
Afbeelding 1: ‘Puits Ricard’ is een schachtcomplex in La Grande Combe dat operationeel was van 1935 tot 1978 en na restauratie in 2012 een museale bestemming kreeg. Hier de compressorenhal die sindsdien voor het publiek toegankelijk is.
Vanwege haar omvang, en industriële ontwikkeling die er uit voortkwam, heeft de steenkolenwinning in Nord-Pas de Calais die van andere mijnstreken in Frankrijk altijd in de schaduw gesteld. De geschatte vijfentwintighonderd megaton steenkool die er in ruim twee eeuwen naar boven gehaald werd is bijvoorbeeld het drievoudige van wat er in min of meer dezelfde periode gedolven werd in Lotharingen, dat met haar steenkolenbekken nabij de Duitse grens op nummer twee kwam. Van de overige tientallen mijnbouwgebieden die over Frankrijk verspreid lagen, gold slechts voor een handvol dat er gedurende hun exploitatietijd meer dan honderd megaton steenkool gewonnen is, namelijk die van Blanzy, Décazeville, Provence, Loire en Cévennes. Laatstgenoemde staat centraal in deze bijdrage en dan vooral de plaats die er het hart van vormde: La Grande Combe. De eerste vermelding van steenkolenwinning in deze streek dateert al uit 1230 en is daarmee de vroegste van heel Frankrijk. Het betreft een document van de abdij van Cendras waarin sprake is van pachtgelden die betaald werden door lieden die op haar gronden ‘zwarte aarde’ afgroeven. In de loop van die dertiende eeuw zijn er ook in enkele andere regio’s dit soort vermeldingen opgetekend, terwijl de eerste vondst van steenkool in Nord-Pas de Calais pas in 1720 plaats vond. Dit mijnbouwgebied kon echter al snel profiteren van de afzet aan de textielfabrieken van Lille en Roubaix en aan het sterk groeiende Parijs dat via kanalen en rivieren goed bereikbaar was. De enige grote afzetmarkt voor de Mines des Cévennes daarentegen was de haven van Marseille die enkel door middel van het veel duurdere spoorvervoer beleverd kon worden. Desondanks werd de laatste mijn er pas in 1985 gesloten, krap vijf jaar eerder dan in het noorden van het land, hetgeen door de weinige nog in leven zijnde ‘mineurs’ nog altijd aan hun strijdbaarheid wordt toegeschreven.

Afbeelding 2: Met een geschatte totaalproductie van tweehonderd megaton steenkool behoorden de Mines des Cévennes tot de vijf belangrijkste mijnstreken van Frankrijk. La Grande Combe vormde er het centrum van, waar vooral antracietkool gedolven werd.
Het steenkolenbekken van de Cévennen strekte zich uit over een driehoekvormig gebied met een oppervlakte van tweehonderd vierkante kilometer ten noorden van de stad Alès, waar het ook vaak naar vernoemd werd. In La Grande Combe werd hoofdzakelijk antracietkool (huisbrandkool) aangetroffen, terwijl het in Bessèges en Rochebelle (nu behorend tot Alès) voornamelijk vette steenkool (industriekool) betrof. Eind zeventiende eeuw kwam de mijnbouw echter grotendeels stil te liggen door de godsdienstvervolging. De herroeping van het Edict van Nantes in 1685 betekende dat de overwegend protestante bevolking van de Cévennen zich moest bekeren tot het katholicisme, wat ze lang weigerde en in 1702 leidde tot ‘Opstand van de Camisards’. Gehuld in witte hemden (‘camise’ in het Provençaals, ‘chemise’ in het Frans) bonden ze de strijd aan met dragonders die vanuit Parijs op hen af werden gezonden. Hoewel ze al in 1704 het onderspit moesten delven, bleef het nog ruim vijf jaar onrustig in de Cévennen. De steenkolenwinning kwam pas na 1744 weer enigszins op gang, nadat men van overheidswege begonnen was met concessieverlening om tot schaalvergroting te komen, met als resultaat dat er in 1760 vijftien kleine ondernemingen actief waren. Van pre-industriële mijnbouw was pas sprake toen Pierre-François Tubeuf in 1774 een concessie kreeg voor dertig jaar. Naast betaling van een vergoeding aan de grondeigenaren moest hij jaarlijks ook achthonderd pond bijdragen aan de totstandkoming van de Ėcole Royale des Mines, ofwel de koninklijke mijnbouwschool in Parijs. Tubeuf had ruime ervaring opgedaan in de mijnen van Décazeville, waar hij het gebruik van schachtbokken (chevalements) en ondergronds transport met door muildieren getrokken karren op houten rails introduceerde. In de Cévennen liet hij ingenieurs uit Duitsland en Engeland komen om moderne schachtenstelsel te ontwerpen, waardoor dankzij drainage en ventilatie een diepte van zestig meter bereikt moest kunnen worden. Toen hij echter in 1777 opdracht gaf om de kleine mijngangen te dichten waarmee inwoners uit de streek steenkool voor eigen gebruik dolven, kwamen deze massaal in opstand en werden daarbij heimelijk gesteund door de Hertog van Castries. Dit conflict liep zo hoog op dat Tubeuf met stenen bekogeld werd en daarbij een oog verloor. Als voormalig maarschalk en minister gebruikte de hertog zijn goede contacten met het hof om de concessie te laten opschorten door de koning, waarna hij deze zelf wist te verwerven. Gedesillusioneerd vertrok Tubeuf naar Amerika. Na het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 waren de rollen echter omgekeerd. De hertog moest het land ontvluchten en Tubeuf keerde terug om in zijn concessierechten hersteld te worden. Het was uiteindelijk zijn zoon die eigenaar werd van de steenkolenmijn van Rochebelle en daar een glasfabriek bij liet bouwen waarvan het ovengebouw behouden is gebleven dat tegenwoordig als ‘Verrerie d’Alès’ door het publiek bezocht kan worden. Dat laatste geldt ook voor de even verderop gelegen ‘Mine Témoin d’Alès’, weliswaar gelegen op het terrein van de vroegere mijn maar pas in 1945 aangelegd voor de opleiding van leerling-mijnwerkers.

