Witten

Ziegelei Dunkelberg (9)Afbeelding 1: LWL-Industriemuseum Zeche Nachtigall omvat een dubbele ringoven met vierkante schoorsteen, machinekamer en werkplaatsen van de voormalige steenkolenmijn, een spoorwegemplacement van de Ruhrtalbahn en een smalspoornet.

Weliswaar domineerde de ‘Montanindustrie’ met haar hoogovens, staalfabrieken en steenkolenmijnen meer dan een eeuw lang de economie van het Ruhrgebied, ook andere industriële sectoren waren vertegenwoordigd om te voorzien in de behoeften van de grote aantallen arbeiders die hierin werkzaam waren. Huisvesting, al of niet in een fabriekswijk of mijnkolonie (‘Siedlung’), nam daarbij vanzelfsprekend een belangrijke plaats in en deed de vraag naar baksteen sterk stijgen. De benodigde klei hiervoor was ruim voor handen in de dalen van de drie rivieren die het gebied in oost/westelijke richting doorsneden: Emscher, Lippe en uiteraard de Ruhr zelf. Maar het was ook in deze rivierdalen dat al vroeg de eerste steenkolenwinning plaats vond, omdat de aanleg van diepe mijnschachten nog niet mogelijk was en men daarom via de hellingen de steenkolenlagen aanboorde. Nabij het stadje Witten, onder Bochum, begon dit al in de vroege achttiende eeuw en kwam er een grote steenkolenmijn (‘Zeche’) genaamd Nachtigall uit voort. Nadat deze kort voor 1900 buiten gebruik werd gesteld, waren de kleilagen aan de beurt om geëxploiteerd te worden. Steenfabriek Dünkelberg maakte daarbij dankbaar gebruik van het smalspoornet, enkele mijngebouwen en de resterende steenkoollagen voor het stoken van de ovens. Zo werd de voormalige ‘Zeche’ nog ruim zeventig jaar benut als ‘Ziegelei’. Al enkele decennia is Zeche Nachtigall één van de acht industriemusea van het Landesverband Westfalen Lippe (LWL)FotoAfbeelding 2: In de machinekamer staat de stoommachine uit 1887 die in Zeche Prosper Haniel te Bottrop de liften aandreef, ook wel aangeduid als Fördermaschine. 

