Den Helder

Den Helder (4)Afbeelding 1: Etablissement Willemsoord gezien vanuit het zuidwesten, met van links naar rechts de voormalige smederij, gieterij en machinebankwerkerij. Op de voorgrond een voetgangersbrug die sinds kort toegankelijkheid van het complex voor het publiek verbetert.

De Koninklijke Marine en haar voorgangers (Admiraliteiten) mogen weliswaar een trotse rol in de Nederlandse geschiedenis vervullen, de huidige vlootbasis in Den Helder heeft de zeemacht aan de Fransen te danken. Het was Napoleon die tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1811 de strategische ligging van deze locatie inzag en het bevel gaf om hem uit te bouwen tot het ‘Gibraltar van het Noorden’ met een scheepswerf, bevoorradingsmagazijnen en omliggende forten voor verdediging tegen een invasie. De werken bevonden zich nog maar in een aanvangsfase toen de Fransen in 1813 ons land verlieten, maar werden voortgezet onder Koning Willem I, die ook zijn naam gaf aan de scheepswerf: Willemsoord. Honderdzeventig jaar lang werd hier vervolgens onderhoud verricht aan oorlogsschepen van ’s lands vloot totdat het Ministerie van Defensie de Rijkswerf in 1992 liet verplaatsen naar de Nieuwe Haven. Wat al die tijd verboden terrein was geweest ging toen open voor het publiek. Plannen om er door marktpartijen onder de namen ‘Nederland Overzee’ en ‘Cape Holland’ een attractiepark van te maken liepen op een mislukking uit. Ze gaven echter wel de tijd aan de bestuurders om de historische waarde in te gaan zien van dit maritieme erfgoed, dat in 1997 de status van rijksmonument kreeg en na de eeuwwisseling een omvangrijk restauratie- en herbestemmingsprogramma onderging. Dit maal slaagde de opzet wél en sinds 2005 heeft Den Helder hiermee weer een vrijetijds- en uitgaansgebied, dat ze met de verwoesting van haar binnenstad tijdens de Tweede Wereldoorlog had verloren.Den Helder (8)Afbeelding 2: Plan voor de forten en versterkingen rond Den Helder, opgesteld in de Franse Tijd.

Reeds lang voor de Franse Tijd werden vanuit Den Helder en omliggende dorpen oorlogsschepen bevoorraad wanneer deze voor anker lagen in het Marsdiep. Hun thuisbasis hadden deze echter toen nog in de havens van de vijf Admiraliteiten (Amsterdam, Maze, Zeeland, Noorderkwartier en Friesland) die samen de zeemacht van de Republiek vormden: Amsterdam, Hellevoetsluis, Vlissingen, Enkhuizen en Harlingen. Eind achttiende eeuw maakte men de Helderse haven, het Nieuwe Diep, geschikt voor het afmeren van zeeschepen en kwam daar een kielplaats voor reparatie en onderhoud. De komst van de Fransen in 1795 maakte een einde aan de ingewikkelde structuur van Admiraliteiten, maar net als in de vier voorafgaande zeeoorlogen was ook nu weer Engeland met zijn machtige vloot de vijand. Een overwinning op zee lag niet meer voor de hand, zoals het verlies in de zeeslag van Kamperduin in 1797 pijnlijk duidelijk maakte, en de Engelse invasies bij Callantsoog (1799) en Vlissingen (1809) toonden aan hoe kwetsbaar het land was geworden. Napoleon, die weinig op had met oorlogsvoering ter zee, koos voor een verdediging van zijn kustlijn met forten, waarvan er een drietal rond Den Helder verrezen: Morland (later Kijkduin), La Salle (later Erfprins) en l’Ecluse (later Dirks Admiraal). Ontwerp en uitvoering van deze vestingen lag in handen van Inspecteur-Generaal van Waterstaat Jan Blanken en toen deze Napoleon tijdens diens bezoek in 1811 vergezelde kreeg hij ook de opdracht om de nieuwe scheepswerf voor Den Helder te tekenen.  