Lille

Vanaf de Franse stad Lille strekte zich eens een textielregio in noordwaartse richting uit tot aan het Belgische Gent. De oorsprong hiervan ging terug tot de middeleeuwen toen de grens met Frankrijk zuidelijker lag en dit hele gebied onderdeel uitmaakte van het graafschap Vlaanderen. De Vlaamse benaming Rijssel voor Lille, bekend van de snelwegborden aan Belgische zijde van de grens, dateert nog uit deze tijd en ook de vele gebouwen in Vlaamse renaissancestijl in haar stadshart roepen associaties op met bijvoorbeeld een stad als Antwerpen. Maar de Vlaamse namen van Roubaix en Tourcoing, Robaais en Toerkonje, zijn nauwelijks nog bekend bij het grote publiek. Dat dit, dankzij de opkomst van de textielindustrie, pas steden van formaat werden nadat ze al langer dan een eeuw tot het Franse territorium behoorden, zal hier zeker toe bijgedragen hebben. In België zijn het Gent, Kortrijk, Oudenaerde, Moeskroen en Ronse die reeds in de middeleeuwen bekend waren om hun textielnijverheid en waar later een industrie uit voort zou komen. Aanvankelijk betrof het in het middeleeuwse Vlaanderen vooral wol die uit Engeland geïmporteerd werd om tot lakense stoffen geweven te worden. Toen vanaf het eind van de middeleeuwen de Engelsen hier zelf toe overgingen, schakelden de Vlamingen deels over op de productie van linnen uit vlas dat op het omliggende platteland verbouwd werd. In de grote steden Gent en Rijssel handhaafde de lakennijverheid zich overigens beter dan in de kleinere centra omdat zij dankzij hun handelsnetwerk nog wel met wol  bevoorraad werden. Deze kwam vanaf de zestiende eeuw echter van Merinoschapen, aangezien de Nederlanden tot het Spaanse rijk waren gaan behoren. Voor de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België, zou deze situatie tot begin achttiende eeuw gehandhaafd blijven. De Noordelijke Nederlanden scheiden zich tijdens de godsdiensttwisten echter af en konden al snel een stroom textielwevers en –kooplieden uit Vlaanderen verwelkomen die door hun protestantse geloofsovertuiging geen toekomst meer zagen onder Spaans bewind. Dit betekende een gevoelige aderlating voor de Vlaamse textielnijverheid, maar voor Rijssel kwam daar nog bij dat Spanje vanuit de (Zuidelijke) Nederlanden menige oorlog uitvocht met Frankrijk, waarbij de stad in de frontlinie lag. Door de tanende macht van Spanje slaagde Frankrijk er in 1668 in om de stad definitief aan haar grondgebied toe te voegen, hoewel de volledige grens met de Nederlanden zich pas een halve eeuw later met de Vrede van Utrecht (1713) zou bestendigen.euratechnologies-2Afbeelding 1: Het spinnerijcomplex Le Blan-Lafont is na renovatie een bedrijfsverzamelgebouw geworden onder de naam ‘EuraTechnologies’. 

