor het resterende vocht kon afdruipen.

Tijdens het zieden zette zich een harde laag af op de bodem van de pan, het zogenaamde keetspek, dat grotendeels uit gips bestond. Naarmate deze laag dikker werd nam de warmtegeleiding af en daardoor het brandstofverbruik toe. Het moest dan door langdurig hameren losgeslagen worden alvorens de pan weer inzetbaar was voor het productieproces. Dit was bepaald niet de enige klus die het werk van de zoutzieder zwaar maakte. Het roeren in de dampende pannen en het sjouwen met grondstoffen door de snikhete zoutkeet was ronduit afmattend. Iedere fase uit het proces bracht ‘afval’ voort: vlies, bezinksel, ongewenste zouten, keetspek, as uit de haard en vuil uit de filters. Het belandde op afzonderlijke afvalbergen die men ‘zelkes’ of ‘zellebergen’ noemde, maar vormde een waardevolle grondstof voor een andere bedrijfstak: de glassmelterij. Onder andere in Zierikzee en Zwijndrecht ontstonden in de negentiende eeuw glasblazerijen die hiervan gebruik maakten. Stadsbesturen eisten dat zoutziederijen zich buiten de muren vestigden, omdat de vuurhaarden in combinatie met de houten behuizingen een groot brandrisico met zich meebrachten. Bij storm moest zelfs permanente bewaking worden ingesteld. Vanwege de aan- en afvoer lagen de zoutziederijen meestal aan een haven, waaruit in geval van brand ook bluswater geschept of gepompt kon worden.Afbeelding 4: In de omgeving van Hengelo zijn nog een aantal houten zoutboortorens behouden gebleven. Op de achtergrond is de moderne zoutfabriek aan het Twentekanaal zichtbaar.

Net als andere trafieknijverheid liep ook de zoutziederijsector in de negentiende eeuw sterk terug als gevolg van de industrialisatie in de ons omringende landen. De behoefte aan goedkoop zout was daar zodanig gestegen, dat men er zelf de zoutwinning ter hand ging nemen en daarbij zoveel produceerde dat het via de export ook in Nederland belandde. Met name uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk werden grote hoeveelheden ruw zout ingevoerd die daar door mijnbouw en winning uit zeewater met behulp van goedkope steenkool beschikbaar waren gekomen. In een eeuw tijd sloot driekwart van de zoutziederijen zijn deuren, waarbij gezegd moet worden dat de overgebleven bedrijven hun capaciteit uitbreidden en er ook een aantal nieuwe, moderne ondernemingen bij kwam. In 1886 werd in het Overijsselse Delden een toevalvondst gedaan die de situatie in de daaropvolgende eeuw sterk zou veranderen. Bij de boring naar drinkwater op het landgoed Twickel stuitte men op pekelwater, afkomstig uit een artesische bron op enkele honderden meters diepte. De zoutzieders Jacobus Vis uit Zaandijk, Adriaan Kolff uit Rotterdam en Louis van der Minne uit Dordrecht gingen in 1903 een samenwerkingsverband aan om deze bodemschat te exploreren, waartoe in 1909 bij Winterswijk en Eibergen en in 1911 bij Boekelo proefboringen plaatsvonden. Tot een concessieverlening kwam het nog niet, maar daar bracht de Eerste Wereldoorlog verandering in. Toen bleek namelijk hoe sterk het neutrale Nederland voor belangrijke grondstoffen, brandstoffen en materialen afhankelijk was van buitenlandse import. De invoer van Duits zout was volledig stilgevallen, die uit het Verenigd Koninkrijk sterk gelimiteerd. Nog voor het einde van de oorlog was de oprichting van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie (KNZ) een feit en een jaar later begon in Boekelo de zoutwinning op een diepte van meer dan driehonderd meter.  Afbeelding 5: Luchtopname van de KNZ-fabriek in Boekelo. In 1952 werd de zoutproductie volledig overgeheveld naar Hengelo. Dankzij ‘Bad Boekelo’, een kuuroord met zoutwaterbad dat de KNZ er naar buitenlands voorbeeld in 1934 had geopend, profiteerde de plaats nog tot 1988 van haar bodemschat.