Blanken had op dit gebied al naam gemaakt met de bouw van een droogdok in Hellevoetsluis in 1802 en tijdens een studiereis door Frankrijk kennis kunnen maken met de moderne arsenalen en gebouwencomplexen met een symmetrisch grondplan. In zijn ontwerp ging hij uit van een rechthoekige dokhaven, ook wel ‘Natte Dok’ genoemd, die via een sluis verbonden was met het Nieuwe Diep. Recht tegenover deze Zeedoksluis projecteerde hij een droogdok (Dok 1) met een lengte van negentig meter, dat via riolen was verbonden met een pomphuis. Met een stoommachine die negen zuigerpompen aandreef was dit voor zijn tijd een modern stukje techniek dat een vergelijking met andere maritieme mogendheden glansrijk kon doorstaan. Ter afsluiting was het droogdok voorzien van een drijvende deur. Zo’n schipdeur was een Franse uitvinding uit de achttiende eeuw (bateau-porte) en door Jan Blanken al eerder toegepast in het droogdok van Hellevoetsluis. Aan de zuidzijde was het Natte Dok verbonden met de binnenhaven van Den Helder via het Dokkanaal, dat later de bijnaam ‘Boerenverdriet’ kreeg. De Helderse binnenhaven werd vanaf 1824 namelijk het eindpunt van het Noordhollands Kanaal, dat het brakke water uit het Natte Dok tot in de boerensloten deed belanden. Tussen het Dokkanaal en het Nieuwe Diep kwam in een carrévorm rond een binnenplein het Grootmagazijn tot stand, bestaande uit twee bouwlagen. Aan de westzijde van het complex vestigde men een geschutmakerij, modellenmagazijn, smederij en gieterij in vier langgerekte gebouwen van één verdieping, twee aan beide zijden van het stoompomphuis. Aan de zuid- en westzijde was het complex omgeven door het zogenaamde Afsluitingskanaal, waardoor de toegang via bruggen eenvoudig te controleren was en de magazijnen van twee kanten over water bereikbaar waren. De werkzaamheden voltrokken zich tussen 1812 en 1822 en in laatstgenoemd jaar was de ‘Willem I’ het eerste schip dat in het droogdok voer. Overigens niet voor onderhoud, maar voor verbouwing tot logementsschip. Door de geschiedenis heen hebben zo heel wat oorlogsschepen hun nadagen doorgebracht als drijvende kazernes. Ontdaan van masten (en later schoorstenen) waren ze herkenbaar aan een ‘dak’ over de volle lengte van hun dek en in het Natte Dok hebben er altijd wel een aantal gelegen. De officiële overdracht van Etablissement Willemsoord aan de Koninklijke Marine vond plaats op 20 september 1822.Foto Technische Dienst LuchtvaartafdeelingAfbeelding 3: Luchtopname uit de jaren twintig met het Nieuwe Diep (1), Natte Dok (2), Zeedoksluis (3), Dok 1 (4), Dok 2 (5), Pomphuis 1 (6), Pomphuis 2 (7), Dokkanaal (8), Afsluitingskanaal (9), Grootmagazijn (10), Geschutmakerij (11), Modellenmagazijn (12), Smederij (13), Gieterij (14) Magazijn voor licht ontvlambare stoffen (15), Mastenloods (16), Sloepenloodsen (17), Commandementsgebouw (18), Marine-hospitaal (19), KIM (20), Machinebankwerkerij (21), Ketelmakerij (22) en Motorenwerkplaats (23).

