Kortrijk

Afbeelding 1: In de voormalige droogloodsen van ‘Tuileries du Littoral’ zijn tegenwoordig de kantoren en showroom van bouwmaterialenconcern Wienerberger ondergebracht.

De steenbakkersnijverheid kent op de rijke kleiafzettingen van West-Vlaanderen een lange traditie. De industrie die er eind negentiende eeuw uit voortkwam concentreerde zich in de streek rond Nieuwpoort, met zijn specifieke gele baksteen, en die rond Kortrijk, waar de hoge kwaliteit van de klei zich bijzonder goed leende voor de productie van dakpannen. Op diverse locaties rond Kortrijk ontstonden fabriekscomplexen waar dakpannen gebakken werden. Die waren in technisch opzicht toonaangevend binnen Europa vanwege hun hoge mechanisatiegraad en het kunstmatig droogproces dat er werd toegepast. Kenmerkend waren hun imposante, bakstenen droogloodsen, die zich uitstrekten van de productiehal tot aan het ringovengebouw en waarvan er twee behouden zijn gebleven. Die van Pottelberg werd in de jaren negentig getransformeerd tot een winkelcentrum, dat helaas in 2009 uitbrandde maar daarna volledig heropgebouwd werd. Nadat enkele jaren geleden sloop dreigde voor de droogloods van de ‘Tuilleries du Littoral’, bracht bouwmaterialenbedrijf Wienerberger redding door deze te restaureren en in gebruik te nemen als showroom voor haar producten, waaronder dakpannen. Het industrieel erfgoed van Kortrijk mag dan gedomineerd worden door linnenweverijen en vlasspinnerijen, dankzij deze herbestemmingsprojecten is ook de herinnering aan de kleiwarenindustrie bewaard gebleven, die in haar hoogtijdagen aan meer dan tweeduizend mensen bood.Afbeelding 2: Dakpannenfabriek ‘Marcke’,  gelegen aan  de spoorlijn Kortrijk-Moeskroen,  telde maar liefst drie ringovens met bijbehorende droogloodsen. Eén schoorsteen en enkele gebouwen bleven behouden en maken nu deel uit van het fabriekscomplex van weefmachinebouwer ‘Van de Wiele’.

De vroege introductie van een kunstmatig droogproces is mede verklaarbaar uit het feit dat, vanwege de relatief schaarse hoogwaardige klei, de winstmarge op dakpannen en –tegels groter was dan op bakstenen, waardoor het ondanks de hoge investeringen in grote droogloodsen toch rendabel was. Men maakte hoofdzakelijk gebruik van de restwarmte van de ringoven, hoewel het ook voor kwam dat er afzonderlijke verwarmingseenheden werden ingezet. Het systeem dat kort na de eeuwwisseling de meeste belangstelling trok was de zogenaamde ‘aerocondesor’, waarbij een luchtstroom met behulp van een krachtige ventilator over de buizen met afgewerkte stoom uit de machinekamer geleid werd en hieruit warmte opnam. Gelijktijdig versterkte dit de condensatie (en daarmee de onderdruk), waardoor het rendement van de stoommachine steeg. Deze speelde op zijn beurt een belangrijke rol in de mechanisatie van de fabriek door via drijfriemen en transmissieassen de revolverpersen en ronddraaiende vormpersen in beweging te houden, waarmee per uur zo’n vijfhonderd daktegels of dakpannen geproduceerd konden worden. Deze technische topprestatie was destijds overigens enkel weggelegd voor een paar grote bedrijven, want aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telde de regio nog altijd zo’n twintig veldovens waar alles om handarbeid draaide.Afbeelding 3: Het interieur van de droogloodsen bestond grotendeels uit houten rekken waarop de dakpannen moesten drogen voordat ze in de ringoven gebakken werden.

