Overschie

Afbeelding 1: Van 1943 tot 1983 werd hier in de Spaanse Polder bij Overschie verf geproduceerd door de firma Tollens & Co. Tegenwoordig is de ‘Tollensfabriek’ een rijksmonument en doet dienst als bedrijfsverzamelgebouw.

Omdat de verfindustrie traditioneel tot de chemische sector wordt gerekend, mag een dergelijke fabriek uiteraard niet ontbreken in deze rubriek. Strikt genomen is er op die indeling overigens wel wat aan te merken, want in een verffabriek zal men geen reactoren (chemie) of destillatiekolommen (scheikunde) aantreffen. Maar aangezien het ontwikkelen van de juiste verfsamenstelling of het stoken van vernis of lak uit harsen en oliën de nodige kennis van de chemie vereist, is deze industrietak onmiskenbaar nauw met deze discipline verbonden. Als nijverheid was ze reeds in de zeventiende eeuw alom present in Nederland, getuige de vele verfmolens die er toen in de Zaanstreek te vinden waren. Daar werden de benodigde pigmenten vermalen en oliën geslagen uit grondstoffen die van heinde en verre werden aangevoerd. Uit enkele van deze pre-industriële veredelingsbedrijven, ook wel trafieken genoemd, kwamen later verfproducenten voort. De verffabriek in deze reportage ontstond echter uit een winkel voor schilderbenodigdheden die in 1748 aan de Goudsesingel in Rotterdam geopend werd door Johannes Jodocus Tollens die uit het Belgische Gent afkomstig was. Dertig jaar geleden is ‘Tollens’ weer naar dat land teruggekeerd, waar zich tegenwoordig in Temse het verkoop- en distributiecentrum van dit verfmerk bevindt. Aan de tweeëneenhalve eeuw die de onderneming in Nederland actief was herinneren in Rotterdam nog een voormalig fabrieksgebouw in Overschie en een standbeeld in Het Park. Het standbeeld is van Hendrik Tollens, de kleinzoon van de grondlegger van het bedrijf, die zich liever bezighield met de dichtkunst dan met het mengen van verf. Hij werd beroemd door zijn gedicht ‘Wien Neêrlands Bloed’, wat de tekst vormde van het gelijknamige nationale volkslied, totdat dit in 1933 plaats maakte voor het Wilhelmus. Aangezien deze website, in figuurlijke zin althans, kan worden beschouwd als een lofdicht op het industrieel erfgoed, beperken we ons hier tot eenvoudig proza om de geschiedenis van de ‘Tollensfabriek’ en haar voorgangers in de verf te zetten.

Afbeelding 2:  Reclameaffiche uit de jaren ’20 voor de verfproducten van Tollens.

Al eeuwenlang worden verven, lakken en vernissen samengesteld uit vier basisbestanddelen die ieder hun eigen functie hebben: pigmenten, bindmiddelen, harsen en oplosmiddelen. Dankzij hun kleur zijn pigmenten het meest zichtbare bestanddeel en in kunstzinnige toepassingen draait het grotendeels om deze eigenschap van de verf. Hun namen verwijzen vaak al naar de kleur die ze hebben en het mineraal waar ze uit gemaakt worden, zoals loodwit, zinkwit, titaanwit, antimoonwit, cadmiumgeel, chromaatgroen, ijzeroxiderood, ultramarijnblauw en beenderzwart. Halverwege de negentiende eeuw ging de chemische industrie ook kleurstoffen synthetiseren uit steenkoolteer zoals Hansageel, Toluïdinerood en Indanthreenblauw. In een gedroogde verflaag worden deze pigmentdeeltjes bijeengehouden door een bindmiddel. Het woord ‘drogen’ is enigszins misleidend omdat er nauwelijks verdamping optreedt, maar een chemische reactie waarbij de bindmiddelmoleculen met zuurstof uit de lucht een netwerkstructuur rond de pigmentdeeltjes vormen. Het bekendste bindmiddel is lijnolie, dat wordt gewonnen uit het zaad van de vlasplant. Andere ‘drogende’ oliën zijn Chinese houtolie, Braziliaanse oiticicaolie en ricinusolie. Hun eigenschappen zijn te verbeteren door ze gedurende enkele uren bij een temperatuur van driehonderd graden Celsius te verhitten. Deze behandeling, een Nederlandse uitvinding, levert een zogenaamde ‘standolie’ op en de verven die ervan bereid worden heten ‘standverven’. In feite komt het er op neer dat de drogingsreactie al gedeeltelijk plaatsvindt, wat te zien is aan de hoge stroperigheid (viscositeit) van de standolie. Om deze standverven toch nog met een kwast of roller te kunnen aanbrengen worden ze door de producent verdund met oplosmiddelen zoals terpentine, lakbenzine, tolueen, xyleen, alcoholen of esters. Voor het mengen van pigment, bindmiddel en oplosmiddel tot een verf wordt gebruik gemaakt van kneedmachines die bestaan uit een stelsel van stalen walsen om de bestanddelen onder uitoefening van hoge afschuifkrachten tot een homogeen substantie te vormen met de gewenste viscositeit.

