Oldisleben

Afbeelding 1: De suikerfabriek van Oldisleben heeft niet alleen aan de buitenzijde zijn oorspronkelijkheid behouden, ook het machinepark binnen is nog grotendeels origineel.

De oorsprong van de bietsuikerindustrie ligt in het oosten van Duitsland, waar in de achttiende eeuw Andreas Marggraf en Franz Achard er in slaagden om kristalsuiker uit bietensap te winnen. Ook de best bewaard gebleven historische suikerfabriek van Europa is hier te vinden, en wel in het plaatsje Oldisleben. Met zijn authentieke productiegebouwen en originele stoommachines, kristalliseerketels, kalkoven en diffusiebatterij geldt deze fabriek als volstrekt uniek en op geen enkele andere plaats kan men een betere indruk krijgen van de technische ontwikkeling binnen deze sector dan hier. Verrassend genoeg is het behoud van dit industriële monument niet te danken aan historisch bewustzijn, maar aan de socialistische economie van de DDR. Door schaarste aan kapitaal en overaanbod van arbeid had de modernisering van machines vaak weinig prioriteit, zeker in een uithoek van het land als de deelstaat Thüringen. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de vele stoomlocomotieven die nog tot na ‘Die Wende’ bleven rondrijden op het Oost-Duitse spoorwegnet en na buitendienststelling vaak een tweede leven kregen op museumlijnen in West-Europa. Zo ook de fabriek van Oldisleben, waar men tot 1990 suiker bleef produceren met antieke installaties. Die worden ook nu nog regelmatig in werking gezet, maar dan voor het museumpubliek dat er een kijkje kan komen nemen.

Afbeelding 2: Zoals te zien op deze archieffoto was de fabrieksschoorsteen oorspronkelijk wat hoger.

Dat de suikerwinning uit bieten juist in Pruisen, het toenmalige koninkrijk dat territoriaal gezien gedeeltelijk samenviel met het latere Oost-Duitsland, tot stand kwam is geen toeval. Het land beschikte niet zoals Engeland, Frankrijk, Spanje en Nederland over koloniën waar suikerriet op plantages kon worden verbouwd, zoals in West-Indië. Omdat in de achttiende eeuw ook in Pruisen de consumptie van suiker toenam door de opkomst van exotische dranken als thee en koffie, was men aangewezen op import via de havens van bovengenoemde landen. De regering in Berlijn zag dit met lede ogen aan en stimuleerde wetenschappers in hun zoektocht naar alternatieven van eigen bodem, zeker toen tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1742-1748) er überhaupt geen suiker meer geleverd werd. In 1747 slaagde de chemicus Andreas Marggraf er in om een substantie te winnen uit het sap van de beetwortel (Runkelrübe) die na zuivering dezelfde zoete smaak opleverde als rietsuiker. Tot toepassing kwam het echter niet omdat er door de vredessluiting geen directe noodzaak meer toe bestond. Het zou nog vijftig jaar duren voordat het zo ver was en een leerling van Marggraf, Franz Achard, in 1797 het eerste suikerfabriekje opzette in Pruisisch Silezië. Wederom vormden oorlogsomstandigheden de directe aanleiding, ditmaal het conflict met revolutionair Frankrijk. Samen met de Napoleontische oorlogen die er uit voortkwamen was de import van suiker bijna twintig jaar verstoord, zodat er dit keer wel voldoende tijd was om teelt en verwerking een kans te geven. Keizer Napoleon ging zich er zelfs persoonlijk mee bemoeien toen hij na onderwerping van Pruisen over de kennis en ervaring van Franz Achard (die als afstammeling van hugenoten overigens zelf Franse wortels had) kon beschikken. Aartsvijand Engeland wist door een zeeblokkade continentaal Europa af te snijden van aanvoer uit de koloniën, waarop Napoleon de door hem veroverde landen verplichtte tot de teelt en verwerking van suikerbieten. Ook in Nederland en België dateren de eerste experimenten uit die periode. Hoewel er ook nu weer na het sluiten van de vrede volop rietsuiker Europa binnen stroomde, had de bietsuikerproductie zich definitief gevestigd, zij het voorlopig nog op bescheiden schaal. Franz Achard kon daar niet meer van profiteren. Zijn fabriek brandde in 1806 als gevolg van het oorlogsgeweld af en hij bleef met hoge schulden achter. Weliswaar kwam er in 1810 met steun van de Pruisische koning een nieuwe tot stand, inclusief een landbouwschool om boeren op te leiden tot suikerbietentelers, maar dit kon niet voorkomen dat Achard in 1821 in armoede stierf.