Het pionierswerk op het gebied van de dakpanfabricage vond plaats in het buurtschap Pottelberg, gelegen ten zuidwesten van Kortrijk aan de spoorlijn naar Moeskroen. De naam luidde oorspronkelijk ‘Pottelaerenberg’ en verwijst naar het dikke kleipakket waaruit pottenbakkers al in de middeleeuwen hun grondstof afgroeven. Deze afzetting vormde onderdeel van wat geologen aanduidden als het ‘Lid van Aalbeke’ en in de volksmond ‘Ieperiaan-klei’ is gaan heten. Hier slaagde rond 1870 Edouard de Rijckere er voor het eerst in om op  mechanische wijze dakpannen te vervaardigen. Na zijn dood namen de Waalse schoonbroers Pierre Renaux en Adolphe Watelet het bedrijf over en zetten het vanaf 1883 voort als naamloze vennootschap ‘Société Anonyme Tuileries (pannenbakkerij) du Pottelberg’. In 1910 liet de onderneming aan de ´Engelse Wandeling´ een volledig nieuw complex bouwen, bestaande uit twee naast elkaar gelegen productiestraten waar aan de ene kant klei in ging en aan de andere kant dakpannen uit kwamen. Beide productiestraten waren opgebouwd uit een fabriekshal met revolverpersen, een aaneenschakeling van droogloodsen en een ringoven met dertig meter hoge schoorsteen, die samen over een lengte van meer dan tweehonderd meter achter elkaar geplaatst waren. Architect Jules Carrette leverde het ontwerp, dat verder ook magazijnen en een machinezaal met ketelhuis omvatte. De grote compoundstoommachine werd later aangevuld met een kleiner exemplaar van de ‘Usine Carelse et Van Den Kerchove’ uit Gent. Daar was een generator op aangesloten die elektriciteit leverde voor de verlichting van het gehele fabriekscomplex.Afbeelding 4: Foto uit de jaren zestig van de ‘Engelse Wandeling’, met daarop de droogloodsen en dertig meter hoge schoorstenen van dakpannenfabriek ‘Pottelberg’

Na de Eerste Wereldoorlog brak een ongekende bloeitijd aan omdat voor het herstel van de oorlogsschade de behoefte aan dakpannen bijna onverzadigbaar was. Met name in de nabijgelegen ‘Westhoek’ waar Ieper en omstreken door de verwoestingen in een maanlandschap waren veranderd. In plaats van onderling te concurreren verenigden de branchegenoten zich in 1921 in het Kortrijkse Dakpannenkantoor en ook de Tuileries du Pottelberg sloot zich daar bij aan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel het bedrijf overigens zelf ten prooi aan het krijgsgeweld toen bij bombardementen een deel van de gebouwen vernield werd. In 1946 kon de productie al weer worden hervat en deze werd in de daaropvolgende vijfentwintig jaar zelfstandig voortgezet. Het Kortrijkse Dakpannenkantoor heette toen inmiddels ‘Koramic’ en vanaf 1971 kwam ook de fabriek van Pottelberg onder die naam bekend te staan. Verplaatsing van de productie naar de Koramic-vestiging in Aalbeke maakte in 1988 een einde aan de bedrijvigheid. Lang stond het complex niet leeg, want al in de jaren negentig volgde een herontwikkeling tot commerciële zone met naast dertig winkels ook een bowlingcentrum en fitnessclub. De voormalige droogloodsen die bij een brand in 2009 zwaar beschadigd raakten werden daarna in oorspronkelijke staat heropgebouwd en bevatten tegenwoordig naast winkels ook kantoren.Afbeelding 5: De droogloodsen van dakpannenfabriek ‘Pottelberg’ in hun nieuwe rol als onderdeel van het gelijknamige winkelcentrum.

