Oosterhout

Oosterhout (1)Afbeelding 1: Brouwhuis, machinekamer en kantoorgebouw (v.l.n.r.) van De Gekroonde Bel, gezien vanaf de Bredaseweg.

Nog geen tien kilometer verwijderd van de Bredase Drie Hoefijzers-brouwerij staat aan de Bredaseweg in Oosterhout het monumentale gebouw van De Gekroonde Bel. Grondlegger van deze brouwerij was een telg uit dezelfde familie Smits als in Breda, die eveneens streefde naar een moderne bedrijfsvoering. Zo werd het bedrijf, toen het nog aan de Heuvelstraat gevestigd was, al in 1870 gemechaniseerd met een stoommachine en ging het aan het einde van de negentiende eeuw ook Beiers bier produceren. Om de hiervoor benodigde investeringen mogelijk te maken koos het voor de nieuwe bedrijfsvorm van de naamloze vennootschap (NV Noord Brabantsch Beiersch Bierbrouwerij De Gekroonde Bel) en was het nieuwe complex dat zo in 1901 aan de Bredaseweg tot stand kon komen voorzien van elektriciteit die zelf werd opgewekt. Maar terwijl de brouwerij in Breda pas in 2004 haar deuren sloot, viel voor De Gekroonde Bel al in 1927 het doek. Hadden voor de Eerste Wereldoorlog al veel traditionele brouwerijen voor bovengistend bier het loodje moeten leggen omdat de klanten voor het heldere en koele pilsenerbier kozen, in de jaren twintig was het de beurt aan bedrijven die weliswaar mee waren gegaan in deze trend, maar de schaalgrootte misten om dit vol te blijven houden. Dat dit niet alleen in Nederland speelde, zoals ook de sluiting van Asselbergs te Bergen op Zoom in 1930 illustreert, maar eveneens in het buitenland het geval was, laat het faillissement van Brauerei Beuing te Altenberge in 1931 wel zien.Oosterhout (3)Afbeelding 2: Achterzijde van het brouwerijcomplex met links de kantoorvleugel (met traptorentje) en helemaal rechts het ketelhuis (met schoorsteen). Getuige de bierwagen op de voorgrond was de brouwerij ten tijde van deze opname nog in gebruik.

Voor Oosterhout kwam de klap extra hard aan, omdat het dorp sowieso maar weinig industriële bedrijven kende en deze het ook maar kort volhielden. Zo beëindigden de suikerfabrieken Groenendijk  en Statendam hun activiteiten in respectievelijk 1902 en 1917 en deed Margarinefabriek Verschure aan de Torenstraat dit in 1928. Hierbij gingen honderden arbeidsplaatsen verloren, waar geen vervangende werkgelegenheid voor in de plaats kwam. Er ontstond een traditie onder mannen en jongens om gezamenlijk elders werk te zoeken en na de eeuwwisseling was dat vooral in het zich economisch sterk ontwikkelende Duitsland. Het betrof voornamelijk grondverzet bij de aanleg van wegen, kanalen en havenwerken, maar op den duur ook wel werkzaamheden in de steenkolenmijnen en cokesfabrieken. Ze verdienden er relatief veel, meer dan ze in hun eigen omgeving ooit hadden kunnen verdienen. Het gemeentebestuur van Oosterhout liet niet na om te verwijzen naar deze  jaarlijkse arbeidstrek als het de weinig florissante toestand van de lokale economie bij hogere overheden onder de aandacht wilde brengen. Als verklaring werd daarbij naar voren gebracht dat de gemeente door het gebrek aan infrastructuur onvoldoende aantrekkelijk was voor bedrijven om zich er te vestigen. Vooral het ontbreken van aansluiting op het landelijke spoornet zou het dorp op achterstand zetten. In deze situatie leek een verbetering te komen toen in 1910 het besluit werd genomen om het Wilhelminakanaal aan te leggen: een vaarverbinding van Geertruidenberg via Oosterhout naar Tilburg en verder oostwaarts. Het project kwam op een gunstig moment omdat tijdens de Eerste Wereldoorlog de arbeidstrek naar Duitsland stil kwam te liggen en de grondwerkers zodoende dicht bij huis aan de slag konden. Op de lange termijn had echter vooral de textielindustrie van Tilburg profijt van het kanaal. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de industrialisatie van Oosterhout echt op gang, te beginnen in de onmiddellijke nabijheid van De Gekroonde Bel. Daar streek in 1950 de Tilburgse metaaldraadlampenfabriek VOLT neer. Op haar hoogtepunt bood deze fabriek werk aan zo’n zeshonderd mensen, voornamelijk jonge vrouwen, die er spoelen maakten. Na beëindiging in 1967 liet Philips, eigenaar van VOLT, er een fabriek voor magneetbanden bouwen waar ruim achthonderd medewerkers aangesteld werden. Het bedrijf kreeg landelijke bekendheid nadat het in 1980 was samengegaan met het Amerikaanse bedrijf Dupont onder de naam PDM (Philips Dupont Magnetics) en een wielerprofploeg ging sponsoren die vele overwinningen behaalde. Na een tweetal overnames kwam de productie in 2011  ten einde en volgde de sloop van het complex in 2016.Oosterhout (2)Afbeelding 3: Beeldmerk van De Gekroonde Bel. 