Er verschenen boortorens in het landschap – met dezelfde karakteristieke houten omhulling als destijds in de aardoliewinning – waar zoet water tot diep in de zoutlaag werd gepompt en pekelwater naar boven kwam. Uit oogpunt van efficiëntie koos men voor een enkel boorgat en een dubbelwandige buis, voor zowel zoet- (buitenmantel) als zout (binnenbuis) water. Begin jaren dertig breidde de KNZ haar boringen uit naar het grondgebied van de gemeente Hengelo, waar een zoutfabriek geopend werd op een locatie aan het nog in aanleg zijnde Twentekanaal. In plaats van open pannen installeerde men hier naar Amerikaans voorbeeld een cascade van vacuümketels waarin het pekelwater stapsgewijs geconcentreerd werd bij lagere tempreraturen en dus een lager brandstofverbruik, omdat de afgewerkte stoom van de ene ketel diende ter opwarming van de volgende. Het mengsel van pekel en zout uit de laatste ketel werd door centrifugering van elkaar gescheiden, waarna de pekel het proces opnieuw doorliep.

De KNZ leverde dit ruwe zout niet alleen aan zoutziederijen voor verdere verwerking tot consumptiezout, maar raffineerde een gedeelte ook zelf voor de verkoop aan professionele klanten zoals textielfabrieken, zeepfabrieken, ijsfabrieken en leerlooierijen. Later ging het bedrijf ook zelf consumptiezout verkopen onder de merknamen Jozo (jodiumhoudend zout voor de gezondheid), Colorozo (zout voor een fraaie kleur van het vlees) en als badzout. Door de productie van zoutzuur, chloorbleekloog, chloor, soda en natronloog ontwikkelde de KNZ zich tot een chemisch bedrijf, dat later onder de naam AKZO ook actief werd op het gebied kunstvezels, verf en farmaceutica. Nederland was toen inmiddels uitgegroeid tot een exporteur van zout. Tegenwoordig vindt er ook winning plaats in het Groningse Veendam, waar in de jaren zestig bij aardgasboringen een magnesiumchloride-houdende zoutlaag werd aangetroffen.Afbeelding 6:  Zoutziederij ‘De Eendracht’, gelegen aan de Schelphoek in Alkmaar, dateert uit 1784 en was tot ver in de vorige eeuw als dusdanig in gebruik. Na restauratie in de jaren tachtig werd het gebouw ingericht met kantoorruimtes. 

De vroegste vermelding van een zoutziederij in Alkmaar dateert uit 1560 en een halve eeuw later telde de stad er al negen, die zich hoofdzakelijk in de zuidoosthoek aan de oever van het toenmalige Voormeer bevonden. De buurt kwam bekend te staan als ‘De Schelphoek’ en trok ook veel andere bedrijvigheid aan. Er was veel onderlinge samenwerking, zonder dat er overigens sprake was van een officieel gildeverband, en de ‘panneluyden’ hadden een gezamenlijke zieken- en ouderdomskas. Hoewel er voornamelijk geïmporteerd ruw zout geraffineerd werd, maakten de zoutketen toch op grote schaal gebruik van zeewater voor de pekelwaterbereiding. Dat werd in schepen vanuit het Krabbewater aangevoerd. Toen dit door bedijking (de voorloper van de Hondsbossche Zeewering) niet meer in verbinding stond met de Noordzee, kwam er een pijpleiding met pomp naar het strand om alsnog zeewater te kunnen laden. Na de aanleg van het Noordhollands Kanaal (1824) ging men het zeewater vanuit Den Helder aanvoeren.

