Breda

In 2010 kwam met de volledige sloop van de CSM-fabriek een einde aan ruim een eeuw suikerproductie in Breda. Net als veel andere suikerfabrieken in West-Brabant kreeg ook de ‘Wittouck’ een groot deel van haar bieten over het water van de Mark aangevoerd, die tot aan Breda bevaarbaar is. Meer dan de helft van de drieëntwintig suikerfabrieken die in de ‘Suikerhoek’ van Brabant actief zijn geweest, lagen in het stroomgebied van deze rivier (die als ‘Dintel uitmondt in het Volkerak), dat daarom met recht als industrielandschap betiteld mag worden. Maar terwijl andere plaatsen in deze regio zich overwegend tot industriestadjes ontwikkelden, bleef Breda toch een wat ‘chiquere’ stad die ook wel als het ‘Haagje van het Zuiden’ werd bestempeld. De aanwezigheid van een relatief koopkrachtig publiek van officieren en ambtenaren in de stad en veel tuinbouwbedrijven op het omliggende platteland zette ondernemers er toe aan om de in Breda geraffineerde suiker in eindproducten te verwerken zoals conserven en suikerwerken. Bedrijven als Kwatta, Lonka, Beja, Van Melle, Hero en de Faam waren hier voorbeelden van en aangezien van laatstgenoemde het fabriekscomplex wél behouden is gebleven zal deze reportage hier nader op ingaan.breda-1Afbeelding 1: Fabriek van suikerwerken ‘De Faam’ gezien vanaf de Liniestraat. De schoorsteen verving in 1961 het oorspronkelijke exemplaar uit 1912 toen de capaciteit van het ketelhuis moest worden uitgebreid. 

Toen eind 1872 even ten noorden van de stad de ‘Bredasche Beetwortelsuikerfabriek van Aken, Segers en Compagnie’ in gebruik werd genomen, was vestiging op deze locatie nog maar sinds kort mogelijk. Bebouwing was in het schootsveld van de verdedigingswerken niet toegestaan en tien jaar eerder was er enkel een uitzondering gemaakt voor het treinstation omdat dit volledig uit hout was opgetrokken. Na opheffing van de vesting Breda in 1868 werden binnen enkele jaren tijd de stadswallen geslecht en kon de stad gaan groeien op het grondgebied van de buurgemeenten, wat aan de noordzijde de dorpen Princenhage en Teteringen waren. In de daaropvolgende decennia ontstond hier aan weerszijden van de spoorlijn een industriegebied, waarop de suikerfabriek als eerste neerstreek en zich later ook de Faam zou vestigen. Net als veel andere ondernemingen in deze beginjaren van de bietsuikerindustrie had ook die in Breda te kampen met een gebrek aan kapitaal en technische ervaring. In 1874 zagen de initiatiefnemers zich genoodzaakt om tot verkoop over te gaan en kreeg ook hier een Belgische suikerfabrikant de kans om zijn imperium uit te breiden: Felix Wittouck uit Sint-Pieters-Leeuw.  Deze bezat al een suikerfabriek in Bergen op Zoom (1863) en zijn zoons Frantz, Felix en Paul stichtten in 1871 een suikerraffinaderij in Wanze nabij Luik. Laatstgenoemde zoon kreeg in 1881 van zijn vader ook het beheer over de Bredase suikerfabriek, die inmiddels uitstekende draaide dankzij de inspanningen en expertise van de Duitse suikeringenieur Springer. Het succes waarmee Paul Wittouck de onderneming verder uitbouwde berustte op twee pijlers: raffinage en schaalvergroting. Terwijl de concurrenten in West-Brabant zich beperkten tot de productie van ruwsuiker voor verdere verwerking door raffinadeurs, onderscheidde Wittouck zich door in Breda zelf de suiker geschikt te maken voor consumptie. Daarnaast voegde hij in 1887 de fabrieken in Breda en Bergen op Zoom samen tot de ‘NV Sucreries de Breda et de Bergen op Zoom’ en breidde deze in 1908 met fabrieken in Oudenbosch en Stampersgat uit tot ‘NV Algemeene Suiker Maatschappij’ (ASMij). De laatste consolidatieslag, waarbij in 1919  alle particuliere fabrieken opgingen in de Centrale Suiker Maatschappij (CSM) om zich staande te houden tegenover de coöperatieve fabrieken, maakte Paul Wittouck niet meer mee. Door