Geertruidenberg

geertruidenberg-2Afbeelding 1: Dongecentrale I uit 1919 (voorgrond), met daar boven uit stekend Centrale II uit 1931 (achtergrond). 

Na de Helpmancentrale in Groningen is de Dongecentrale in Geertruidenberg de tweede provinciale elektriciteitscentrale die een nieuwe bestemming krijgt. Bovendien gaat het in beide gevallen om centrales van de tweede generatie die ook nog eens in hetzelfde jaar operationeel werden: 1931. De provinciale elektriciteitsbedrijven die ze lieten bouwen, PEB en PNEM, werden kort na elkaar opgericht in 1913 en 1914 en waren daarmee de twee eersten in Nederland. Van de eerste generatie centrales die ze lieten bouwen resteert helaas niets meer, maar net als in Groningen was er ook nabij Geertruidenberg al een eerder initiatief om elektriciteit op te wekken waarvan de sporen nog wél zijn terug te vinden. Het gaat daarbij om het naburige Raamsdonksveer, waar aan de weg naar Oosterhout nog altijd het voormalige machinegebouw staat waarin de NV Electriciteitscentrale Raamsdonk in 1908 met haar exploitatie begon. Gedurende elf jaar leverde ze elektriciteit voor onder andere een aantal poldergemalen, waarvan er één in de directe nabijheid behouden is gebleven. Omdat er naast deze kleine centrale in heel Noord-Brabant slechts op twee andere plaatsen elektriciteit werd opgewekt, in Boxtel sinds 1899 en in Ginneken sinds 1904, begon het provinciebestuur zich zorgen te maken dat ze voor wat betreft deze nieuwe ontwikkeling op achterstand zou raken. Daarom stelde ze in 1909 een onderzoekscommissie in die moest nagaan hoe de provincie een actieve rol kon spelen om deze nieuwe energiedrager op grote schaal beschikbaar te stellen. Vervolgens verstreken er nog vijf jaar alvorens de oprichting  van NV Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits-Maatschappij (PNEM) een feit was.  Omdat er ondertussen ineens wel nieuwe centrales tot stand waren gekomen in Cuijk (1909-1927), Eindhoven (1912-1915) en Tilburg (1911-1954), besloot het provinciebestuur toen maar om zich met haar toekomstige centrale op West-Brabant te richten. Vanwege een goede bereikbaarheid over water (Amer-Donge) en spoor (Lage Zwaluwe-Den Bosch) viel de keuze voor de vestigingslocatie op Geertruidenberg.geertruidenberg-3Afbeelding 2: De turbinehal van Dongecentrale I. 

