Leipzig

Afbeelding 1: De Leipziger Baumwollespinnerei heeft zich sinds de eeuwwisseling ontwikkeld tot een broedplaats voor creativiteit en cultuur. Het uitgestrekte complex kwam in ruim twintig jaar tijd tot stand, nadat het eerste spinnerijgebouw (‘hal 20’, op de voorgrond) in 1884 gereed was gekomen.

Voor velen is Leipzig bekend om haar handelswarenbeurzen (Messe) en als centrum van drukindustrie, inclusief uitgeverijen en drukkerijmachinefabrieken. Echter, de oude koopmansstad in het Midden-Duitse bruinkoolgebied verwierf ook in de textielindustrie een belangrijke rol. Het ging dan met name om de tricotage-industrie, terwijl zich in de omliggende steden vooral fabrieken voor brei- en weefgoederen vestigden. Maar als men van Leipzig als textielstad spreekt, dan mogen in dat verhaal de katoenspinnerijen niet ontbreken. Deze bevonden zich in het westelijke stadsdeel Lindenau en behoorden tot de grootsten van continentaal Europa. Menig product dat in het voor- of najaar op de Messe gepresenteerd werd, kwam uit één van de plaatselijke textielbedrijven voort. Zo manifesteerde handelsmetropool Leipzig zich als draaischijf voor de export van textiel uit Saksen naar alle uithoeken van de wereld.Afbeelding 2: Vaak werd de omvang van fabriekscomplexen op prenten enigszins overdreven om te imponeren. Deze afbeelding is echter natuurgetrouw en de voormalige spinnerij vertoont ook vandaag de dag nog deze aanblik.

Het begon allemaal met de visie van enkele gedurfde industriëlen, die constateerden dat de vraag naar katoenproducten weliswaar sterk toegenomen was maar dat Duitsland de daarvoor benodigde garens nog altijd grotendeels importeerde, en wel hoofdzakelijk uit Engeland. De invoerheffingen die hierover betaald moesten worden waren hoog en daarom viel er voordeel te behalen door de ruwe katoen direct in Amerika of Egypte te kopen en deze zelf tot garen te laten verwerken. Temeer daar de lonen in Duitsland lager,  en de werkdagen langer waren dan in Engeland. Kortom, zij achtten de tijd rijp om grootschalige spinnerijen te bouwen die konden concurreren met de Engelse als het ging om het beleveren van de katoenweverijen, niet alleen in Duitsland maar op het gehele Europese vasteland. Op 21 juni 1884 was de oprichting van de ‘Leipziger Baumwollspinnerie’ een feit, waarvoor het ondernemerscollectief een stuk grond kocht op het industrieterrein dat onlangs in het westen van de stad ontstaan was door het droogleggen van een drassig weidegebied. Het was voorzien van een spooraansluiting, riolering en beschikte over een eigen waterbron.

Binnen een jaar tijd verrees de eerste spinnerij (tegenwoordig aangeduid als ‘hal 20’) die was uitgerust met een productiecapaciteit van 30.000 spindels. Niet veel later kwam in de Thüringerstraße een onderkomen gereed voor de huisvesting van arbeiders en in de Alte Saltzstraße een kantoorgebouw voor het administratief personeel. Illustratief voor het succes was dat een tweede en derde spinnerij reeds in 1888 en 1889 geopend werden (nu resp. ‘hal 18 en 14’) en beschikten over respectievelijk 50.000 en 76.000 spindels. Daarna volgden in de jaren negentig nog een vierde-, en in 1907 nog een vijfde productiegebouw (nu resp. ‘hal 6 en 7’), waarvan de laatste speciaal voor naaigarens en uitgerust met 26.000 spindels. Kort na de eeuwwisseling bedroeg de jaaromzet tien miljoen Reichsmark en de aandeelhouders genoten een dividend van veertien procent. In een kwart eeuw tijd groeide de Leipziger Baumwollespinnerei uit tot de grootste van continentaal Europa met een capaciteit van 240.000 spindels, waarop zestienhonderd werknemers jaarlijks twintigduizend balen katoen verwerkten tot vijfduizend ton garen.