overcapaciteit en internationale handelsbarrières braken de moeilijke jaren van het interbellum voor de sector al in de jaren twintig aan en tijdens de campagnes van 1925 t/m 1928 werden er in Breda geen suikerbieten verwerkt. Dankzij haar raffinageactiviteiten en doortastend optreden van directeur C.J. Asselbergs (1907-1932) wist de fabriek te overleven en dat betrof ook de crisis- en oorlogsjaren waarin diens zoon C.M. Asselbergs (1932-1963) de leiding had overgenomen. De naoorlogse periode kenmerkte zich door groei en efficiencyverhoging, waardoor het complex een grote gedaanteverandering onderging. Dat gold vooral toen eind jaren zestig voor de aanleg van het hoogspoor de spoorlijn tientallen meters naar het noorden opschoof en de suikerloodsen werden vervangen door twee grote opslagsilo’s die de skyline van Breda nog vier decennia zouden blijven domineren. Want zo lang hield de fabriek het nog vol, tot ze na de eeuwwisseling samen met die van Hoogkerk in Groningen het overgebleven tweetal van de CSM was. De campagne van 2004 was de laatste en twee jaar later werd de CSM overgenomen door Cosun, het moederbedrijf van concurrent Suikerunie, die de Bredase fabriek in 2010 liet slopen. Omdat door opeenvolgende moderniseringen nauwelijks iets van de oorspronkelijke ‘Wittouck’ resteerde en de locatie waardevol is uit oogpunt van stadsvernieuwing kwam het complex niet in aanmerking als industrieel erfgoed.breda-2Afbeelding 2: Luchtopname van de fabriek, nadat in 1941 de productiehal is voorzien van een representatieve buitenmuur, maar voordat in 1949 aan de achterzijde een nieuwe hal met fuséedak werd toegevoegd voor de gomkokerij.

Dat was wel het geval met de fabriek voor suikerwerken De Faam toen daar drie jaar later de productie werd beëindigd. Aanzienlijk kleiner van omvang en in de nabijheid van een nieuw te bouwen treinstation met kantoorlocatie, leende het zich uitstekend als broedplaats voor ondernemers in de creatieve sector. Daarbij komt dat complex nog in belangrijke mate uit de originele gebouwen van 1912 bestaat, met een representatieve gevelwand aan de zijde van de binnenstad. Dat de wortels van het bedrijf volgens de overlevering driekwarteeuw verder in het verleden zouden liggen blijft enigszins discutabel. In het jaar 1838 opent Henricus de Bont weliswaar een banketbakkerij in Breda, maar van een suikerwerkenfabriek is pas voor het eerst sprake in 1853, opgericht door zoon Petrus,  en het merk ‘Faam’ wordt past in 1858 geïntroduceerd. Wel stond de banketbakkerij aan de basis van twee toonaangevende zoetwarenbedrijven, want naast De Faam kwam ook De Kwatta er uit voort. Het was de naam van een plantage in Suriname die de cacao leverde aan de ´Stoomfabriek van Chocolade en Suikerwerken´ die kleinzoon Pieter de Bont in 1881 liet bouwen aan de Middellaan naast de Bredase gasfabriek. Aanvankelijk produceert deze onder de  naam ‘Chocolat P.A. de Bont’, maar als na de eeuwwisseling de merknaam Kwatta dankzij de populaire chocoladerepen met het ‘Kwattasoldaatje’ – die o.a. als ‘manoeuvre-repen’ aan het Nederlandse leger worden geleverd – nationaal en internationaal een begrip wordt, neemt de onderneming deze naam over. Om aan de vraag te kunnen voldoen is zelfs een tweede fabrieksgebouw nodig, dat tussen de spoorlijn en de ‘Wittouck’ verrijst en in 1921 wordt geopend.  Na de oorlog betekent de opkomst van nieuwe chocoladeartikelen zoals de candybars een geduchte concurrentie voor De Kwatta. Na sluiting in 1976 worden beide fabriekscomplexen enkele jaren later afgebroken.breda-3Afbeelding 3: In 2013 werd het Suikeroompje weer even ‘van stal’ gehaald om het 175-jarig bestaan van het bedrijf op te luisteren. Aan het eind van dat jaar bleek het ook het laatste jubileum te zijn, toen moederbedrijf Astra-Sweets overging tot sluiting van de fabriek.