Halverwege de achttiende eeuw was het aantal zoutziederijen teruggelopen tot vier: Het Anker, Het Westzaner Wapen, De Burgh van Alkmaar en De Oranjeboom. Toch moet er nog voldoende perspectief in deze nijverheid hebben gezeten, want in 1784 kwam er onder de naam ‘De Eendracht’ nog een bij. Deze onderneming wist ook als langste stand te houden en beëindigde haar productie pas in 1939. De zoutziederij was sinds 1857 in handen van de familie Bosman, die er in 1870 een woonhuis tegenaan liet bouwen, en bleef nog tot 1970 in gebruik voor de verkoop van zout. Dankzij tijdige toekenning van de rijksmonumentenstatus bleef het gebouw voor sloop gespaard en onderging het medio jaren tachtig een grondige restauratie. Sinds 2007 is het in eigendom van Woningstichting Van Alckmaer die het als kantoorruimte verhuurt. De schoorsteen geeft het gebouw nog altijd een industriële uitstraling, hoewel het daadwerkelijke zoutzieden zich destijds afspeelde in de houten keten op het achterterrein dat nu dienst doet als parkeerplaats. Niet ver daar vandaan bevindt zich de voormalige stadstimmerwerf van Alkmaar, eveneens één van de weinige exemplaren in zijn soort die in Nederland behouden zijn gebleven. De monumentale werkplaats dateert van rond 1600 en is nu het onderkomen van de al eerder genoemde woningstichting Van Alckmaer. Het pand staat aan de Keetgracht, een straatnaam die net als de Zoutstraat en de Keetkolk herinnert aan het zoutziederijverleden van Alkmaar.Afbeelding 7: Het gradeerwerk van Saline Gottesgabe in Bentlage had oorspronkelijk een lengte van driehonderd meter, waarvan slechts veertig meter behouden is gebleven. Het zoutgehalte van het water kon ermee verhoogd worden van negen tot twintig procent.

Terwijl de zoutwinning in Twente pas begin vorige eeuw op gang kwam, gaat de geschiedenis ervan aan de Duitse kant van de grens maar liefst duizend jaar terug in de tijd. Een oorkonde uit 1022 maakt namelijk al melding van het gebruik van een zoutwaterbron in Bentlage, een dorpje in de buurt van Rheine. Niet veel later verrees er een kapel, die in de volgende eeuwen uitgroeide tot een klooster, waarvan de kruisheren zich bezig hielden met de zoutwinning. Zij gaven de ‘Saline’ de naam ‘Gottesgabe’ en brachten de exploitatie ervan tot grote bloei. Na verwoesting als gevolg van de Dertigjarige Oorlog was het te danken aan Fürstbischof Clemens August von Münster dat het tot een herstel, en zelfs modernisering, van de Saline kwam. Hij gaf opdracht tot de aanleg van het Salinekanal, dat in verbinding stond met de Ems en waarover niet alleen zout getransporteerd werd, maar dat ook door middel van een groot waterrad de installaties aandreef.

Bovendien kwam er een nieuw gradeerwerk om het zoutgehalte van het bronwater te verhogen voordat het in de ziederij verwerkt werd. Een dergelijk bouwwerk bestond uit een toren met hoge houten wanden met daartussen een dichte stapeling van takken, meestal van de sleedoorn. Hierdoor liet men het water van boven naar beneden sijpelen, waarbij de zoutconcentratie langzaam toenam als gevolg van verdamping door zonnewarmte en wind. Bijkomend effect was de afzetting van kalkhoudende mineralen, waardoor tegelijkertijd de zuiverheid toenam. Dit betekende wel dat de takkenbossen regelmatig ververst moesten worden. De opheffing van het staatsmonopolie op zout in 1867 maakte het voor de Saline Gottesgabe moeilijker om te concurreren met de nieuwe, industriële zoutwinners en men ging op zoek naar een nieuwe bron van inkomsten. Vanaf 1890 ontstond er daarom een Kuuroord met een Badehaus, Kurhaus en zelfs een Kinderheim. De zoutwinning kwam in 1953 ten einde, het kuuroord hield het nog vol tot 1975. Vanwege hun fraaie ligging in een bosrijke omgeving trekken het voormalige Gradierwerk en Salzsiedehaus tegenwoordig veel publiek, dat  meestal ook een bezoek brengt aan één van de tentoonstellingen in het even verderop gelegen Kloster Bentlage.Afbeelding 8: De Königlich-Preußische Saline in Halle is tegenwoordig een museum dat de geschiedenis van de zoutwinning vertelt. Het zoutpakhuis (links) en de zoutziederij (rechts) dateren uit de achttiende eeuw.

