Arnhem

Arnhem (1)Afbeelding 1: De voormalige steenfabriek Elden zal op korte termijn een nieuwe bestemming krijgen in recreatie- en natuurgebied Meinerswijk. 

Er zijn maar weinig steenfabrieken zoals die van Elden, die in een stedelijke omgeving stand hebben weten te houden. Weliswaar is in een recent verleden haar schoorsteen afgetopt, de rest van de vlamoven heeft nog altijd haar karakteristieke kenmerken en verkeert in een goede staat van onderhoud. BOEi (Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed) kocht het gebouw in 2015 en is sindsdien op zoek naar een nieuwe bestemming in de recreatieve of culturele sfeer. Voordeel daarbij is dat het uiterwaardengebied van Arnhem-Zuid, Meinerswijk-Stadsblokken geheten, inmiddels geschikt is gemaakt om de stadsbewoners in hun directe omgeving al fietsend of wandelend een natuurervaring te laten beleven. Bovendien ligt het recente en verre verleden er min of meer voor het oprapen, ondanks de grote kleiputten die de steenbakkerijen er hebben achtergelaten.Arnhem (2)Afbeelding 2: Zicht op Arnhem aan het einde van de jaren zeventig. De nieuwe stadsbrug, tegenwoordig Nelson Mandela brug geheten, is nog in aanbouw. Rechtsonder de steenfabriek Meijnerswijk die toen nog operationeel was. 

Deze zijn gegraven door de drie steenfabrieken die in dit gebied waren gevestigd in de periode 1874 tot 1980. De eerste was steenfabriek Gallantijnse Waard uit 1873 van de vennoten Verwaayen en Brantjes. Deze werd geheel ontmanteld na haar stillegging in 1975. Van de meer naar het oosten gelegen steenfabriek Meijnerswijk zijn een aantal loodsen nog steeds aanwezig. Deze fabriek stamt uit ongeveer 1874 en is in 1930 voortgezet als N.V. Vlamovensteenfabriek Meijnerswijk door Dirk Leccius De Ridder (zie reportage over Wageningen). In eerste instantie werd de klei voor de bakstenen nog met de hand afgegraven. Vanaf 1950 zette men echter steeds meer mechanisch materiaal in, zoals baggermachines en diesellocomotiefjes, waarmee de klei via smalspoor naar de fabrieken werd gereden. De bloei van steenfabriek Meijnerswijk was in de jaren zestig van de twintigste eeuw. In 1982 kreeg het bedrijf nog een vergunning om achttien hectare te ontgronden, ondanks protesten van organisaties voor natuur en milieu. Maar drie jaar later moest de fabriek haar deuren sluiten en kwamen de arbeiders op straat te staan. De fabriek is thans eigendom van projectontwikkelaar Phanos, die het gebouw gebruikt voor opslag van caravans, boten en auto’s. Eenmalig was in 2007 de fabriek het decor voor modeshows in het kader van de Arnhem Mode Biënnale. Het publiek werd toen met een veerpontje naar de fabriek gebracht. De derde steenfabriek is vernoemd naar het plaatsje Elden, waarvan de oude dorpskern tegenwoordig volledig door de nieuwbouw van Arnhem Zuid is omsloten. Net als de steenfabriek Malburgen in het naburige Huissen was die van Elden eigendom van een telg uit het bekende Nijmeegse steenbakkersgeslacht Terwindt. Deze ondernemersfamilie was voldoende kapitaalkrachtig om in de jaren twintig mee te gaan in de trend van ringoven naar vlamoven, ten einde aan de toenemende vraag naar klinkers te kunnen voldoen. De vlamoven van Elden dateert uit 1928 en is tot 1982 in gebruik gebleven.Arnhem (3)Afbeelding 3: Steenfabriek Elden gezien vanaf de noordelijke Rijnoever. 