Afbeelding 3: Briefkaart met afbeelding van één van de steenkolenmijnen van La Grande Combe. De gemeente ontstond in 1846 door samenvoeging van vier dorpen en werd genoemd naar het dal (‘combe’ in het Occitaans) van de Gardon waarin deze gelegen waren.
Halverwege de negentiende eeuw waren er twee ontwikkelingen die de industrialisatie van de mijnbouw in het steenkolenbekken van de Cévennen op gang brachten: De samenvoeging van een viertal dorpen tot de nieuwe gemeente La Grande Combe in 1846 en de aanleg van een spoorlijn door de ‘Compagnie des Mines de la Grande Combe et des chemins de fer du Gard’ vanaf 1836. Zoals blijkt uit de naam van de onderneming was de spoorlijn primair bedoeld om de steenkool die in de mijnen van La Grande Combe gedolven werd af te voeren, en wel via Alès en Nîmes naar de haven van Beaucaire, van waaruit het transport per binnenvaartschip over de Rhône werd voortgezet. Vijf jaar later was het project voltooid. Tussen 1850 en 1870 werd de lijn in noordelijke richting verlengd tot Clermont Ferrand, deels met veel tunnels en viaducten door het Massif Central, deels door het dal van de Allier. De grootste afzet van kolen bleef echter zuidwaarts plaatsvinden, vooral voor de marinevloot in Toulon en de koopvaardijvaart vanuit Marseille. Het handelsmerk voor de steenkool uit La Grande Combe werd daarom een anker dat geperst werd in de briketten die voor de verwarming van fornuizen en haarden verkocht werden. De mijnwerkers kregen deze gratis geleverd en ook voor voedsel, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg begonnen de mijnbouwondernemingen na 1900 zorg te dragen. Op religieus vlak hadden ze al eerder financiële ondersteuning gegeven bij de bouw van de ‘Ėglise Notre-Dame de l’immaculée Conception’, een kerk van kathedraalachtige proporties die in 1867 gereed kwam. Ondanks de geloofsvervolging had het protestantisme in de Cévennen na de Franse Revolutie weer een heropleving ondergaan en ook deze gemeenschap kreeg geld voor een godshuis, zodat haar ‘temple’ in 1868 de deuren kon openen. Het verbond tussen ‘kapitaal en kerk’ om op paternalistische wijze de mensen aan de mijn te binden bleef effectief tot de Eerste Wereldoorlog. Daarna waren socialisme en communisme zelfs in een geïsoleerde regio als de Cévennen niet meer buiten de deur te houden. Vanaf 1918 begonnen de inwoners van La Grande Combe burgemeesters te kiezen die geen nauwe banden meer met de mijnondernemingen onderhielden en slaagden socialisten, en in 1935 zelfs communisten, er in om gemeenteraadszetels te veroveren.