Dit verdrag betekende evenwel dat Vlaanderen nog een eeuw onder vreemde overheersing zou blijven van landen die op voet van vijandschap verkeerden met Frankrijk, waardoor de textielnijverheid van Lille genoodzaakt was om haar productie ook grotendeels in dit land af te gaan zetten. Vanzelfsprekend ondervond men daarbij concurrentie van andere Franse textielgebieden, zoals de Elzas (overigens ook een recente verovering) en Lyon. Pas na de onafhankelijkheid van België in 1831 ontstonden er weer intensieve relaties met de Vlaamse textiel, die zich toen echter van nijverheid naar industrie aan het ontwikkelen was. In navolging van Engeland was de jonge natie namelijk het eerste land op het continent dat zich was gaan industrialiseren, wat het voor de textiel in Lille interessant maakte om de oude banden weer aan te knopen. Door de blijvend gespannen relatie tussen Frankrijk en Engeland was het namelijk vrijwel uitgesloten om direct machines en kennis uit dat land te importeren, maar dankzij de voorsprong van België kon men dan toch indirect meeprofiteren van de ontwikkelingen in het overzeese ‘power house’.  Een ander aspect van de industrialisatie wat buurland België waardevol maakte voor de textielondernemers in Lille was de aanvoer van steenkool. De winning hiervan in het nabijgelegen Henegouwen betekende voor hen een competitief voordeel t.o.v. de concurrenten in de Elzas en Lyon die hun brandstof van aanmerkelijk grotere afstand moesten aanvoeren. Bovendien waren het ook Belgische mijnbouwondernemers die de eerste schachten aanlegden om in Noord Frankrijk steenkool te winnen, hoewel deze in kwaliteit inferieur zou blijken aan die uit eigen bodem. Lille profiteerde overigens ook van Belgische textielondernemers die er investeerden, vooral die uit Gent. Deze stad had zich tot katoencentrum ontwikkeld en mede dankzij Gents geld kon deze industrie ook in Lille opbloeien. Toen tenslotte aan het eind van de negentiende eeuw de textielindustrie in Lille en omstreken een ongekende expansie doormaakte was het de factor arbeid waarvoor ze een beroep kon doen op buurland België. Niet Lille zelf, maar haar noordelijke voorsteden Roubaix en Tourcoing ontvingen destijds vele duizenden arbeidsmigranten van het verarmde Vlaamse platteland met haar grote boerengezinnen.usine-le-blan-4Afbeelding 2: Een deel van de voormalige spinnerijen van Le Blan in Lille Moulins zijn sedert 1995 in gebruik door de rechtenfaculteit van de Universiteit. 

De vroeg-industriële ontwikkeling vond voornamelijk even ten zuiden van Lille plaats, waar tussen de wegen naar Arras (Atrecht) en Douai (Dowaas) in de loop van de achttiende eeuw tientallen molens verrezen, onder anderen voor het vollen en verven van laken en linnen. Tot op heden heet dit gebied, dat thans geheel binnen de stadsgrenzen ligt, dan ook nog steeds ‘Lille Moulins’. Een eeuw later werden deze vervangen door textielfabrieken, in hoofdzaak spinnerijen. Want hoewel de sector zo stormachtig zou groeien in de regio Lille dat alle stoffen met hun uiteenlopende bewerkingen en producten vertegenwoordigd waren, tekende zich toch een zekere ordening af. Deze hield in dat Lille naast haar traditie op het gebied van linnen ook katoen ging verwerken, maar dan met name tot garens. In Roubaix en Tourcoing daarentegen maakte de wolverwerking langs de volledige productieketen een sterke heropleving door en wel zodanig dat Roubaix rond de eeuwwisseling tot de tien grootste steden van het land was gaan behoren. De oriëntatie op de textiel was in beide steden echter veel eenzijdiger dan in Lille. Niet alleen was Lille van oudsher al een handelscentrum, maar naast de textiel kwam er ook een toeleverende industrie voor machinebouw en chemische producten van de grond. Het waren drie toonaangevende textielondernemersfamilies die hun stempel drukten op  Lille, namelijk de families Wallaert, Le Blan en Poullier Longhaye. De familie Wallaert vestigde zich in de achttiende eeuw vanuit Kortrijk in Lille en werd daar vanaf 1815 actief in linnen en katoen. Een eeuw later beschikte zij over drie spinnerijen van honderdduizend spindels (waarvan één in ‘Moulins’, rue de Douai) en een twijnderdij van vijfenzeventigduizend spindels waar in totaal bijna drieduizend arbeiders werkzaam waren. De belangrijkste en meest invloedrijke familie was ongetwijfeld die van de Le Blans, waarvan Paul en nazaten zich toelegden op het spinnen en twijnen van linnen terwijl broer Marcel de katoen voor zijn rekening nam. De familie Poullier Longhaye, eveneens spinners van zowel linnen- als katoen garens, onderscheidde zich met reclameaffiches getekend door vooraanstaande ontwerpers en voorzien van de merknaam P.L.usine-wallaert-1Afbeelding 3: Usine Wallaert, eveneens in Lille Moulins, huisvest tegenwoordig het Direction Departementales des Territoires et de la Mer du Nord.