De Duitse stad Halle is ontstaan op de grens van twee aardschollen, waar vier zoutwaterbronnen al vroeg in de geschiedenis aanleiding vormden voor de vestiging van een nederzetting. Het geologische fenomeen kwam bekend te staan als de Halle-Störung, of Hallesche Marktplatzverwerfung, omdat de breuklijn zich onder het oude marktplein bevindt. De steenzouthoudende ‘Zechstein’-aardlaag die op honderden meters diepte ligt, komt op deze plaats juist dicht aan het aardoppervlak en lost daar langzaam op in het grondwater. Op verschillende plaatsen in Midden-Europa wordt het Zechsteinzout gewonnen doormiddel van mijnbouw, maar Halle is de enige locatie waar het op natuurlijke wijze boven komt. De Gutjahrbrunnen, Meteritzbrunnen, Hackeschen Born en Deutschen Born lagen in de onmiddellijke omgeving van het marktplein, waaraan dan ook in de middeleeuwen een aantal zoutziederijen ontstond. De laatste daarvan sloot in 1869 haar deuren omdat ze niet meer kon concurreren met de Königlich-Preußische Saline. Deze was op initiatief van Koning Friedrich Wilhelm I van Pruisen in 1721 opgericht, net buiten Halle op een eilandje in de rivier de Saale, en was via een buisleiding verbonden met één van de zoutbronnen in de binnenstad. Het complex bestaat nog steeds en biedt tegenwoordig onderdak aan het ‘Halloren- und Salinemuseum’.

Het oudste gedeelte is het zoutmagazijn dat uit vakwerkbouw bestaat, terwijl het Siedehaus uit 1789 dateert en daarmee het oudste exemplaar van Duitsland is. Meermaals per jaar wordt er de traditionele productiewijze aan het publiek gedemonstreerd en de honderd ton zout die dit oplevert wordt in kleine verpakking in de museumshop verkocht. Op het buitenterrein herinnert een stuk rails met daarop een smalspoorlocomotief nog aan de ‘Kohlebahn’ waarover bruinkool werd aangevoerd om de pannen te verhitten. Deze had een lengte van zes kilometer en werd in 1875 aangelegd naar de groeve ‘Alt-Zscherben’. Zoals de naam al doet vermoeden is het museum niet enkel gewijd aan de ‘Saline’, maar besteedt het ook aandacht aan het leven van de arbeiders in de zoutziederijen: de ‘Halloren’. Deze hadden in 1524 een broederschap gesloten, waarvan het ledental binnen enkele decennia opliep tot meer dan zeshonderd en waaruit in tijden van onrust schutterijen werden samengesteld. De organisatie kende zoutzieders, stokers, zoutdragers en knechten, die tijdens bijzondere gelegenheden aan hun uniform te onderscheiden waren. Laatstgenoemde traditie is behouden gebleven en heeft sinds 2014 de status van immaterieel erfgoed.Afbeelding 9: De ‘Grande Saline’ in het Franse Salins-les-Bains verloor aan betekenis toen er in 1779 in het verderop gelegen Arc-et-Senans een zoutziederij kwam. De gebouwen en installaties ondergingen daarna nauwelijks nog aanpassingen en hebben thans een museale bestemming.

Hief Pruisen het staatsmonopolie op de zouthandel in 1867 op, in Frankrijk bleef dit gehandhaafd tot 1945. De Franse overheid kon de inkomsten uit de zoutbelasting – de ‘gabelle’ – niet missen voor de financiering van haar ‘grands projects’, zoals de bouw van talloze forten ter verdediging van de landsgrenzen. Die waren door veroveringen in de loop der eeuwen behoorlijk opgeschoven en zo was ook de Franche-Comté in 1674 aan het koninkrijk toegevoegd. Daarmee kreeg de Zonnekoning eveneens de zoutbronnen van Salins-les-Bains in handen om de staatskas te spekken. Zijn vestingbouwmeester Vauban kreeg meteen opdracht om de vallei van de Furieuse af te grendelen met een militaire versterking om deze buit veilig te stellen. In de negentiende eeuw kwam er naast dit fort Saint-André nog een tweede vesting, Fort Belin, om ook tegen moderne wapens opgewassen te zijn. Ook de ‘Grande Saline’ zelf werd zwaar bewaakt, maar dan om te voorkomen dat de arbeiders zich schuldig zouden maken aan diefstal. De poorten gingen enkel ’s ochtends en ’s avonds open, waarbij het personeel nauwkeurig geteld, en bij het verlaten streng gecontroleerd werd. De functie van poortwachter was zó belangrijk dat hij als derde in de hiërarchie kwam. In geval er bij de fouillering zout werd aangetroffen beschikte het complex over een eigen rechtszaal en gevangenis om de zaak zelf af te kunnen wikkelen.