Afbeelding 3: Balansstoommachine uit 1882  voor de aandrijving van de pomp waarmee de kalkmelk naar de sapzuivering gevoerd werd. Ze werd geleverd door Maschinenfabrik Sangerhausen en beschikt over een vliegwiel van 2.7 m doorsnede en 25 tot 30 omwentelingen per minuut.

Pruisen behield vervolgens zijn voorsprong op het gebied van de bietsuikerindustrie. In navolging van Marggraf en Achard kwamen er nieuwe generaties landbouwwetenschappers. Die slaagden erin om door veredeling het suikergehalte verder op te voeren en bodemuitputting door bemesting te voorkomen. Chemici en technologen verbeterden de fabrieken en werkten hierbij nauw samen met machinefabrieken om installaties te optimaliseren. Halverwege de negentiende eeuw ontstonden er drie regio’s waar de suikerbietenteelt en –verwerking tot bloei kwamen: de Noord-Duitse Laagvlakte, het zuidelijke voorland van het Harz-gebergte (waar Oldisleben ligt) en de Magdeburger Börde. Laatstgenoemd gebied domineerde daarbij en het is dan ook de stad Maagdenburg die uitgroeide tot het centrum van de machinebouw voor de bietsuikerindustrie, met Röhrig & König als toonaangevende onderneming. Het bedrijf was van 1856 tot 1928 actief op dit vlak, waarvan de laatste twintig jaar als onderdeel van Maschinenfabrik Buckau AG. Het fabriekscomplex viel na de laatste eeuwwisseling grotendeels ten prooi aan sloop, waarbij slechts twee gebouwen behouden zijn gebleven. De machines en installaties die er gebouwd werden zijn nog op verschillende plaatsen terug te vinden, waaronder een enkele in Nederland. Voor een aantal fabrieken leverde Röhrig & König het volledige machinepark, zoals die van Zeitz (1858), Watenstedt (1864), Oldisleben (1872) en Biere (1875). In Oldisleben bevond zich al sinds 1836 een zogenaamde ‘Saftquetsche’, waar suiker uit bieten gewonnen werd door deze samen te persen en nu nog één gebouw van bewaard is gebleven. De uitvinding van de diffusiebatterij door de Oostenrijker Julius Robert, waarin de tot repen versneden suikerbieten geëxtraheerd werden in een continue tegenstroom van warm water, leidde in de tweede helft van de negentiende eeuw tot een nieuwe generatie fabrieken met een grotere productiecapaciteit. Zo kon de fabriek in Oldisleben na oplevering in 1873 driehonderdvijftig ton suikerbieten per dag verwerken, hetgeen na aanpassingen in 1889 verder toenam tot ruim vijfhonderd ton.

Afbeelding 4:  Verdampingskristallisatoren uit 1905 met houten isolatiewanden. Ze werden verwarmd met de afgewerkte stoom uit de machines.

Rond 1890 verwerkte de fabriek in één campagne zo’n veertigduizend ton bieten, waarvan driekwart uit eigen teelt, tot vijfduizend ton ruwsuiker. Na een volgende modernisering in 1903, dit maal uitgevoerd door Maschinenfabrik Sangerhausen, was men in staat om dagelijks zeshonderd ton bieten te verwerken. De elektrificatie van de fabriek ving aan in 1915 met de plaatsing van een generator voor verlichting en het aandrijven van de pompen. Deze heeft dienst gedaan tot 1990. Begin jaren twintig ging het bedrijf mee in de toenmalige trend (die toen ook in Nederland gaande was) om de ruwsuiker verder te verwerken tot witsuiker. Voorheen had men de ruwsuiker nog naar raffinaderijen verzonden om er kristalsuiker voor de consumentenmarkt uit te laten maken. De hiervoor benodigde installaties werden geleverd door de Braunsweigischen Maschinenfabrik. Na de Tweede Wereldoorlog behoorde de witsuikerfabriek Oldisleben tot de belangrijkste levensmiddelenproducenten van de deelstaat Thüringen. Het was ook tijdens de naoorlogse jaren dat het fabrieksgebouw zijn laatste veranderingen onderging. Zo werd een deel van de boogvensters vervangen door rechthoekige exemplaren en de snijafdeling vergroot door het dak te verhogen. Gelukkig bleef het bij deze beperkte aanpassingen, waardoor in honderdtwintig jaar tijd de aanblik van de fabriek nauwelijks is veranderd. De buitenmuren bestaan nog steeds uit blokken ‘Muschelkalk’ met rode zandsteen en zijn voorzien van rondboogvensters. De vloeren en daken bestaan uit houten balkconstructies die gedragen worden door gietijzeren kolommen. Bij een verdergaande elektrificatie in de jaren vijftig verdwenen helaas drie originele machines naar de schroothoop (een balansstoommachine, een plunjerpomp van de verdampingskristallisator en een dubbelplunjerpomp uit de pulpstroomleiding). Desalniettemin is het technisch erfgoed dat de bezoeker er vandaag de dag aantreft  bepaald indrukwekkend te noemen en geeft het een goed beeld van de stand der techniek in een suikerfabriek van een eeuw geleden.