Het spinnerijcomplex was in alle opzichten modern te noemen. Zo was er een eigen vakschool, brandweerkorps en kantine waar maaltijden tegen kostprijs verstrekt werden. Een eigen centrale leverde stroom voor de elektrische verlichting, de werknemers konden zich wassen in een badhuis en hun conditie op peil houden in een sportpark met gymnastiekzaal. Om de sociale cohesie te bevorderen waren er een zangvereniging, muziekkorps en dansgezelschap. Met andere woorden, de fabriek ontwikkelde zich tot een stad binnen de stad, inclusief bedrijfswoningen met moestuinen, kinderopvang en medische zorg. Deze voorzieningen kwamen tot stand omdat er een grote behoefte bestond aan vakkrachten, die de bedrijfsleiding op deze manier aan de onderneming probeerde te binden. Ze werden aangetrokken vanuit andere textielregio’s, niet alleen uit Saksen maar ook Beieren, Württemberg, Polen, Tsjechië, Oostenrijk en Zwitserland. Dat leidde tot een multiculturele gemeenschap met een bonte verscheidenheid aan tradities, gerechten en feesten, maar op zijn tijd overigens ook vechtpartijen.  Het grote leger van ongeschoolde arbeiders moest het echter doen met een karig loon, hetgeen van tijd tot tijd aanleiding gaf tot arbeidsonrust. Zo leverde de strijd om de tienuren-werkdag veel beroering op en toen de grote socialistische voorman Karl Liebknecht ter ondersteuning in het naburige stadsdeel Plagwitz een rede hield, kwamen hier meer dan tweeduizend arbeiders op af.

Begin vorige eeuw was katoen uitgegroeid tot een van de belangrijkste producten op de wereldmarkt, waarvan Duitsland na Engeland de grootste importeur was. In een poging om minder afhankelijk te zijn van de sterke prijsschommelingen waaraan ruwe katoen onderhevig was, besloot de Leipziger Baumwollespinnerei eigen plantages op te zetten in Duits Oost Afrika, een kolonie die het keizerrijk zich in 1885 had toegeëigend en waar het huidige Tanzania uit is voortgekomen. Om de volledige behoefte te dekken zou een landbouwareaal van dertigduizend hectare vereist zijn, maar de koloniale overheid beperkte zich er voorlopig toe om er tienduizend aan de onderneming te verhuren. Die schakelde vervolgens een Engelse landbouwspecialist in, liet een egreneringsfabriek bouwen om de katoen te ontpitten en nam een bestaande plantage over om aan ervaren werkkrachten te komen. Ook voorzieningen als irrigatie, aanvoerwegen en spooraansluitingen vroegen om aandacht, en vooral hoge investeringen. Men begaf zich echter op volkomen onbekend terrein voor wat betreft de bodem, het klimaat en rassenveredeling, zodat het hele project al snel een experimenteel karakter kreeg. Eind 1908 arriveerden de eerste driehonderd balen in Leipzig, maar het jaar daarna liep uit op een teleurstelling toen als gevolg van een plantenziekte tweederdedeel van de oogst verloren ging.Afbeelding 3: De helft van het personeelsbestand van de spinnerijen bestond uit vrouwen.

Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stortte de aanvoer van ruwe katoen volledig in als gevolg van de Engelse zeeblokkade en om in ieder geval nog een deel van de tweeduizend arbeiders aan het werk te houden ging men zelfs tijdelijk papier als grondstof gebruiken. Zo slaagde de directie er in om 30.000 spindels operationeel te houden. Net als veel andere bedrijven werd in de loop van de oorlog ook de Leipziger Baumwollespinnerei ingeschakeld voor de munitieproductie, waarvoor in 1917 op het complex een fabriekje voor mijnen werd ingericht. De geleidelijke verbetering die zich na de oorlog inzette, werd begin jaren twintig verstoord door de hyperinflatie en aan het einde van dat decennium door stakingen tegen loonsverlagingen. Dit keer was het de communistische partij (KPD) die de stakers steunde en zelfs een clandestien krantje in de fabriek liet drukken met de toepasselijke naam ‘Die rote Spinne’. Eind 1931 reageerde de directie met een beproefd wapen binnen de sector: uitsluiting. Ze stuurde het voltallige personeel naar huis, na afspraken met andere werkgevers te hebben gemaakt om hen niet aan te nemen. Het nationaalsocialistische regime dat in 1933 aan de macht kwam rekende al snel af met de linkse politieke partijen en ook hun aanhangers binnen de Baumwollespinnerei vielen ten prooi aan deze staatsterreur. Het bedrijf maakte een korte bloeiperiode door, die zich ook nu weer kenmerkte door verbetering van de levensomstandigheden van de werknemers, zoals de invoering van gratis melk, kledingbonnen en kuuroordverblijf. Tijdens de oorlogsjaren die volgden waren deze voorzieningen niet meer houdbaar. Omdat het personeelsbestand voordien al voor tweederdedeel uit vrouwen bestond, kon de productie aardig op peil worden gehouden, ondanks rekrutering van hun mannelijke collega’s door de Wehrmacht. Concentratiekampgevangenen zijn er daarom nooit tewerkgesteld, buitenlandse dwangarbeiders daarentegen wel.