Naast de ‘Grande Saline’ in de bovenstad beschikte Salins-les-Bains ook nog over een zoutziederij in de benedenstad: de ‘Puits à Muyre’, ofwel pekelbron. De eeuwenlange houtkap om de vuren onder de pannen te stoken leidde tot ontbossing van de wijde omgeving, zodat eind achttiende eeuw moest worden overgeschakeld op steenkool. Deze brandstof moest echter uit verre worden aangevoerd, waardoor de productiekosten sterk stegen. Aansluiting van de stad op een spoorlijn in 1864 kwam te laat, want al tien jaar eerder was men genoodzaakt om de zoutwinning stil te leggen. Daarna werd het heilzame, thermale water alleen nog maar benut voor behandelingen in diverse kuur- en herstellingsoorden die eind negentiende eeuw hun deuren openden. Van de ‘Grande Saline’ resteert heden ten dage nog de oude zoutziederij met  een onderaards gewelvenstelsel waarin het pekelwater uit de ‘Puits d’Amont’ en de ‘Puits à Gré’ naar boven werd gehaald, eerst met een door paarden aangedreven band met emmers, later met pompen die door het snelstromende water van de Furieuse werden aangedreven. In 1846 werd de zoutlaag op tweehonderdvijftig meter diepte direct aangeboord in een moderniseringspoging die achteraf gezien te laat kwam. Als museum trekt de ‘Grande Saline’ nu jaarlijks vele bezoekers en er is ook een ‘office du tourisme’ in ondergebracht dat hen naar de natuur, cultuur en ontspanningsmogelijkheden in stad en regio probeert te lokken.Afbeelding 10: Het hoofdgebouw van de ‘Salines Royales’ in Arc-et-Senans met het ‘alziend oog’ in het tympaan.

Om de zoutproductie, en daarmee de belastinginkomsten, te verhogen, besloot de Franse staat in 1775 tot de aanleg van een nieuwe zoutziederij op een gunstigere locatie. Deze ‘Salines Royales’ waren een prestigeproject, waarvoor de bekende hofarchitect Claude Nicolas Ledoux het complex ontwierp. De tien gebouwen vormen een halve cirkel, met in het middelpunt de zoutopslagplaats, waarin tevens het administratiekantoor en de directiewoning waren ondergebracht. De cirkelvormige opening in het tympaan had een symbolische betekening: dit stelde het cyclopische oog voor dat de arbeiders voortdurend in de gaten hield. De nabijheid van het uitgestrekte bosgebied van het ‘Forêt de Chaux’ garandeerde voldoende brandhout voor de zoutziederij. Het pekelwater voerde men aan vanuit Salins-les-Bains via een twintig kilometer lange pijpleiding die eindige in een gradeerwerk van vijfhonderd meter lengte waarin het zoutgehalte verhoogd werd. Gewapende ruiters bewaakten deze leiding permanent en er waren op een aantal plaatsen kleine bassins in aangebracht om het debiet te kunnen bepalen. De bouw de Koninklijke Zoutwerken duurde vier jaar, maar de plannen van Ledoux gingen veel verder. Hij zag het complex als het middelpunt van nieuwe stad die hij volgens een ideaalconcept ontwierp. Tot realisatie is het nooit gekomen en ook de ‘Salines Royales’ werden na ruim honderd jaar buiten gebruik gesteld. Het zout dat op goedkopere wijze in de kuststreken gewonnen werd kon toen per trein door heel het land geleverd worden en de sluiting was in 1895 een feit. Vanwege de bijzondere, neoclassicistische architectuur had het complex altijd al bekendheid genoten, waardoor het reeds in 1926 op de nationale monumentenlijst kwam te staan. Sinds 1982 staat het ook op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Het museum dat er vandaag de dag in gevestigd is besteedt zowel aandacht aan het zoutverleden als aan het oeuvre van architect Ledoux.Afbeelding 11: In de plannen van architect Claude Nicolas Ledoux hadden de Koninklijke Zoutwerken het centrum moeten vormen van een ideale stad.