Groningen

groningen-1Afbeelding 1: Theater De Machinefabriek aan de Bloemstraat, voorheen de gemeentelijke elektriciteitscentrale van Groningen.

Als er één ondernemer is die in de negentiende eeuw een stempel op Groningen heeft gedrukt dan is het wel Willem Albert Scholten. Hij stichtte in 1842 de eerste aardappelzetmeelfabriek in Foxhol en wist zijn bedrijf in de daaropvolgende halve eeuw uit te bouwen tot een multinational. Zijn winsten investeerde hij daarnaast in de scheepvaart, turfwinning in Drenthe en fraaie bouwwerken in de stad Groningen zoals het Scholtenshuis, de Villa Gelria en de tuinkoepel aan de Hereweg. De zaken werden na zijn dood in 1892 voortgezet door zijn zoon Jan Evert en ook hij besteedde het nodige geld in zijn woonplaats, zoals aan de introductie van elektrische verlichting. Daarvoor richtte Scholten in 1895 de NV Groninger Electrische Blokverlichting-Maatschappij (GEBM) op die vanuit een kleine centrale tweeëntwintig klanten van licht voorzag. Zoals in veel andere steden nam ook in Groningen de gemeente enkele jaren na de eerste particuliere initiatieven het besluit om actief te worden in deze nieuwe ontwikkeling, niet in de laatste plaats uit oogpunt van winstverwachting. In 1901 gaf ze opdracht tot de bouw van een elektriciteitscentrale op het terrein tussen de bloemstraat en bloemsingel, waar al sinds 1854 de gemeentelijke gasfabriek stond (waarvan nog één bedrijfsgebouw resteert). Het ontwerp werd geleverd door stadsarchitect Jan Antony Mulock Houwer, die nog maar net was aangesteld door het stadsbestuur en hiermee zijn eerste in een reeks van bouwwerken voor Groningen tekende. Hij greep hiervoor terug op de neorenaissancestijl, die kort na de eeuwwisseling uit de mode begon te raken maar ‘in de provincie’ nog wat langer mee ging. Zo werden ook het academiegebouw van de rijksuniversiteit in 1907 en het provinciehuis in 1915 nog in deze stijl opgetrokken, hoewel beide ontworpen door rijksbouwmeester Jan Vrijman. De technische installatie kwam van de hand van Nicolaas Jan Singels en werd geleverd door de Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft (AEG). Vanwege de sterk stijgende vraag naar elektriciteit moest de centrale reeds in 1911 uitgebreid worden en in 1916 nogmaals. Dat het daar vervolgens bij bleef had niets te maken met een verminderde vraag, maar met de komst van een nieuwe aanbieder: het Provinciaal Electriciteits Bedrijf (PEB).groningen-2Afbeelding 2: De Helpmancentrale in de jaren dertig, gezien vanaf de overzijde van het Winschoterdiep. Rechts, met drie kleinere schoorstenen, de voorganger uit 1914 waarboven de transportbrug voor steenkoolaanvoer naar de nieuwe centrale nog net zichtbaar is. 