Voor het beschermen van hout of metaal onder uiteenlopende omstandigheden volstaat een verflaag echter niet, omdat deze zelfs na volledige droging nog te zacht is. Toevoeging van een hars is voor dit soort toepassingen dan ook noodzakelijk om een harde, duurzame laag te creëren. Men spreekt dan niet meer van verf, maar van lak (met pigment) of vernis (zonder pigment). Al vroeg maakte men voor dit doel gebruik van natuurhars uit naaldbomen  (Damar, Colofonium) of in fossiele toestand (Congo-, Kauri- en Manilla-Copal). Door deze hars samen met het bindmiddel in een ketel te verhitten tot driehonderd graden Celsius ontstaat de lak of vernis. Vanaf begin vorige eeuw begonnen chemici kunstharsen te ontwikkelen die de natuurlijke varianten gingen vervangen zoals fenolharsen (bakeliet), ureumharsen, melamineharsen en ftalaatharsen. Met name de hoge eisen die gesteld werden door bouwers van auto’s, schepen en vliegtuigen leidden tot lakken en coatings die dankzij speciale samenstellingen en aanbrengtechnieken een hoge graad van bescherming bieden. Nu de onderzoekers en ontwikkelaars op dit gebied inmiddels wel de grenzen hebben bereikt, houden ze zich sinds de laatste eeuwwisseling vooral bezig met alternatieven die minder schadelijk zijn voor het milieu (zonder zware metalen) en de mens (oplosmiddelvrij).

Afbeelding 3: Ketels voor het stoken van standolie.

Wat Johannes Jodocus Tollens als eerste vervaardigde in de werkplaats achter zijn winkel aan de Goudsesingel was overigens geen verf, maar waren penselen en kwasten. Zijn klantenkring zal voornamelijk bestaan hebben uit huisschilders gezien het feit dat de Hollandse schilderkunst zich destijds op een dieptepunt bevond en Rotterdam sowieso nog geen artistiek milieu kende. Toen in 1778 zijn zoon Carolus ging deelnemen in het bedrijf, dat vanaf die tijd bekend kwam te staan als Tollens & Co, was het assortiment inmiddels uitgebreid met zelfgemaakte verven en vernissen. De vraag hiernaar groeide blijkbaar voorspoedig, want al enkele jaren later waren vader en zoon door ruimtegebrek genoodzaakt om buiten de stad een nieuwe werkplaats in te richten. Deze moet ongeveer hebben gelegen op de plaats waar later de Nieuwe Kerkstraat werd aangelegd. In 1780 werd kleinzoon Henricus Franciscus geboren, die na zijn kostschoolopleiding het vak van handelaar in verfstoffen ging leren bij een oom in Amsterdam. Deze zou zijn neef regelmatig op rijm hebben toegesproken en daarmee de kiem hebben gelegd voor diens dichtersbestaan, aldus een latere biograaf. Dat combineerde hij tot 1846 met het directeurschap van Tollens & Co en in die periode was er voor het eerst sprake van een fabriek waarin verf geproduceerd werd en die gevestigd was aan de Wijnhaven. De afscheiding van België in 1830 was niet alleen emotioneel een breuk met het vaderland van de familie, maar had ook zakelijke consequenties vanwege het verlies van klanten en leveranciers. Gezondheidsproblemen en gebrek aan belangstelling bij zijn zoons om hem op te volgen bezorgden Hendrik Tollens een aantal zware jaren, voordat hij het roer kon overgeven aan zijn schoonzoon Cornelis Laurentius Kolff.

