Boussu

Boussu (6)Afbeelding 1: Het binnenplein van Grand Hornu met het standbeeld van Henri de Gorge, de arcadegalerij en de toegangspoort.

Tussen de riviertjes Trouille en Hene en de grens met Frankrijk ligt het Belgische steenkolenbekken van de Borinage. Het strekt zich van oost naar west uit van Mons (Bergen) tot Quiévrain. Reeds in de middeleeuwen werd in dit gebied steenkool gedolven, zoals volgens een kaart uit 1270 in de omgeving van Frameries. In de zeventiende eeuw werd de steenkool uit de Borinage al geëxporteerd naar het noorden van Frankrijk, Vlaanderen en Brabant. De mijnbouwondernemers werden echter telkens opnieuw voor het probleem gesteld dat de schachten die zij groeven na verloop van tijd volliepen met water. Zo ook in de omgeving van het dorp Hornu, waar omstreeks 1700 de kolenwinning werd gestaakt omdat men niet over effectieve middelen beschikte om het water weg te pompen. Een halve eeuw later wilde Pierre Tousaint Durieu uit Bergen het nogmaals proberen, dit keer echter met behulp van een ‘vuurmachine’, en hij sloot een contract met de Abdij van Saint Ghislain die de rechten op de grond bezat. Deze uitvinding van de Brit Thomas Newcomen deed de mijnbouw rond Hornu herleven en ze kreeg een industriële schaal na de introductie van de verbeterde stoommachine van James Watt. In 1812 was de concessie ten westen van die van Durieu in handen gekomen van Henri de Gorge, een vooruitstrevende ondernemer die er een industrieel complex tot stand wilde brengen, waar ook huisvesting voor de arbeidersgemeenschap onderdeel van moest uitmaken: Le Grand Hornu.Boussu (5)Afbeelding 2: Luchtopname van het imposante complex van Grand Hornu in zijn huidige toestand met de toegangspoort (1), de schoorsteen van de voormalige suikerfabriek (2), de machinefabriek (3), het kantoorgebouw (4) en de cité (5).

Zodra De Gorge het bewind over de mijn had overgenomen veranderde er veel in Grand Hornu. Hij investeerde grote sommen in het bedrijf en liet nieuwe schachten bouwen. Zijn opzichter Saussez slaagde er met een aantal ervaren mijnwerkers in om nieuwe steenkolenlagen te vinden die gunstig te exploiteren waren. Hierdoor groeide de productie ieder jaar en was De Gorge op weg om een van de grote industriëlen van de Borinage te worden. De gedolven steenkool was van uitzonderlijk goede kwaliteit en niet alleen geschikt als brandstof voor stoommachines, maar ook voor verwerking tot cokes in de ijzer- en staalindustrie. Voor het transport naar deze afnemers was de ligging van de mijn aan de weg van Bergen naar Valenciennes uiterst gunstig. Een andere weg leidde rechtstreeks naar Doornik aan de Schelde, de scheepvaartverbinding met Antwerpen. Het kanaal van Bergen naar Condé aan de Schelde, dat in 1816 gereed kwam, lag op slechts enkele kilometers afstand en De Gorge liet een spoorlijntje aanleggen om er de kolenkarren met paarden naar toe te trekken. Zoals gezegd beperkte zijn visie zich niet tot de mijnbouw. Begin jaren twintig breidde hij zijn bedrijf uit met een machinefabriek, omdat deze sector bij gebrek aan hoogovens nog maar zwak vertegenwoordigd was in de Borinage. Voor zijn bouwprojecten deed hij een beroep op architect Bruno Renard uit Doornik, die ruime ervaring had opgedaan in Frankrijk en zich vooral liet inspireren door de koninklijke zoutziederij in Arc-et-Senans van Claude-Nicolas Ledoux. De mijn- en fabrieksgebouwen die hij ontwierp vormden een harmonisch geheel met overwegend classicistische stijlkenmerken. Maar bovendien – en daarin was hij zijn tijdgenoten ver vooruit – wilde De Gorge rond het industriecomplex een nederzetting stichten voor zijn arbeiders. Overigens niet alleen gedreven door sociale motieven, maar ook uit noodzaak vanwege het personeelstekort dat zijn industrieproject bedreigde.Boussu (4)Afbeelding 3: Op deze negentiende-eeuwse prent zijn ook nog de mijngebouwen (midden) en de terril (links) te zien.