De plechtige overdracht betekende geenszins het einde van de bouwactiviteiten. In 1826 gingen er palen de grond in voor de bouw van een magazijn voor licht ontvlambare stoffen (pek, teer, olie, zwavel etc.) op de noordzijde, en een mastenloods op de zuidzijde van het complex. Het eerstgenoemde magazijn kreeg een klokkentorentje met wijzerplaat op het dak, waarop het personeel de tijd kon aflezen en die het gebouw zijn bijnaam gaf: ’t Torentje. Sinds 1966 maakt het onderdeel uit van het Marine Museum. Dat laatste geldt ook voor de sloepenloodsen die in 1833 ten westen daarvan gebouwd werden. Vanaf de jaren veertig vond er ook scheepsnieuwbouw plaats op Willemsoord en was het als Rijkswerf dusdanig belangrijk geworden dat het een eigen directeur in de rang van schout-bij-nacht kreeg. De vesting Den Helder werd in 1845 opgenomen in de lijst van Vestingsteden der Eerste Klasse. Door de toenemende afmetingen van de oorlogsschepen ontstond in de noodzaak tot aanleg van een groter droogdok. Dit Nieuwe Dok, of Dok 2, kreeg een lengte en breedte van respectievelijk 110 en 25 meter, maar door problemen met opkomend welwater duurde de aanleg liefst tien jaar (1857-1866). Het kreeg een nieuw stoompompgebouw waarmee eveneens Dok 1 droog gelegd kon worden. Het oude pomphuis verloor die functie dan ook in 1862, waarna het dienst ging doen als graanpakhuis. Moderne voorzieningen die men in deze jaren eveneens introduceerde waren gaslicht (1859) en een spooraansluiting (1865). Niet tot Willemsoord behorend, maar wel in de directe nabijheid gelegen, waren een aantal gebouwen ten noorden van de Zeedoksluis en tussen het Natte Dok en het Nieuwe Diep. Het betrof het Commandementsgebouw (1827) als logements- en kantoorruimte voor hoge officieren en hoofdambtenaren, het Marinehospitaal (1842) en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM, 1869) waarin de opleiding tot adelborst plaatsvond.Den Helder (5)Afbeelding 4: Het stoompomphuis uit 1816 werd later een graanpakhuis en is nu een VVV-kantoor.

De jaren zestig van de negentiende eeuw markeerden zich bij de Koninklijke Marine door de overgang van houten zeilschepen naar ijzeren stoomschepen. Dit had grote gevolgen voor haar Rijkswerven omdat er geïnvesteerd moest worden in gieterijen, ketelmakerijen en plaatwerkerijen. Het was te kostbaar om deze voorzieningen op alle Rijkswerven te hebben. In 1828 en 1850 waren die van Medemblik en Rotterdam al gesloten, in 1868 volgde die van Vlissingen. Zo’n tweehonderd arbeiders verhuisden naar Den Helder en kregen woonruimte in de Sluisdijkbuurt. De Rijkswerven van Amsterdam en Hellevoetsluis zouden het nog volhouden tot resp. 1912 en 1933. Vier eeuwen lang had de zware bewapening van oorlogsschepen zich beperkt tot geschut, na de eeuwwisseling werden daar torpedo’s en zeemijnen aan toegevoegd. Nieuwe scheepstypen als torpedoboten, onderzeeërs,  mijnleggers en -vegers werden ontwikkeld om deze wapens optimaal in te zetten. Anderzijds ontstonden door de wedloop tussen geschutkracht en bepantsering kruisers, pantserdekschepen en kanonneerboten. Voor een kleine marine als die van Nederland was het niet vol te houden om die op eigen werven te blijven maken. De pantserkruiser Zeven Provinciën die in 1910 op de Rijkswerf van Amsterdam van stapel liep had met kanons van 28 cm kaliber het zwaarste geschut dat ooit door een Nederlands oorlogsschip is gevoerd. Dit was het laatste nieuwbouwproject. Daarna liet de Koninklijke Marine al haar oorlogsschepen op koopvaardijwerven bouwen. Tijdens WOI werden op Willemsoord de faciliteiten voor reparatie en onderhoud verbeterd met de bouw van een nieuwe machinebankwerkerij (1916) en ketelmakerij (1918). Beide hallen waren geheel volgens de laatste inzichten ontworpen volgens een basilicale opzet met een hoge middenbeuk met vensters (lichtbeuk), geflankeerd door twee lage zijbeuken en voorzien van lichtkappen op de daken. In 1909 was er al een kleine elektriciteitscentrale operationeel geworden, die stroom leverde voor de verlichting, gereedschappen en machines. Opening van een ambachtsschool in Den Helder garandeerde vanaf 1907 de instroom van gekwalificeerd personeel, dat op de werfschool in de avonduren vervolgonderwijs ontving dat was toegesneden op de praktijk van de scheepsreparatie. Het belang van scholing nam in de jaren daarna alleen maar toe door de opkomst van nieuwe technieken zoals turbines, vuurleidingstoestellen en radiozenders die ook op de Nederlandse oorlogsschepen geïnstalleerd werden.Den Helder (3)Afbeelding 5: De ketelmakerij uit 1918 huisvest tegenwoordig Theater Kampanje.