Onder diens bekwame leiding kwam de onderneming tot grote bloei, zodanig dat deze verdeeld moest worden over twee locaties om te kunnen uitbreiden. De vernisfabriek werd in vergrote vorm overgebracht naar de Korte Kade en de verffabriek naar de Bierstraat. Deze situatie heeft maar tien jaar bestaan, want nadat een hevige brand de verffabriek in 1855 volledig verwoest had liet Kolff een nieuw complex voor de productie van verf én vernis bouwen aan de Boschhoek. Het betrof een voormalig bolwerk van de nooit voltooide vestingwal rond Rotterdam die er nog altijd herkenbaar is aan een knik in de Schiedamse Singel. Enkele opeenvolgende generaties Kolff bouwden deze Verf- en vernisfabriek Tollens & Co. verder uit totdat in 1940 wederom een verwoestende brand hier een einde aan maakte, ditmaal als gevolg van het Duitse luchtbombardement. De toenmalige directeur Cornelis Kolff besloot onmiddellijk om een nieuwe fabriek te laten bouwen in de Spaanse Polder nabij Overschie. De gemeente Rotterdam was al in de jaren dertig begonnen om deze polder tot een industrieterrein te ontwikkelen en Van Nelle was het eerste bedrijf dat er zich vestigde met zijn fabriek voor koffie, thee en tabak in functionalistische architectuurstijl.  Naar voorbeeld hiervan liet Kolff ook zijn fabriek op moderne wijze optrekken uit gewapend beton en voorzien van grote raampartijen voor natuurlijke lichtinval op de werkplekken.

Afbeelding 4: De fabriek van Tollens & Co aan de Boschhoek in Rotterdam die verwoest werd in het luchtbombardement van 14 mei 1940. Ook de schoorsteen van de nieuwe fabriek kreeg weer het logo met de letters T en C als versiering.

Bij het ontwerp van het nieuwe complex hield het architectenbureau Brinkman & van den Broek nadrukkelijk rekening met brand- en explosiegevaar door het op te delen in vier van elkaar gescheiden gebouwenblokken. Helemaal achter op het terrein bevond zich het magazijn voor nitrocellulosewol, de grondstof voor celluloselakken. Dubbele wanden en een uitermate licht dak moesten er voor zorgen dat in geval van een explosie de drukgolf zich verticaal het luchtruim in zou bewegen zonder letsel aan personen of schade aan omliggende gebouwen te veroorzaken. De opslagtanks voor de brandbare oplosmiddelen bevonden zich onder de grond, een veiligheidsmaatregel die tevens ruimte bespaarde. De opslagplaatsen voor olie en vernis waren eveneens op het achterterrein ondergebracht. Aan de voorzijde van het complex lagen naast elkaar de vernisstokerij (oost) en verffabriek (west), beiden met een kantoorgebouw aan de Overschieseweg.  Terwijl aan deze zijde eventueel bluswater kon worden gepompt uit de Schie, had men hiervoor aan de achterzijde van het terrein een blusvijver aangelegd, waarvan het water tevens een gracht vulde die verdere verspreiding van een vuurhaard diende te voorkomen.

De vernisfabriek bestond uit aparte afdelingen voor het stoken van standolie, vernis en kunstharsen. In eerstgenoemde afdeling stonden ketels met een inhoud van duizend liter opgesteld waarin charges van achthonderd kilo standolie bereid konden worden. Ze werden elektrisch verhit tot 300oC en de daarbij ontstane dampen werden via een kap en pijpleiding naar de grote fabrieksschoorsteen afgevoerd. De vernisstokerij maakte gebruik van kleinere ketels van driehonderd liter inhoud die bovendien verrijdbaar waren om de ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Ook de kunstharsafdeling kenmerkte zich door talloze ketels, waarvan één bijzonder grote met een hoogte van maar liefst drie meter voor de productie van ftalaathars, op basis waarvan Tollens haar Elastolin-lakken samenstelde. Deze kon binnen tien minuten geledigd worden via een leiding naar een tank van vijfduizend liter in het naastgelegen afdunlokaal. Die stond op zijn beurt weer via doseerpompen in verbinding met de ondergrondse oplosmiddelentanks, zodat de nog hete hars met behulp van een krachtig roerwerk direct verdund kon worden. Het aldus verkregen bindmiddel belandde tenslotte via filters in één van de 12000-litertanks van het vernismagazijn. Naast de 3000 kilogramcharges ftalaathars kwamen ook alle vernisstooksels via het afdunlokaal in het vernismagazijn terecht. Stokerij en afdunlokaal waren uit oogpunt van brandveiligheid hermetisch van elkaar gescheiden.