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog verschafte de textielindustrie in Lille werk aan twaalfduizend arbeiders in de linnensector (met een capaciteit van een kwart miljoen spindels) en tienduizend in de katoen (zevenhonderdvijftigduizend spindels). Daarnaast verdienden nog enkele duizenden hun brood in twijnderijen, ververijen, drukkerijen en appreteerinrichtingen. Door de ligging van Lille in de Duitse bezettingszone en tevens dicht bij het front, kwam de stad gehavend en geplunderd uit de Eerste Wereldoorlog. Dieptepunt was de ontploffing van een munitiedepot nabij het goederenstation St.Sauveur op 11 januari 1916 die op een afstand van meer dan honderd kilometer hoorbaar was en een krater sloeg van honderdvijftig meter diameter. Meer dan zevenhonderd huizen en twintig fabrieken in het naastgelegen stadsdeel Moulins werden verwoest of liepen zware schade op en er waren meer dan honderd doden te betreuren. Tot begin jaren dertig bleven er getroffenen aangewezen op barakkenwoningen. Hoewel de nieuwe textieltechnologieën van het interbellum, zoals de tricotage en synthetische vezels, ook in Lille toepassing vonden, bleek ook in Frankrijk dat net als in andere landen deze nieuwe industrieën hun grootste omvang juist buiten de traditionele textielcentra bereikten. Eveneens gelijkaardig aan de ontwikkelingen in de buurlanden waren de massaontslagen tijdens de depressie van de jaren dertig, de gedwongen productie voor de bezetter in ’40-’45 en de ongekende omzetgroei van de wederopbouwjaren, ofschoon de spreekwoordelijke ‘Trente Glorieuses’ voor de textielindustrie van kortere duur waren. Halverwege de jaren zestig zette de neergang zich in ten gevolge van overcapaciteit en concurrentie uit de Zuid-Europese landen. Dat Lille de ondergang van haar textielindustrie toch weer te boven is gekomen met nieuw elan heeft de stad o.a. te danken aan haar toenmalige burgemeester Pierre Mauroy.maison-folie-wazemmes-3Afbeelding 4: De spinnerij van Leclercq in het stadsdeel Wazemmes kreeg een nieuwe bestemming als cultureel centrum: Maison Folie Wazemmes.

Deze socialistische politicus besefte al vroeg dat leegstand van de textielfabrieken een funeste uitwerking zou hebben op de omliggende arbeiderswijken en wist reeds in de jaren zeventig een groot herbestemmingsproject te realiseren. Het ging daarbij om de voormalige spinnerijen van Le Blan die zich in Lille Moulins over een lengte van tweehonderd meter uitstrekten langs de Rue de Buffon (thans Allée de la Filature) en in 1967 buiten werking waren gesteld. Na renovatie werden er sociale woningen, een bibliotheekfiliaal, een restaurant en kantooreenheden in ondergebracht. Nadat Mauroy vanaf 1981 enkele jaren premier onder president Mitterand was geweest, wist hij daarna met succes nog veel grotere projecten voor zijn stad te bewerkstelligen, zoals de aanleg van een metrostelsel en de bouw van het futuristische Euralille rond het gelijknamige TGV-station. De rechtenfaculteit van de universiteit van Lille kreeg in 1995 een nieuwe behuizing in een andere textielfabriek van Le Blan in het stadsdeel Moulins. De aluminiumfaçade die daarbij tegen de voormalige spinnerijtoren werd gebouwd moet uit esthetisch oogpunt als minder geslaagd worden beschouwd. Een dergelijke fout werd tien jaar later niet meer begaan toen het enorme spinnerijcomplex van Le Blan-La Font geschikt werd gemaakt voor de vestiging van ‘EuraTechnologies’. De enige nieuwe toevoeging beperkt zich hier tot een groot glazen dak boven het binnenplein, zodat het gebouwencomplex van alle zijden nog haar oorspronkelijke karakter heeft behouden. Het werd tussen 1896 en 1900 in de kanaalzone van Lille gebouwd in de ‘Lancashire-stijl’ met twee forse watertorens, waarvan één met fabrieksklok. In het bedrijfsverzamelgebouw bieden zo’n honderddertig ondernemingen, waarvan veel startups in de hightech, werk aan bijna zeventienhonderd mensen. Een mooi voorbeeld van een kleine spinnerij in afwijkende bouwstijl is in het stadsdeel Wazemmes behouden gebleven. Het gaat om de ‘Filature Leclercq’ die van een wel heel rudimentaire watertoren voorzien was. Na renovatie is het onder de naam ‘Maison folie Wazemmes’ een cultureel centrum voor uiteenlopende kunstvormen.