De schade als gevolg van luchtbombardementen bleef weliswaar beperkt, de inbeslagname van machines in het kader van herstelbetaling aan de Sovjetunie had echter ingrijpende gevolgen voor de productiecapaciteit. Onder druk van de Russische bezetter werd het bedrijfsleven genationaliseerd en ook de Leipziger Baumwollespinnerei werd een zogenaamd Volkseigener Betrieb (VEB). De textielindustrie vervulde een prominente rol binnen de planeconomie van de DDR en heropstart van het spinnerijcomplex had daarom hoge prioriteit. Temeer omdat Leipzig ten gevolge van de deling van Duitsland als handelsstad niet veel meer voor stelde en daardoor veel werkgelegenheid had verloren. Dat de personeelsomvang van de spinnerijen in de loop van de jaren vijftig al weer op vierduizend lag was dan ook zeer welkom. Het aandeel vrouwelijke arbeidskrachten lag op zo’n tachtig procent, hetgeen zelfs binnen de DDR – waar veel meer vrouwen deelnamen aan het arbeidsproces dan in het westen – uitzonderlijk hoog was. De bedrijfsleiding faciliteerde dit met uitgebreide kinderopvang binnen de fabrieksmuren. Zoals kenmerkend voor de bedrijvigheid in het gehele Oostblok was efficiëntie laag en hadden de economische processen die er aan ten grondslag lagen deels een kunstmatig karakter. Uiteindelijk was dit ook binnen het socialistische systeem niet meer vol te houden, al zette de neergang van de textielsector zich er wel veel later in dan het geval was in het westen. Toen in 1989 De Muur viel telde de Leipziger Baumwollespinnerei nog zestienhonderd werknemers. Vier jaar later kwam het bedrijf in handen van de Treuhandanstalt, het economisch saneringsorgaan van het herenigde Duitsland, dat er nog tot de eeuwwisseling synthetische garens voor autobandversterking liet produceren. Toen ook hier een einde aan kwam verloren de laatste veertig werknemers hun baan.

In de jaren negentig was er al een proces op gang gekomen om leegstaande bedrijfsgebouwen beschikbaar te stellen voor projecten, workshops en tentoonstellingen. Onder de slogan ‘From Cotton tot Culture’ kwam dit transformatieproces vanaf 2002 in een stroomversnelling en vestigden zich er kunstenaars, handwerkslieden, ontwerpers en creatieve ondernemers. Er werden ondersteunende faciliteiten opgezet zoals een fietsenwerkplaats, winkel en eetcafé. Om publiek aan te trekken kwamen er galerieën, een bioscoop, danstheater en toneelzaal. Twee spinnerijgebouwen (hal 7 en 14) ondergingen een sanering om ze voor deze nieuwe doeleinden geschikt te maken, hoewel twintig jaar later delen van het uitgestrekte complex nog altijd een vervallen indruk maken. Dat het project soms ook tegen grenzen aan loopt bleek toen pogingen om het Leipziger Naturkundemuseum er onder te brengen uit kostenoverwegingen gestaakt moesten worden.Afbeelding 4: Wie tegenwoordig door de fabrieksstraat van de Leipziger Baumwollespinnerei loopt krijgt de indruk dat de tijd er heeft stilgestaan.

Niet ver verwijderd van de Baumwollespinnerei, in het stadsdeel Plagwitz, staat een tweede complex van textielfabrieken die zich langs beide oevers van de Weiße Elster uitstrekken en door middel van een loopbrug met elkaar verbonden zijn. Het werd gebouwd in opdracht van de ‘Sächsische Wollgarnfabrik Tittel & Krüger’ in een representatieve architectuurstijl die men niet verwacht binnen de textielindustrie. De gevels zijn namelijk versierd met banden van  witte natuursteen, waarmee eveneens de vensterpartijen omlijst zijn. Ook de spitsen van de torenvormige trappenhuizen zijn esthetisch veel verfijnder uitgevoerd dan de doorsnee spinnerijtorens. Daarom heeft het complex meer gemeen met een chique woonblok uit de Gründerzeit dan met een fabriek uit deze periode. Dat de grondleggers van de onderneming kozen voor deze uitbundigheid heeft waarschijnlijk te maken met de branche waar ze uit voortkwamen, namelijk de handel in tapijten en passementen op basis van dure Kashmir- en Mohairwol. De productie van deze garens in allerlei kleuren bleek echter eveneens een lucratieve aangelegenheid te zijn en daarom richtten Carl Augustin Tittel en August Andreas Krüger in 1869 een fabriek op om deze door middel van kammen, spinnen en verven samen te stellen uit hoogwaardige wol.