Het succesvolste artikel in de categorie suikerwerken van ‘Chocolat P.A. de Bont’ was pepermunt. De Engelsen waren ermee begonnen om deze tabletten voor medicinale doeleinden te maken uit een deeg van poedersuiker, Arabische gom en muntolie (vooral uit Mitcham bij London). Verkoop vond plaats in apotheken en drogisterijen onder hoog accijnstarief. Toen dat tarief in 1852 werd verlaagd, ontstond er onder banketbakkers belangstelling om het voor hun klanten te gaan maken. Zo ook Petrus de Bont, die er zelfs een tabletteermachine voor ontwikkelde en in 1857 liet patenteren. De merknaam Faam waaronder hij zijn pepermunt verkocht was geïnspireerd op ‘Fama’, de godin van de roem uit de Romeinse mythologie. Door het stormachtige succes van de Kwatta-chocoladerepen zag zijn zoon Pieter zich genoodzaakt om in 1912 de suikerwerken af te splitsen en onder te brengen in een nieuwe fabriek die hij liet bouwen aan de weg naar Terheijden op grondgebied dat toen nog tot de gemeente Teteringen behoorde. De nieuwe fabriek werd opgetrokken rond een betonskelet, gebouwd door de Bredasche Beton Maatschappij, en bestond uit een grote productiehal met lichtkappen, ketelhuis met machinekamer en kantoorgebouw met inpakzaal daarboven. De ketel leverde niet alleen stoom aan de twee machines van 100 en 40 pk, maar ook aan de droogkamers en de gomkokerij. Laatstgenoemde afdeling zou later ondergebracht worden in een aparte hal met een zogenaamd Fusée Céramique-dak, opgebouwd uit stenen kruiken en toegedekt met een laag cement. Het interieur van de grote productiehal werd gedomineerd door melangeurs voor het mengen van het deeg, tabletteermachines om een continue deeglaag tot pillen te stansen en drageermachines om deze van een glanzend laagje te voorzien. Opmerkelijk genoeg was het kantoorgebouw met entree niet op het westen (Terheijdenseweg) of zuiden (Liniestraat) georiënteerd, maar op het oosten met uitzicht op een weiland. Deze situatie werd al in 1929 aangepast door aan de oostzijde van het complex een kantoorpand met monumentale gevel aan de Liniestraat te bouwen, met daarachter schaft- en kleedlokalen en een expeditieruimte. Ruim tien jaar later kreeg ook de productiehal aan de beide straatzijdes een meer representatieve uitstraling dankzij muren van gele bakstenen met tweemaal drie ronde ramen en de bedrijfsnaam uitgevoerd in mintgroene belettering. Tot op de dag van vandaag heeft de fabriek dit aanzicht behouden. Naast pepermunt produceerde de fabriek zoute en zure drops (zuurtjes), winegums, tum-tum (strooigoed), jujubes, ulevellen en (tot 1934) ook chocoladerepen onder de merknaam ‘Faam’. De belangrijkste concurrenten op pepermuntgebied waren Veka in Rotterdam, Klene in Amsterdam, Bonera in Gouda, Red Band in Roosendaal en King in Sneek (die ook het merk ‘Rang’ voerde en waarvan de monumentale Tonnemafabriek behouden is gebleven), terwijl het Duitse Haribo uit Bonn zich ook op de Nederlandse markt voor zoetwaren manifesteerde. Omdat hun recepturen nauwelijks van elkaar afweken, was het vooral zaak om onderscheidend te zijn met verpakkingen en reclame-uitingen. Wat het eerste betreft liep de Faam voorop met haar rolverpakking, eerst voor pepermunt maar later ook voor zuurtjes en dropjes. Deze werd ruimschoots bij het publiek onder de aandacht gebracht met reclameaffiches en acties waarin autootjes met een levensgrote snoeprol op het dak kwamen voorrijden. Grote bekendheid had ook het karakteristieke Suikeroompje met zijn hoge hoed en monocle, dat de Faam tussen 1941 en 1966 als haar beeldmerk voerde. In 1964 ging het bedrijf over in handen van het Engelse George Basset & Co. Ltd., dat hiermee een productielocatie verkreeg binnen de EEG om zonder hoge invoerheffingen van deze nieuwe, gemeenschappelijke, markt te kunnen profiteren.  Deze onderneming ging in 1989 op haar beurt weer op in Cadbury, het iconische cacao- en chocoladebedrijf uit Birmingham. Tien jaar later tenslotte volgde verkoop aan Astra-Sweets uit het België, dat in 2013 besloot om de productie te verplaatsen van Breda naar haar thuisbasis in Turnhout. Vanwege haar beeldbepalende karakter plaatste de gemeente de fabriek op haar monumentenlijst. Sindsdien biedt het complex onder de naam ‘Talentenfabriek De Faam’ ruimte aan kleine ondernemers uit diverse sectoren.