De steenkolenwinning bracht in de Borinage inderdaad een explosie van bedrijvigheid op gang, waardoor een tekort aan werkkrachten ontstond dat de gehele negentiende eeuw zou voortduren. De toestroom van landarbeiders, zowel uit Henegouwen als het naburige Frankrijk, was onvoldoende om dit op te heffen. De huisvesting van deze nieuwe arbeiders was problematisch en leidde tot het ontstaan van zogenaamde ‘corons’: slecht gebouwde, troosteloze, wijken rond dorpen en steden, waar mensen werden samengepakt en verstoken bleven van licht, lucht en het meest basale comfort. Dit was de hel van de Borinage, waarbij het dorp dat De Gorge liet bouwen sterk afstak en bijna als een paradijs kon worden beschouwd. Omstreeks 1830 had Grand Hornu vijfentwintighonderd inwoners van wie het merendeel gehuisvest was in het arbeidersdorp dat niet minder dan vierhonderd woningen telde. Tijdgenoten beschreven de woningen als gezond, praktisch, omringd met tuintjes, voorzien van een oven om brood te bakken en een put voor schoon water. De inwoners konden wandelen over brede, geplaveide straten en elkaar ontmoeten op twee pleinen die beplant waren met bomen en versierd met beelden. Er was een badhuis, een feestzaal, een bibliotheek, een ziekenhuis en een school die door tweehonderd kinderen bezocht werd. Hoewel men veel beter gehuisvest was dan in de ‘corons’, en er zelfs trots op was om tot dit dorp te behoren, waren de werkdagen in de bedrijven van De Gorge lang, de lonen laag en was men niet beter beschermd tegen ongevallen en beroepsziekten dan bij andere werkgevers. Gedwongen winkelnering in de levensmiddelenzaken en drankmisbruik in de kroegen die er in Grand Hornu eveneens waren, maakten het bestaan er ook niet beter op.Boussu (2)Afbeelding 4: Eén van de arbeiderswoningen die zijn originele gedaante behouden heeft.

Uiteindelijk had het fabriekscomplex van Grand Hornu een oppervlakte van vijf hectare en maakte er tussen 1851 en 1874 zelfs een suikerfabriek onderdeel van uit. Een monumentaal poortgebouw, volgens de classicistische bouwstijl voorzien van drie bogen en een fronton, gaf toegang tot een rechthoekige binnenplaats. Van daaruit voerde een tweede poort naar het grote, binnenplein dat omgeven werd door lage gebouwen met arcades. Deze cour d’honneur met in het midden een gietijzeren standbeeld van Henri De Gorge had de vorm van een hypodroom uit de oudheid. Aan de ene kant bevond zich de machinefabriek, aan de andere kant het kantoorgebouw met hoge vensters, koetsdeuren en een klokkentorentje. De fabriek bestond uit een machinekamer met schoorsteen en een grote hal, waarvan het dak gedragen werd door acht zuilen met Toscaanse kapitelen die afkomstig waren uit de abdij van Saint Ghislain. De woonwijk er omheen telde zes straten, waarvan er vier de omtrek van het fabriekscomplex volgden. De huizen waren oorspronkelijk allemaal in dezelfde gele kleur geschilderd, met onderaan een zwart-geteerde band. Ze hadden een tweedelige deur, die net als de ramen gevat was in een omlijsting van natuursteen. Daar weer omheen lagen de twaalf mijnschachten, enkele terrils en het woonkasteel van Henri De Gorge.Boussu (3)Afbeelding 5: Château du Grand Hornu, waar Henri de Gorge zelf in woonde.

Toen Henri de Gorge in 1832 plotseling stierf was hij één van de belangrijkste ondernemers van de Borinage. Een man met een vooruitziende blik die ten volle had weten te profiteren van de industriële revolutie. Kort voor zijn dood was hij nog tot senator gekozen en hij had ongetwijfeld nog een belangrijke rol kunnen spelen in de politiek. Omdat hij kinderloos stierf was zijn vrouw Eugénie Legrand enig erfgename. Met enige leden van haar eigen familie stichtte ze een maatschappij. Tot de sluiting van het complex in 1951 heeft deze familie Legrand het beheer uitgeoefend. Tijdens de steenkolencrisis die zich eind jaren vijftig inzette werden de mijnen in de Borinage één voor één gesloten en ook de daarmee samenhangende industrie ging ten onder. Schachten werden dichtgeworpen, terrils afgegraven en fabrieks- en mijngebouwen afgebroken. Maar Grand Hornu was in dit opzicht een uitzondering. De monumentale architectuur en harmonische eenheid deden steeds meer stemmen opgaan om dit voor verval te behoeden, hoewel de overheid daar geen middelen voor ter beschikking wilde stellen.  De redding kwam in 1971 van de zijde van architect Henri Guchez, die in 1929 in Grand Hornu geboren was en zich had opgewerkt tot een internationaal befaamd bouwmeester. Grand Hornu had hem al vele jaren gefascineerd en daarom vatte hij het plan op om het complex te restaureren om er te kunnen wonen en er zijn architectenbureau te vestigen. Ondanks veel moeilijkheden slaagde hij erin om dit plan te realiseren. Nadien zijn er ook ateliers en expositieruimtes voor kunstenaars, een concerthal en een conferentieruimte gecreëerd. Regelmatig vinden er tentoonstellingen plaats rond design en hedendaagse kunst. In 2012 werd het complex samen met drie andere voormalige steenkolenmijnen in Wallonië (Blegny Mine in Trembleur, Bois de Cazier in Charleroi en Bois du Luc in La Louvière) toegevoegd aan de werelderfgoedlijst van de Unesco. De meeste huizen zijn, nadat het bedrijf gesloten werd, door de bewoners gekocht. Ze zijn gemoderniseerd, maar sommige exemplaren hebben nog hun oorspronkelijke karakter behouden.Boussu (1)Afbeelding 6: Van de steenkolenmijn van Grand Hornu resteren enkel nog foto’s.