Aanvankelijk was de onderneming nog in de Leipziger binnenstad gesitueerd, maar toen door de aanleg van het Karl-Heine-Kanal (verbinding tussen de rivieren Elster en Saale) de buurgemeente Plagwitz zich ontwikkelde tot een aantrekkelijke industrielocatie, besloten beide heren hun bedrijf daar te vestigen. Ze kochten een stuk grond tussen de Nonnenstraße en Weiße Elster, nabij de kanaalaansluiting, en lieten daar een stoomververij optrekken. De zaken gingen zo voorspoedig dat ze in 1887 besloten tot de bouw van een grote ‘Wollgarnspinnerei’.  Om het daarvoor benodigde geld bijeen te krijgen lieten ze hun onderneming omvormen tot een Aktiengesellschaft (naamloze vennootschap). Het architectenbureau Pfeiffer & Händel leverde het ontwerp voor dit prestigieuze project, dat bestond uit een draagconstructie van gietijzeren kolommen, bekleed met decoratieve baksteengevels aan zowel de straat- als rivierzijde. De bedrijfswoningen aan de Nonnenstraße werden daarentegen wat soberder uitgevoerd. Toen de fabriek in 1898 volledig operationeel was produceerden ruim vijfhonderd werknemers er jaarlijks zeshonderd ton tapijtgaren met een totaalomzet van twaalf miljoen Reichsmark. In 1906 onderging het complex een eerste uitbreiding aan de overzijde van de Weiße Elster, dit keer met een baksteenbouw rond een skelet van gewapend beton. Deze ‘Hochbau Süd’, gelegen aan de Holbeinstraße, werd doormiddel van een brug uit twee etages verbonden met de oorspronkelijke ‘Hochbau West’. Naast een kamgarenspinnerij en ververij omvatte de fabriek nu ook een tapijtweverij en afdeling voor het breien van sokken. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog stonden er bijna tweeduizend mensen op de loonlijst.Afbeelding 5: De Sächsische Wollgarnfabrik, nu bekend als de ´Elsterlofts´, gezien vanaf het water van de Weiße Elster, met links Hochbau West (voorgrond) en –Mitte en rechts het filtergebouw, ketelhuis (voorgrond) en Hochbau Süd.

De oorlog, en economische crisis die daar op volgde, leidden ertoe dat medio jaren twintig het personeelsbestand gehalveerd was. Andere bedrijven wisten deze periode überhaupt niet te overleven, zoals de Gummiwarenfabrik Phil. Penin aan de overzijde van de Nonnenstraße. De Sächsische Wollgarnfabrik nam de failliete onderneming over en breidde er haar complex mee uit. Tijdens de crisis van de jaren dertig daalde de vraag naar dure Kashmir- en Mohair-garens en ging men zogenaamde Zephir-garens produceren, een type dat werd gesponnen uit gerecyclede wol (in het Engels ook wel ‘Shoddy’ genoemd). Vanwege de schaarste aan grondstoffen tijdens de oorlog die volgde was men zelfs genoodzaakt om genoegen te nemen houtstofvezel als ‘Ersatz’. Bombardementsschade liep het complex in deze jaren niet op en al in de zomer van 1945 ging het bedrijf in opdracht van de Sovjet-bezettingsmacht weer wol verwerken. Twee jaar na de totstandkoming van de DDR werd het bedrijf officieel tot volkseigendom verklaard en ging verder onder de naam ‘VEB Leipziger Wollgarnfabrik’. Dit veranderde na 1969 in ‘VEB Buntgarnwerke Leipzig’ vanwege de samenvoeging met twee branchegenoten. Kort na de ‘Wende’ liet de Treuhandanstalt de productie naar Tsjechië verplaatsen, waardoor honderden medewerkers hun baan verloren en de gebouwen leeg kwamen te staan. Eind jaren negentig begon een omvangrijke saneringsoperatie om het complex geschikt te maken voor bewoning. Achtereenvolgens kwamen in Hochbau Süd, -West en het filtergebouw met ketelhuis respectievelijk 145, 180 en 49 lofts tot stand. Het sluitstuk volgde in 2012 toen in de Hochbau Mitte 115 woningen en 10 penthouses ondergebracht werden, waarna het ‘Venezia-quartier’ ging heten. Twee jaar later ontving het gehele herbestemmingsproject een prestigieuze prijs binnen de vastgoedwereld. Met een oppervlakte van vijftigduizend vierkante meter is het tot op de dag van vandaag het grootste industriële monument van Duitsland.Afbeelding 6: Briefpapier met daarop afgebeeld het fabriekscomplex zoals het er kort na 1900 uit zag vanaf de zijde van de Nonnenstraße.