Het stadje hoorde oorspronkelijk bij het gewest Holland, maar na eeuwenlang daarvan al door het water gescheiden te zijn geweest, kwam het aan het begin van de negentiende eeuw onder de nieuwe provincie Noord-Brabant te vallen. Zijn rol als vestingstad en garnizoensplaats bleef daarna nog een eeuw gehandhaafd en dat gold ook voor de riviervisserij die aan veel inwoners werk verschafte. Niettemin diende zich ook hier de nieuwe tijd aan, en wel met de komst van een suikerfabriek (1867) en spoorlijn (1886). Na de eeuwwisseling volgde de aanleg van het Wilhelminakanaal, dat het oosten en westen van de provincie met elkaar verbond en bij Geertruidenberg via het riviertje de Donge in open vaarwater (de Amer) uitkwam. De aanleg begon in 1910, maar nog voor haar volledige voltooiing in 1923 was er even buiten Geertruidenberg een elektriciteitscentrale verrezen. Hoewel gelegen aan een zijarm van de rivier, het Noordergat geheten, kreeg deze later toch de naam Dongecentrale mee. Beide projecten liepen vertraging op als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Betrof dat bij de kanaalaanleg vooral de schaarste aan natuursteen voor de sluiskolken en steenkool voor de graafwerktuigen, bij de elektriciteitscentrale was men voor de technische installaties aangewezen op toelevering van buitenlandse bedrijven die door de oorlogsproductie vol bezet waren. Besteld ijzer en koper werden voor oorlogsdoeleinden in beslag genomen, isolatoren waren in het geheel niet te krijgen. Dat noodzaakte de PNEM-directie om te zoeken naar creatieve oplossingen, waardoor ze noodgedwongen niet altijd het beste materiaal kon kopen. Terwijl het oorspronkelijk de bedoeling was geweest om in 1916 de centrale operationeel te hebben, vingen de werkzaamheden in dat jaar pas daadwerkelijk aan en liet de ingebruikstelling tot 1919 op zich wachten. Toen was ook nog maar één van beide hoogspanningsleidingringen die voorzien waren gereed, namelijk die over Den Bosch, Eindhoven/Helmond en Tilburg. Pas in 1921 was uitbreiding van dit 50kV-netwerk met een ring over Breda, Roosendaal en Bergen op Zoom een feit. Het succes bleef voor de PNEM niet lang uit, want tussen 1922 en 1927 steeg de afzet van elektriciteit jaarlijks met gemiddeld vijfentwintig procent. Omdat de investeringen in centrale en netwerk wel terugverdiend moesten worden, de PNEM vrijwel een monopolie bezat en de vraag naar aansluiting groot was, waren de tarieven relatief hoog. Dit viel vooral op in die schaarse gevallen waar nog wél een alternatieve aanbieder beschikbaar was. Zo beklaagden de textielondernemers in Goirle zich hierover, omdat hun concurrenten in het naburige Tilburg bij hun gemeentelijke elektriciteitsbedrijf aanzienlijk goedkoper uit waren. Tien jaar later was duidelijk dat capaciteitsuitbreiding dringend gewenst was en hiervoor het beste een geheel nieuw centrale gebouwd kon worden om aan de laatste stand der techniek te kunnen voldoen. Opgetrokken uit een stalen vakwerkskelet met bakstenen gevels en  voorzien van verticale, langgerekte raampartijen en platte, licht hellende daken met overstekende goten, voldeden de gebouwen aan de kenmerken van het strenge functionalisme, dat vooral in de fabrieksbouw gretig omarmd werd. Elektriciteit was zo normaal geworden dat haar zegeningen en vooruitstrevendheid niet langer door een aantrekkelijke architectuur benadrukt hoefden te worden en bovendien vroegen de crisisjaren ook wat dat betreft om soberheid. Had de eerste centrale nog een maximum vermogen van 18 MW, die van Dongecentrale II bedroeg inmiddels 52 MW. Aangezien die nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog volledig benut werd, ontwikkelden de PNEM-ingenieurs al tijdens de bezetting plannen voor een centrale van 100 MW, maar dan gevestigd aan de Amer in verband met de behoefte aan voldoende koelwater. Voordat ze deze konden realiseren moesten ze echter eerst aan de slag met schadeherstel. Tijdens hun terugtocht bliezen de Duitsers eind oktober 1944 namelijk de vitale onderdelen van de Dongecentrale op en het duurde tot 1947 voordat deze weer in gebruik kon worden genomen. De eerste opwekkingseenheid van de nieuwe Amercentrale kon in 1952 worden opgestart en overtrof met 55 MW meteen haar voorganger. Eenheid 2 en 3, die respectievelijk in 1956 en 1960 gereed kwamen, gingen daar met elk 60 MW weer overheen dankzij het feit dat ze met olie in plaats van kolen gestookt werden. Met haar grote betonnen koeltoren was de Amercentrale eenvoudig te onderscheiden van de zuidelijker gelegen Dongecentrale. Dat deze kolos ook nog eens in de zichtlijn van de pittoreske markt van Geertruidenberg lag, is door menig fotograaf dankbaar benut om dit scherpe contrast tussen verleden en moderniteit in één beeld te vangen. Nadat in de jaren zestig de eenheden 4 en 5 (2×225 MW op steenkool) waren toegevoegd en begin jaren zeventig nummer 6 en 7 (2×415 MW op aardgas), kon de Dongecentrale in 1972 worden stilgelegd. Daar zou het bij gebleven zijn als niet een jaar later de oliecrisis was uitgebroken en de kwetsbaarheid van energieopwekking met aardolie aantoonde. Om in de toekomst beter op dit soort situaties voorbereid te zijn bouwde de PNEM in de oude Dongecentrale een zogenaamde STEG-eenheid, een combinatie van een stoom- en gasturbine met een totaal vermogen van 120 MW, zodat de twee olie-gestookte eenheden van de Amercentrale enkele jaren later buiten werking konden worden gesteld. Dat bewuster energieverbruik definitief op de kaart was gezet bleek ook uit het feit dat in de jaren tachtig alle eenheden van de Amercentrale geschikt werden gemaakt voor de levering van warmte aan woonwijken en tuinbouwbedrijven in de wijde omgeving. Zorgen om een betrouwbare energievoorziening hebben in de nieuwe eeuw plaats gemaakt voor ongerustheid over klimaatverandering door gebruik van fossiele brandstoffen. De eenheden 8 (uit 1980 met 650 MW) en 9 (uit 1993 met 600 MW) die nu nog operationeel zijn, hebben met hun kolengestookte ketels uit dat oogpunt geen best imago. Gedeeltelijke overschakeling op verbranding van biomassa en levering van stadswarmte kunnen dat maar gedeeltelijk compenseren en naar verwachting zal volledige sluiting in 2025 of nog eerder plaatsvinden.geertruidenberg-1Afbeelding 3: Turbinehal en ketelhuis van Dongecentrale II. Renovatie en herbestemming zal zich voorlopig beperken tot het filtergebouw dat hier achter ligt. 

Aan de verlengde bedrijfsduur van de Dongecentrale kwam in 2011 een einde. Een jaar later kocht de provincie samen met de maatschappij voor Behoud, Exploitatie en Ontwikkeling van industrieel erfgoed (BOEi) het complex voor het symbolische bedrag van één euro, met de bedoeling om de herinnering aan een eeuw elektriciteitsopwekking in Geertruidenberg voor de toekomst te bewaren, waarbij herbestemming een voorwaarde is. De laatste restanten van Dongecentrale I zijn in de jaren negentig al gesloopt en dat geldt ook voor de schoorstenen van haar opvolger. Ketelhuis, turbinehal, filtergebouw, kantoren en dienstwoningen uit 1931 zijn echter allemaal behouden gebleven, in 2002 toegevoegd aan de rijksmonumentenlijst en nog altijd voorzien van hun technische installaties. Vanwege dat laatste aspect leek een nieuwe bestemming voor  onderwijs en/of voorlichting over techniek en energie aanvankelijk kansrijk, maar bij nader inzien toch niet haalbaar. Besloten werd daarom in 2015 om het voorlopig als evenementenlocatie in te zetten en daarvoor het voormalige filtergebouw, eens gebruikt om met grote pompen proceswater in te nemen vanuit de Donge, te restaureren.