Na de snelle Duitse verovering van Nederland in 1940 ging de Kriegsmarine gebruik maken van Willemsoord als reparatiebasis voor snelle motortorpedoboten. Het oude pomphuis werd omgebouwd tot commandopost met telefooncentrale en werd daartoe geheel versterkt met beton. Daarnaast liet de bezetter op het terrein een aantal bunkers bouwen als bescherming tegen luchtbombardementen. Dat dit geen luxe was blijkt wel uit het feit dat de geallieerden tijdens de oorlogsjaren zeventien luchtaanvallen hebben uitgevoerd op de marinehaven en haar scheepswerf, waarbij onder andere het Grootmagazijn en het Marinehospitaal volledig verwoest werden. Ook de binnenstad van Den Helder liep veel schade op, hoewel de sloop van talloze huizen in opdracht van de Duitsers om de stad te kunnen verdedigen tegen een geallieerde invasie een nog veel groter litteken achterliet in het straatbeeld. Hoewel er na de bevrijding nog enige politieke discussie was of de marinebasis niet beter naar Vlissingen of Rotterdam verplaatst kon worden, viel in 1947 het besluit om in Den Helder te blijven. Het betekende het startsein voor een omvangrijk nieuwbouwprogramma, bestaande uit een werfgebouw met helling (’t Scheepmakersijzer, 1948), plaatwerkerij (1948), Kuiperij (1948) en Zeilmakerij (1949). Het moge duidelijk zijn dat de twee laatstgenoemde gebouwen destijds voor andere doeleinden ingezet werden, maar zij vervingen voorgangers die tijdens WOII verloren waren gegaan en oorspronkelijk wél deze functies hadden. Dit paste binnen de traditie van de marine, die overigens ook inhield dat alle gebouwen genummerd waren. De personeelsomvang bereikte een hoogtepunt in de jaren vijftig met zo’n vijfentwintighonderd medewerkers. Naast nieuwe typen zoals fregatten en bevoorradingsschepen dienden zich in de daaropvolgende decennia ook nieuwe systemen aan zoals radar, sonar en geleidewapens. Begin jaren zeventig werd duidelijk dat men na anderhalve eeuw op het complex Willemsoord tegen steeds meer beperkingen aanliep. Met het oog op een toekomstige verplaatsing naar de Nieuwe Haven, ten oosten van het Nieuwe Diep, verrees daar vanaf 1976 al een overdekt fregatdok. Het duurde nog tot 1992 voordat daar de Nieuwe Rijkswerf opende, die toen nog slechts duizend medewerkers telde. Nu, vijfentwintig jaar later, is herbestemming van Willemsoord afgerond. Naast restauratie betekende deze overigens ook de sloop van een aantal gebouwen. Het reeds bestaande Marine Museum werd uitgebreid met de voormalige sloepenloods en geschutmakerij en haar museumschepen kregen een plaatsje in het Natte Dok. De VVV van Den Helder vestigde zich in het oude stoompomphuis, het Nationaal Reddingmuseum in de motorenwerkplaats. Wat eens de ketelmakerij was is nu het theater van Den Helder, genaamd Kampanje. Het Scheepmakersijzer kreeg een moderne aanbouw om er bioscoopzalen in onder te brengen die geëxploiteerd worden door Kinepolis. Daarnaast zijn er een amusementshal en bowlingcentrum in onder gebracht. De stoomwerkplaats is een café-restaurant geworden en de voormalige smederij doet dienst als casino ‘Funtastic’. Plannen voor een hotel in de Zeilmakerij leden helaas schipbreuk en ook de kantoorruimten in een aantal werfgebouwen hebben te kampen met leegstand.Den Helder (2)Afbeelding 6: In Dok 1 ligt het schroefstoomschip Bonaire uit 1876. Het is het oudste nog bestaande marineschip dat ook in Nederland gebouwd is, en wel op het Etablissement Fijenoord in Rotterdam.