Ook andere bedrijvigheid kwam tot ontwikkeling op de zuidelijke Rijnoever tegenover Arnhem. Zo bestond er in Stadsblokken vanaf 1889 een scheepswerf onder de naam ASM: De Arnhemse Stoomsleephelling Maatschappij. Aanvankelijk werden hier vooral ketelreparaties uitgevoerd en scheepsmachines gebouwd. Later ging de werf ook complete schepen afleveren. De ASM was aan het begin van de twintigste eeuw na kunstzijdeproducent ENKA de tweede grote werkgever van de stad. Bekendheid kreeg het bedrijf vooral door het bouwen van de tachtig meter lange Henri Dunant, het ziekenhuisschip van het Rode Kruis dat in 1973 van de helling liep. De Nederlandse scheepsbouw verkeerde toen al in een crisis. Ook de ASM ontkwam daar uiteindelijk niet aan en moest in 1979 haar poorten sluiten. Sinds 2015 is er rond de voormalige scheepshelling weer activiteit gekomen dankzij de stichting Stadsblokkenwerf. Deze exploiteert er tijdens de zomermaanden een paviljoen met theetuin, waar de bezoekers vanaf de Arnhemse Rijnkade met een veerpontje heengebracht kunnen worden. Nog voor de vestiging van de ASM had ondernemer Gerrit Coers in 1866 al een stoomzagerij opgericht in Stadsblokken onder de naam ‘De Nijverheid’. Een eigen gasfabriekje voorzag de zagerij vanaf 1869 van verlichting. Het bedrijf was gespecialiseerd in timmerwerk op schepen en beschikte over een eigen havenkom die nog altijd de naam van Coers draagt en waarin tegenwoordig tientallen woonboten zijn afgemeerd. Coers liet veertig arbeiderswoningen aan de Stadsblokkenweg bouwen, waarmee het de eerste woonwijk van Arnhem Zuid was. Personeelsleden die vanuit de stad dagelijks de rivier moesten oversteken deden dit tot 1935 over een schipbrug ter hoogte van het buurtschap De Praets. Deze brug bestond uit negentien ijzeren pontons met daarop een wegdek. Voor het laten passeren van de scheepvaart werden een aantal malen per dag enkele pontons uitgevaren. Eén daarvan is bewaard gebleven en ligt op het droge naast de Nelson Mandelabrug die sinds 1977 de oeververbinding ter hoogte van De Praets vormt. Veel spectaculairder dan dit ponton was de drijvende stuw die op het hoogtepunt van de Koude Oorlog in een speciaal daarvoor uitgediepte Defensiehaven lag. Deze maakte samen met de stuwen bij Olst in de IJssel en bij Ooij in de Waal onderdeel uit van de IJssellinie. Door Nederrijn, Waal en IJssel op deze manier af te sluiten, kwam het water in laatstgenoemde rivier zo hoog komen te staan dat zich over een lengte van honderd kilometer een vijf kilometer brede inundatie zou vormen, waarmee men de tankdivisies van het Warschaupact tot staan hoopte te brengen. De stuw bestond uit een drijvend stalen ponton met kleppen dat met lierkabels de rivier op kon worden getrokken. Eenmaal op de juiste plek werden de kleppen geopend en zonk het gevaarte op een betonnen drempel op de rivierbodem. Het geheel werd daarna nog verstevigd met zand en met dwars op de rivier afgezonken binnenvaartschepen. Om in geval van oorlog sabotage door vijandelijke luchtlandingstroepen te voorkomen bevonden zich op beide oevers luchtdoelkanonnen en tankkazematten. Laatstgenoemde versterkingen bestonden uit afgedankte Shermantanks uit WOII die men in had gegraven en voorzien had van een betonnen omhulling. Een aantal hiervan zijn nog terug te vinden in de polder van Meinerswijk, net als een zogenaamde overlaatdijk waarmee het peil van het opgestuwde water onder controle gehouden kon worden. Het militaire belang van de IJssellinie nam af toen West-Duitsland in 1955 toetrad tot de NAVO en de verdediging tegen het Warschaupact in de Noord-Duitse Laagvlakte kwam te liggen. In 1964 werd dan ook besloten tot opheffing en in de daaropvolgende jaren werden veel onderdelen van de verdedigingsgordel afgebroken. Het was overigens niet de eerste keer in de geschiedenis dat zich in dit gebied een verdedigingswerk bevond. Al kort na het begin van de jaartelling bouwden de Romeinen als onderdeel van hun Limes een Castellum in Meinerswijk. In plaats van uit het oosten moesten toen invallen uit het noorden afgeweerd worden en functioneerde het verdedigingsstelsel niet tien maar vierhonderd jaar. Bij archeologische opgravingen in 1979 werden restanten hiervan in de bodem aangetroffen. Op basis daarvan is een reconstructie gemaakt die het publiek een indruk moet geven van de omvang en opbouw van dit fort.