De eerste vermelding van Zeche Nachtigall in de archieven dateert uit 1645, hoewel er pas in 1714 aan twee boeren een concessie werd verleend voor de winning van steenkool. Deze was zoals op veel plaatsen in het Ruhrgebied nog gebaseerd op ‘Stollenbau’, waarbij horizontale gangen, zogenaamde Stollen, werden gegraven in de hellingen van het dal, in dit geval het Muttental. De oorsprong van het Duitse woord voor mijnbouw, ‘Bergbau’, is hier op terug te voeren. Gedurende de achttiende eeuw wisselde de Zeche regelmatig van eigenaar en grote hoeveelheden steenkool werden er niet gedolven. Problemen met de waterafvoer kunnen daar de reden van zijn geweest, al manifesteerden die zich op uiteenlopende wijze. Zo werd in 1803 de volledige steenkolenvoorraad die aan de oever van de Ruhr gereed lag voor transport weggevaagd door het hoogwater. Rond 1830 raakten de steenkolenlagen die via Stollenbau bereikbaar waren uitgeput en ontstonden er plannen om op schachtbouw (‘Tiefbau’) over te gaan. Hiertoe verenigde Nachtigall zich met de naburige Zechen Eleonore, Theresia, Widerlage, Aufgottgewagt, Braunschweig Nord en Turtelbau Nordflügel om gemeenschappelijk de kosten van de waterafvoer door middel van pompen en waterbekkens te dragen. De schacht werd gegraven nabij de monding van de Muttenbach in de Ruhr en volledig met houtwerk gestut. Vanwege de wateroverlast moest er al snel een stoommachine geïnstalleerd worden om de pompen permanent te kunnen laten draaien en werd een ondergronds leidingstelsel aangelegd voor afwatering naar de Ruhr. Na het bereiken van een diepte van zestig meter in 1836 (tweede niveau) kon al zoveel steenkool gedolven worden dat een uitbreiding van de overslagfaciliteiten aan de Ruhr noodzakelijk was en startte ook de productie van cokes voor levering aan hoogovenbedrijven. Om de overstromingsproblematiek beter het hoofd te kunnen bieden besloot de directie in 1839 om naast de bestaande schacht Neptunus een tweede te laten graven die enkel en alleen bestemd was voor de waterhuishouding van de mijn: de Hercules. Dankzij deze voorziening was het mogelijk om verder te graven tot een diepte van negentig meter (derde niveau), al moest er wel een tweede stoommachine geplaatst worden om de pompcapaciteit verder op te voeren. Het houten schachtgebouw (‘Förderturm’) van Neptunus werd in 1842 vervangen door een stenen exemplaar. Enkele overstromingen in 1846 bij het bereiken van het vierde niveau op een diepte van honderdnegen meter waren geen reden om van verdere graafactiviteiten af te zien en een jaar later bereikte men op honderddrieënvijftig meter diepte het vijfde niveau. Omdat de schacht niet loodrecht maar onder een hoek was aangelegd (‘tonnlägiger’), bevond men zich nu onder de rivierbedding van de Ruhr. Tot dan toe had geen enkele mijnbouwonderneming dat aangedurfd vanwege het gevaar voor waterdoorbraak. Uit veiligheidsoverwegingen werden de steenkolenlagen hier niet volledig gedolven om bovengelegen gesteentelagen zo stabiel mogelijk te houden. Door aansluiting van Zeche Nachtigall op de Muttentalbahn in 1848 kon de gewonnen steenkool ook per trein afgevoerd worden en ontstond de mogelijkheid om de productie nog verder op te voeren door aanleg van een derde schacht in 1850 : de Catharina. Vier jaren bereikte deze een diepte van tweehonderdtwintig meter en telde zeven niveaus. Daarmee was Zeche Nachtigall uitgegroeid tot de belangrijkste steenkolenmijn in de omgeving en de naburige Zechen Aufgottgewagt, Theresia en Widerlage gingen er dan ook organisatorisch in op. Hun gezamenlijk oppervlak bedroeg viereneenhalve vierkante kilometer, viel onder het Märkischen Bergamtsbezirk en hun kolenproductie was in 1855 het hoogste in heel het Ruhrgebied. Die koppositie moest Zeche Nachtigall al snel prijsgeven omdat de wateroverlast een blijvende handicap was. Het tonnage aan opgepompt water bedroeg het twaalfvoudige van de hoeveelheid gedolven steenkool. De rijke kolenlagen rechtvaardigden niettemin verdere investering, onder andere in een stoommachine die met vijfhonderd paardenkrachten destijds de sterkste in zijn soort was. In 1861 volgde de overname van nog eens vier andere Zechen: Laura, Martha, Vollmar en Braunschweig Nordflügel. Catharina en Hercules zouden de belangrijkste schachten van Zeche Nachtigall blijven en met allebei tien niveaus een maximale diepte bereiken van vierhonderdtwintig en vierhonderdvijftig meter in respectievelijk 1866 en 1876.  In laatstgenoemd jaar konden de mijnwerkers, zo’n vijfhonderd in getal, voor het eerst met een liftkooi in de mijn afdalen en waren ze hiervoor niet meer op een tijdrovende tocht via tientallen ladders aangewezen. Ondanks de technische vooruitgang was de waterhuishouding in de daaropvolgende jaren steeds moeilijker onder controle te houden. Zo liepen in 1878 de onderste drie niveaus volledig onder water. Dergelijke overstromingen herhaalden zich in 1880 en 1882, maar toch duurde het nog tot 1892 voordat Zeche Nachtigall definitief werd stilgelegd. Alle kolenlagen waren toen uitgeput of niet meer afdoende droog te leggen voor exploitatie.Ziegelei Dunkelberg (11)Afbeelding 3: Met Kleinzeche Eimerweise voorzag steenfabriek Dünkelberg in haar eigen behoefte aan steenkool. 

Enige tijd na de stillegging van de mijn werd het complex overgenomen door ondernemer Wilhelm Dünkelberg. Hij liet het grootste deel van de gebouwen afbreken om plaats te maken voor een steenbakkerij (‘Ziegelei’) in, waarvoor in 1897 een dubbele ringoven werd opgetrokken boven de voormalige schacht Hercules. Als grondstof voor de bakstenen diende ‘Schieferton’, een zeer lemige klei die zich in het Ruhrtal tussen de steenkolenlagen bevindt. Deze was in grote hoeveelheden op de mijnsteenbergen (‘Halden’) beland en vond nu alsnog een nuttig toepassing. Enkele mijngebouwen, zoals de werkplaats en de machinehal, werden opnieuw in gebruik genomen ten behoeve van de steenfabriek. Voor de benodigde brandstof hield Dünkelberg een zogenaamde Kleinzeche in stand, schacht Eimerweise geheten, die weliswaar een geringe diepte van vijftien meter had, maar voldoende steenkool leverde om de ringovens te stoken. Tot 1964 bleef het complex in deze hoedanigheid in gebruik, waarna een periode volgde waarin het enkel als schrootplaats diende alvorens in 1982 de voorbereidingen voor de totstandkoming van een industriemuseum aanvingen. Na restauratie van de ringovens en mijngebouwen volgde plaatsing van een stoommachine uit 1887 die afkomstig was van Zeche Prosper Haniel in Bottrop en de bouw van een replicakolenschip zoals die eens de Ruhr bevoeren. Om het publiek een indruk te geven van het dagelijkse werk op Zeche Nachtigall is er een ‘Besucherbergwerk’ ingericht, waarin men veilig op maaiveldniveau de duisternis van een mijngang en decibellen van het persluchtgereedschap kan ondergaan. Voor wie toch een blik in de diepte wil werpen is in de ringoven de opening van schacht Hercules nog altijd zichtbaar.