Afbeelding 4: Op 21 oktober 1948 was de Ricard-schacht het decor van een gewelddadige confrontatie tussen ordetroepen en stakende mijnwerkers die het complex probeerden te bezetten, waarbij vele tientallen gewonden vielen.
Ondanks de economische recessie gaf de Compagnie des Mines de la Grande Combe in 1932 opdracht tot aanleg van een nieuwe schacht met een diepte van achthonderd meter. Deze ‘Puits Ricard’ , genoemd naar grootaandeelhouder Joseph Ricard, kwam gereed in 1935, maar raakte drie jaar later tijdelijk buiten gebruik nadat de schachtbok was verwoest door een brand waarbij twee doden vielen. Om dit in de toekomst te voorkomen koos men voor een nieuw exemplaar met een fundament van gewapend beton dat door een mijnbouwingenieur uit Luik was ontworpen. Deze Charles Tournay had er al verschillende op zijn naam staan, zowel in België als in Frankrijk, maar deze werd zijn laatste, want tijdens een inspectie op 9 maart 1939 viel hij van een stelling en vond daarbij de dood. Tijdens de Grote Mijnwerkersstaking van 1948 vond er in de ‘Puits Ricard’ een gewelddadig treffen plaats tussen stakers en ordetroepen. Dit arbeidsconflict was uitgebroken vanwege de zware inspanningen die gedurende de wederopbouwjaren van de mijnwerkers gevraagd werden, zonder dat hier een substantieel hogere beloning tegenover stond. In de maanden oktober en november namen door heel Frankrijk ruim driehonderdduizend van hen deel aan de staking. Op veel plaatsen kwam het tot botsingen met de politie, waarbij zes doden vielen en drieduizend stakers werden gearresteerd. In La Grande Combe liep het op 21 oktober uit de hand toen de stakers de Richard-schacht opnieuw probeerden te bezetten, nadat ze er eerder op bevel van minister Jules Moch uit verwijderd waren. Door het verrassingseffect vielen er aanvankelijk vele tientallen gewonden onder de ordetroepen, hoewel die uiteindelijk voor een tweede maal het mijncomplex wisten te ontruimen.

Afbeelding 5: De ophaalmachine van de ‘Puits Ricard’ bracht de steenkool vanaf een diepte van achthonderd meter naar boven.
Twee jaar eerder waren alle steenkolenmijnen in Frankrijk genationaliseerd. In de Cévennen ging het om acht bedrijven die in handen van de staat kwamen, namelijk die van Bessèges, Cessous, La Grande Combe, Alès-Nord, Rochebelle, Lalle, Trélys en Palmasalade met in totaal ruim twintigduizend mijnwerkers. Dankzij modernisering en rationalisatie wisten deze in 1958 nog een gezamenlijk productierecord te bereiken van 3,3 megaton steenkool, waarvan La Grande Combe één miljoen ton (1 megaton) voor haar rekening nam. Het waren jaren van voorspoed waarin de gemeente, die toen zeventienduizend inwoners telde, veel sociale huurwoningen en appartementencomplexen liet bouwen, zoals de gehele wijk Trescol. De opkomst van andere energiebronnen, in eerste instantie aardolie, maakte aan deze naoorlogse bloeiperiode een einde en in 1968 sloot de mijn van Rochebelle als eerste haar poorten. Tien jaar later was het de beurt aan de ‘Puits Ricard’ en met de sluiting van die van Oules in 1985 kwam er een einde aan de steenkolenwinning in de Cévennen. Dit had grote economische gevolgen voor La Grande Combe, waar amper alternatieve werkgelegenheid voor handen was. In de afgelopen veertig jaar is haar bevolking teruggelopen tot minder dan vijfduizend zielen en bedraagt de werkeloosheid ruim veertig procent. Een klein lichtpuntje daarin was de restauratie van het Ricard-schachtcomplex die tussen 2010 en 2012 plaatsvond, waarna het als museum openging voor het publiek.

Afbeelding 6: Ook in Saint-Martin-de-Valgalgues, nu een voorstad van Alès, is een ‘chevalement’ behouden gebleven. Hier betreft het een schachtbok van de ‘Puits Fontanes’, behorende bij de ‘Mine de Ladrecht’, waar in 1981 de mijnwerkers na dertien maanden staken hun werkgelegenheid wisten te behouden dankzij exploitatie van een nieuwe steenkoollaag met negen miljoen ton antraciet.