In navolging van de ‘SA Tuileries du Pottelberg’ kwamen ook elders in de Leiestreek grote dakpannenfabrieken tot stand. Als eerste was dat in 1899 in het ten zuidwesten van Pottelberg gelegen dorp Marke de ‘SA Tuileries de Marcke lez Courtrai (nabij Kortrijk)’. Deze zou uiteindelijk met drie productiestraten wat capaciteit betreft zijn ‘buurman’ in Pottelberg gaan overtreffen. Daarna verrezen er ook fabrieken in Aalbeke (Tuileries de Sterreberg, 1907), Lauwe (Lauwberg, 1910) en Zwevegem-Knokke (Briqueterie Moderne de Courtrai, voorheen een steenfabriek). In 1923 vestigde zich ten oosten van Kortrijk, op een terrein tussen de spoorlijn naar Ronse en het Kanaal Kortrijk-Bossuit, de ‘Tuileries du Littoral’. Het bedrijf kwam voort uit de ‘SA Céramiques et Briqueteries Méchaniques du Littoral’, waarvan de fabriek voorheen in Ramskapelle bij Nieuwpoort had gestaan (nabij de kust, vandaar ‘Littoral’). Deze was echter door het oorlogsgeweld volledig verwoest en aangezien de dakpannenbranche in Kortrijk na de oorlog zo profijtelijk was besloot directeur Ernest Dumolin om daar eveneens in actief te worden.

Grofweg baseerde architect Walter Vercoutere zijn ontwerp voor de ‘Tuileries du Littoral’ op dat van vakgenoot Carrette en plaatste de fabriekshal, droogloodsen en ringoven op één lijn, waarbij de twaalf aaneengesloten droogloodsen eveneens van de kenmerkende schilddaken waren voorzien. De zeer fraai uitgevoerde machinekamer was ook hier uitgerust met twee stoommachines, in dit geval afkomstig van de firma Van Coppenolle uit Berchem-Oudenaarde. Voorts bevonden zich op het complex een directeursvilla, kantoorgebouw, arbeiderswoningen en een smalspoorcircuit dat zich uitstrekte tot de kleigroeve aan de Oudenaardsesteenweg. De benodigde steenkool werd via het kanaal aangevoerd vanuit de Waalse kolenmijnen, de geproduceerde dakpannen konden per spoor naar de klanten getransporteerd worden. Ondanks de economische crisis van de jaren ’30 bleef de productie van dakpannen tot aan de Tweede Wereldoorlog groeien en de export droeg daar in niet geringe mate toe bij. Ook tijdens de wederopbouwjaren brandden de ovens onafgebroken, maar eind jaren vijftig trad er een kentering op. De klassieke dakpan raakte in nieuwbouwprojecten uit de gratie en de ‘Littoral’ moest nieuwe wegen gaan bewandelen. Het bedrijf trad toe tot de Koramic-groep en schakelde over op de productie van prefabwanden met keramische tegels. Daardoor raakten veel gebouwen buiten gebruik en toen in 1988 het complex definitief gesloten werd bezat het nog grotendeels haar oorspronkelijke machinepark.

Als meest compleet behouden gebleven dakpannenfabriek uit de regio kreeg ze in 2005 de monumentenstatus, al gold deze niet voor het volledige complex. Koramic, dat ondertussen onderdeel was gaan vormen van het Oostenrijkse bouwmaterialenconcern Wienerberger, ging in 2008 over tot sloop van de onbeschermde gebouwen en restaureerde de droogloodsen, machinekamer en schoorsteen. Daarbij werd volgens het box-in-box-principe een volledig nieuwe binnenruimte gecreëerd, los van de buitengevels en met twee- in plaats van de oorspronkelijke drie verdiepingen. Zo ontstond in het honderddertig meter lange gebouw een totaal nuttig oppervlak van bijna vierduizend vierkante meter dat sinds 2011 de kantoren en showroom van het bedrijf herbergt.Afbeelding 6: De box-in-box-constructie waarmee in de voormalige droogloodsen van de ‘Tuileries du Littoral’ een nieuwe binnenruimte tot stand is gebracht.