Groningen was in 1913 de eerste provincie in Nederland met een eigen elektriciteitsbedrijf, kort daarop gevolgd door Noord-Brabant (PNEM in 1914). Maar terwijl het PEB zijn eerste centrale reeds in 1914 in gebruik kon nemen, zou dit voor de PNEM nog tot 1919 duren als gevolg van de schaarste aan bouwmaterialen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De locatie van die eerste provinciale elektriciteitscentrale betrof een terrein aan de oostzijde van de stad Groningen, tussen het Winschoterdiep in het noorden en de spoorlijn naar Assen in het zuiden. Het lag op het grondgebied van buurgemeente Helpman, die echter al in 1915 door de stad werd geannexeerd. De vormgeving van het complex was geënt op de bouwstijl van het eclecticisme, de inrichting werd hoofdzakelijk verzorgd door Nederlandse bedrijven: de stoomketels door Stork, de transformatoren door Smit Slikkerveer en de schakelinrichting door HEEMAF. De schoorsteen overtrof met zijn hoogte van honderd meter de Martinitoren. De gemeentelijke centrale wist het nog even vol te houden, maar verloor uiteindelijk de ongelijke strijd tegen de provinciale concurrent. Dat laatstgenoemde wisselstroom leverde in plaats van de gelijkstroom die kort na de eeuwwisseling nog gangbaar was heeft daar zeker toe bijgedragen. Vanaf 1924 ontvingen alle klanten in de stad inmiddels hun stroom van het PEB. De ambities van het bedrijf waren in die zin grenzeloos, dat het haar verzorgingsgebied wilde vergroten naar Drenthe, dat geen eigen energiebedrijf had, en het noordoosten van Friesland. Na 1914 had men de capaciteit van de centrale al enkele malen verhoogd, maar deze nieuwe expansie vroeg om een geheel nieuwe generatie opwekkingseenheden. Daarom werd direct ten oosten van het bestaande complex een nieuwe centrale gebouwd die in 1931 gereed kwam. Albert Hendrik Rood, de belangrijkste architect van industriële gebouwen in Nederland tijdens het interbellum, had enkele jaren daarvoor al een centrale ontworpen voor het Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland (PEN) in Velsen en deed dit nu volgens dezelfde principes van het functionalisme in Groningen. Zijn inspiratie hiervoor had hij opgedaan tijdens studiereizen door Duitsland en Groot-Brittannië. Het nieuwe complex bestond uit een turbinehal die aan de noordzijde (aan het Winschoterdiep) verbonden was met een ketelhuis en aan de oostzijde via een poortgebouw met de transformatorruimte. Los daarvan verrezen een filterhuis, garage, administratiekantoor/magazijn en dienstwoningen in baksteen en beton. Het turbinegebouw en ketelhuis bestonden uit een staalskelet met bakstenen gevels. De platte en licht hellende daken met hun overstekende betonnen goten en de langgerekte raampartijen van de productiegebouwen vormden een sterk contrast met de voorganger uit 1914. De transportbrug die hier overheen was gebouwd om de steenkool vanaf de losplaats aan de westzijde naar de stortkokers van het nieuwe ketelhuis te voeren droeg er nog eens extra toe bij dat de nieuwe centrale de oude letterlijk overvleugelde. Dankzij verdere uitbreiding tot tien turbines bleef de centrale ruim dertig jaar lang de blikvanger aan de zuidoostelijke toegang tot de stad. Toen werd zij op haar beurt overschaduwd door de Hunzecentrale die in 1963 aan de overzijde van het Winschoterdiep gereed was gekomen en was uitgerust met maar liefst vijf schoorstenen van honderdtwintig meter hoogte. Het zou overigens nog tot 1970 duren vooraleer ook alle vijf opwekkingseenheden operationeel waren en het maximale vermogen van 625 MW geleverd kon worden. Geheel volgens de naoorlogse standaarden waren deze naast elkaar geplaatst om er in de toekomst nog extra eenheden aan toe te kunnen voegen. In eerste instantie draaide de Hunzecentrale nog op steenkool, maar na de aardgasvondst in Slochteren werd ze verbouwd tot de eerste gasgestookte elektriciteitscentrale van Nederland. Haar voorganger aan de overkant van het water, ondertussen aangeduid als Helpmancentrale, bleef nog in actieve dienst tot 1982. Een centrale van de vierde generatie was vijf jaar daarvoor al in gebruik gesteld door het PEB, niet meer in Groningen maar in de Eemshaven.  Aangelegd ter stimulering van de werkgelegenheid in de provincie Groningen is deze haven als dusdanig nooit een succes geworden. Daarom heeft er zich in de afgelopen decennia langzaamaan andere bedrijvigheid ontwikkeld, die weliswaar weinig banen heeft opgeleverd. Energieopwekking is daarbij een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Zo kreeg de Eemscentrale er in de jaren negentig vijf opwekkingseenheden bij (totaal 2400 MW), terwijl er na de eeuwwisseling nog twee nieuwe centrales bijgebouwd werden: de kolengestookte Eemshavencentrale van Essent met een vermogen van 1560 MW en de gasgestookte Magnumcentrale van Nuon 1310 MW. Beide exploitanten zijn nieuwe spelers op de energiemarkt, waar in de jaren negentig de provinciale energiebedrijven in op waren gegaan. De provincie verkocht in 1999 haar PEB, dat vanaf 1967 Energiebedrijf Groningen en Drenthe was gaan heten, aan de Belgische energiemaatschappij Electrabel die op haar beurt in 2005 weer werd overgenomen door het Franse nutsbedrijf SUEZ. Laatstgenoemde produceert tegenwoordig wereldwijd elektriciteit onder de naam Engie.groningen-3Afbeelding 3: De turbinehal van de Helpmancentrale biedt nu onderdak aan RTV-Noord en enkele internetbedrijven.

Met zoveel opwekkingscapaciteit in de Eemshaven was er geen reden meer om ook de Hunzecentrale nog langer in bedrijf te houden. Na de stillegging in 1995 volgde drie jaar later de sloop, waarbij het gelijktijdig opblazen van de vijf hoge schoorstenen veel publieke belangstelling trok. Het complex heeft plaats gemaakt voor de kantoorlocatie Europapark en het voetbalstadion Euroborg van FC Groningen. Ook het terrein van de Helpmancentrale maakt hier onderdeel van uit en de twee resterende gebouwen hiervan, de turbinehal en het administratiekantoor, zijn na renovatie onder de nieuwe naam ‘Mediacentrale’ onderdak gaan bieden aan de regionale omroep RTV Noord en enkele internetbedrijven. De gemeentelijke centrale aan de Bloemstraat is eveneens behouden gebleven, hoewel sinds 1964 zonder schoorsteen. Energieopwekking had er overigens al sinds 1936 niet meer plaatsgevonden, maar toch duurde het ondanks toekenning van de monumentenstatus nog tot 1996 voordat herbestemming een feit was. Als theater ‘De Machinefabriek’ werd het toen de thuisbasis van het Noord Nederlands Toneel. Het hart hiervan wordt gevormd door de voormalige turbinehal die omgebouwd is tot een theaterzaal met honderdzestig zitplaatsen en in wat eens het ketelhuis was worden nu decors gebouwd en opgeslagen.