Het hart van de verffabriek werd gevormd door de grote productiehal die voorzien was van hoge raampartijen om kleuren onder natuurlijke lichtinval te kunnen beoordelen. Daar stonden in lange rijen de één-, drie- en vijfwalsen opgesteld waarvan de hardstalen rollen met water gekoeld konden worden om oververhitting te voorkomen. De hierop samengestelde verfcharges werden met afvulmachines in bussen en blikken gedoseerd. In een naastgelegen afdeling vond het mengen van kleurpigment en bindmiddel plaats. Ruim zeventig kleurpigmenten werden op voorraad gehouden in de kelder. Voor de bereiding van witte lakken was er een speciale mengafdeling op de eerste etage en opslag van witpigmenten op de tweede, die men ook wel de ‘witzolder’ noemde. Dit volume was namelijk veel groter dan dat van de kleurvarianten, hetgeen een apart, verticaal productieproces rechtvaardigde. Op de derde etage was een laboratorium ingericht voor controle van grondstoffen en de kwaliteit van eindproducten. Bovendien ontwikkelde men hier nieuwe recepturen die getest werden op hun weersbestendigheid door ze op het dak van de fabriek middels schuingeplaatste proefrekken aan de elementen bloot te stellen.

Afbeelding 5: Luchtopname van het fabriekscomplex uit de jaren vijftig met de vernisstokerij (1), het vernismagazijn (2), ondergrondse oplosmiddelentanks (3), magazijn voor nitrocellulose (4), ketelhuis (5), laboratorium met proefrekken (6), verffabriek (7), kantoren (8), acetyleenafvulhal van de naastgelegen AGA-gasfabriek (9), Overschieseweg (10), Schie (11) en blusvijver (12).

Na de oorlog ging Tollens & Co. zich toeleggen op huisschilder-, industriële- en scheepslakken. In 1960 werd het familiebedrijf omgezet in een naamloze vennootschap. Door overname van Amstellin uit Assen in 1966 ging Tollens tot de drie grootste muurverfproducenten van Nederland behoren. Het fabriekscomplex onderging nog een uitbreiding toen de bedrijfsgebouwen van het naastgelegen schoonmaakmiddelenbedrijf Glim vrijkwamen door verhuizing. Schaalvergroting en internationalisering binnen de verfindustrie brachten de onderneming tot samenwerking met een Britse branchegenoot en de naam veranderde in Tollens Coatings. Begin jaren tachtig werd de productie uit efficiencyoverwegingen overgeheveld naar verffabriek Wagemakers in Breda, die de Elastolin-lakken tot 1993 naast zijn eigen Teodur- en Teolin-lakken bleef produceren. Overname door het Franse Lafarge maakte hier een eind aan. De productie werd dit maal naar Frankrijk verplaatst, maar het verkoop- en distributiebedrijf voor de Benelux in het Belgische Temse draagt tot op de dag van vandaag de naam Tollens. De ‘Tollensfabriek’ bevindt zich nog altijd in Rotterdam-Overschie, maar dan als bedrijfsverzamelgebouw en vergaderlocatie. Ze werd na de eeuwwisseling op de rijksmonumentenlijst geplaatst, niet alleen uit architectuurhistorisch oogpunt (industrieel voorbeeld van de functionalistische bouwstijl), maar ook vanwege haar beeldbepalende waarde (prominente ligging aan de Schie).

Afbeelding 6: Productiehal van de verffabriek, met links de kneed- en vulmachines en rechts de mengvaten.