Na de sluiting van de brouwerij in 1927 werd De Gekroonde Bel verkocht aan een bierbottelarij, maar toen ook die in 1935 zijn activiteiten beëindigde ging het complex gebruikt worden voor uiteenlopende vormen van bedrijvigheid. Zo werden er kortstondig chemische en farmaceutische middelen geproduceerd, waarna er een fineerfabriek onderdak in vond. Laatstgenoemd bedrijf draaide weliswaar opvallend goed, maar deed dat tijdens de oorlogsjaren ook, hetgeen directeur Michel van der Struijk niet in dank werd afgenomen. Door het naoorlogse economische zuiveringsbeleid zag hij zich dan ook genoodzaakt om uit te wijken naar België. Het gebouw degradeerde tenslotte tot opslagplaats van VOLT en haar opvolger PDM. In het representatieve gedeelte van het complex aan de Bredaseweg is vandaag de dag een vergadercentrum gevestigd dat zich ‘Gecroonde Bel’ noemt, in de gebouwen daar achter huist een fitnessclub. Het daar weer achter gelegen voormalig atelier van VOLT doet onder de naam Tricorp dienst als businesscenter, terwijl op de plaats van de gesloopte PDM-fabriek een woonwijk zal verrijzen. De Gekroonde Bel heeft een plaats gekregen op de rijksmonumentenlijst als voorbeeld van een Noord-Brabantse brouwerij die aan het begin van de vorige eeuw de moderniseringsslag doormaakte naar een industrieel bedrijf. Daarnaast is het van belang binnen het oeuvre van de landelijk bekende architect Jan Verheul (1860-1948). Hoewel deze door het hele land projecten realiseerde, ontwierp hij zijn meest prestigieuze bouwwerken in zijn woonplaats Rotterdam, waar ze in het bombardement van 1940 of de stadsvernieuwing die daarop volgde verloren gingen. Hanteerde hij in het begin van zijn carrière vooral de toen gangbare neo-renaissancistische stijlkenmerken, rond de eeuwwisseling ging hij mee in de stroming van de Art Nouveau architectuur, zij het op sobere wijze. De Gekroonde Bel is een van de weinig voorbeelden uit laatstgenoemde periode die behouden zijn gebleven. Brouwerijen die zich destijds moderniseerden trokken, als het budget dat maar enigszins toeliet, graag een architect van naam aan om hun nieuwe bedrijfsgebouwen vorm te geven, al blijft het een bijzonderheid dat deze trend ook doordrong tot een dorp als Oosterhout. Waarschijnlijk dat de banden met de familietak in Breda de Oosterhoutse Smitsen er toe heeft aangezet om ook bij hún nieuwbouwproject het esthetische aspect niet uit het oog te verliezen. Want net zoals de Drie Hoefijzers-brouwerij in 1887 haar kantoor, brouwhuis en machinekamer met een representatieve gevelwand langs de Ceresstraat liet optrekken, zo gebeurde dit met De Gekroonde Bel in 1901 langs de Bredaseweg in Oosterhout. De grote rondboogvensters en de tegeltableaus, vervaardigd door de firma ‘Holland’ te Utrecht, zijn daarin de meest in het oog springende elementen van de Art Nouveau. Op één van deze tableaus is het beeldmerk van het bedrijf gevisualiseerd: een bel die met een lint onder een kroon hangt. De omlijsting met hopranken laat zien dat de bel geïnspireerd is op de hopbel, ofwel de vrucht van de hopplant die een wezenlijk bestanddeel van het bier vormt. De machinekamer, die maar één verdieping telt, bevindt zich midden tussen de kantoorvleugel aan de noordzijde en brouwhuis aan de zuidzijde. Aan de achterzijde was deze verbonden met het ketelhuis, waarvan aan de straatzijde enkel de hoge schoorsteen waarneembaar was, die inmiddels is gesloopt. De centrale ligging van de machinekamer maakte het mogelijk om de lengte van de leidingen naar de verschillende productiegebouwen minimaal te houden. Door toevoeging van een sierlijk traptorentje boven de hoofdingang verschafte Verheul extra uitstraling aan het kantoorgebouw. Het brouwhuis bestond uit de brouwzaal op de begane grond, het koelschip op de verdieping daarboven en de moutopslag onder de dakkap. De waterbron van de brouwerij bevond zich op een afstand van meer dan een kilometer, die overbrugd werd met een pompleiding. Om het zware koelschip te kunnen dragen rust de vloer op bakstenen troggewelven met profielbalken over de lengte en breedte, in het midden ondersteund door een imposante gietijzeren kolom. Door de diverse bestemmingen die het complex na sluiting van de brouwerij in 1927 gehad heeft, is er van de oorspronkelijke installaties en inventaris niets meer terug te vinden.