Afbeelding 5: Zoals hier in het kookhuis (Siedehaus) goed te zien is beschikt de hele fabriek nog over een houten dakconstructie. Op het bordes is naast de opzichtersruimte één van de verdampings-kristallisatoren zichtbaar.

Startpunt van het productieproces was de bietenkelder (Rübenkeller) die uit 1923 dateert. De ruimte diende als buffervoorraad waarin de bieten na aanvoer vanaf de akkers gestort werden om daarna in een constant tempo verwerkt te worden. Een waterstroom transporteerde de bieten vervolgens door een goot, die gelijktijdig als wasserij dienst deed, waarna ze met een transportschroef naar de zolderruimte gevoerd werden. Daar bevindt zich nog altijd een weeginstallatie (1909) die manden tot een gewicht van vierhonderd kilogram vulde en hun aantal registreerde. Via een snijmachine belandden de bieten in reepjes bij de diffusiebatterij, die geplaatst werd in 1906 en de enige is die in Europa bewaard is gebleven, aangezien ze in andere suikerfabrieken na de oorlog vervangen werden door continu-installaties. De twaalf diffusors hebben ieder een inhoud van vijfenzestig hectoliter, staan in twee rijen achter elkaar geschakeld en werden om de acht minuten voorzien van vers bietensnijdsel.  Voor de zuivering van het ruwsap brandde men per dag twintig ton kalk in een oven die in 1898 door een Belgische firma geleverd werd. De grote vultrechter, waar naast kalksteen ook cokes door gestort werd, is eveneens behouden gebleven. De balansstoommachine die de kalkmelkpomp aandreef werd in 1882 gebouwd door Maschinenfabrik Sangerhausen en is daarmee de oudste machine in de fabriek. Naast kalkmelk werd ook het gas uit de kalkoven gebruikt voor de zuivering van het ruwsap, ook wel carbonatatie genoemd. Een liggende, ééncilinder-stoommachine uit 1918 dreef de compressor aan om dit kalkovengas hiertoe op druk te kunnen brengen. Na zuivering kwam het sap in verdampingskristallisatoren terecht die werden verwarmd met de afgewerkte stoom uit de machines en van houten buitenwanden voorzien zijn uit oogpunt van warmte-isolatie. De drie huidige exemplaren dateren uit 1905, de ééncilinder-stoommachine van de bijbehorende vacuümpomp uit 1903. Een stoommachine uit 1921 van de Braunsweigische Machinenbauanstalt was via drijfriemen en een transmissiesysteem verbonden met de centrifuges en de roerwerken in de acht koelings-kristallisatoren. Dit vloeide voort uit een ontdekking uit 1885 dat kristallisatie bevorderd kon worden door de vloeistof in beweging te houden. Alleen al het aantal van zes stoommachines in uitstekende staat van onderhoud maken de suikerfabriek van Oldisleben tot een bijzonder stuk industrieel erfgoed.

Afbeelding 6: Eind negentiende eeuw telde het Duitse Keizerrijk ruim vierhonderd suikerfabrieken, tegenwoordig nog maar twintig. Deze zijn in handen van drie ondernemingen, waarvan Südzucker AG de grootste is. Ook de fabriek van Oldisleben is eigendom van dit bedrijf, maar dan als industrieel monument met museale functie.