Amsterdam

In het rijke monumentenbestand van onze hoofdstad zijn de voormalige nutsvoorzieningen goed vertegenwoordigd. Dat geldt ook voor de gebouwen die de Amsterdammers en hun bedrijvigheid van energie voorzagen. Terwijl de meeste steden al vrij snel na de aardgasvondst in Groningen hun gasfabrieken lieten slopen, om na grondige sanering van de bodem een nieuwe invulling te geven aan de vrijgekomen terreinen, is in Amsterdam het grootste deel van het Westergasfabriekscomplex (1883), inclusief de gashouder, behouden gebleven. Na decennia van leegstand werden de gebouwen vanaf 1992 geschikt gemaakt voor creatieve en culturele activiteiten, waarvan de evenementen in de voormalige gashouder door televisie-uitzendingen de meeste bekendheid genieten. De Oostergasfabriek (1887) werd door verminderde afname als gevolg van de opkomst van elektrische verlichting al in 1922 buiten dienst gesteld. Het retortgebouw van dit complex kreeg in 1929 een nieuwe bestemming als Sportfondsenbad, destijds de eerste in zijn soort. De ammoniakfabriek was drie jaar eerder al omgebouwd tot dierenasiel en is dat nu nog steeds.  Het zuiveringsgebouw tenslotte heeft door de decennia heen dienst gedaan als garage van de stadsreinigingsdienst, autobusmuseum en kringloopwinkel. De Noordergasfabriek (1913) is tegenwoordig een bedrijfsverzamelgebouw en van de Zuidergasfabriek (1913) staan enkel nog de monumentale watertoren en de directiewoning overeind. Dat naast deze gasfabrieken ook van de eerste gemeentelijke elektriciteitscentrale uit 1903 nog een groot gedeelte resteert is nauwelijks bekend bij het publiek. En evenmin dat de eerste elektriciteit al twintig jaar eerder werd opgewekt, notabene in het hart van de stad waar vandaag de dag nog een schoorsteen herinnert aan deze allereerste centrale.amsterdam-1Afbeelding 1: De voormalige energiecentrale gezien in noordwestelijke richting. Aan de zuidwand is nog goed te zien waar eens het ketelhuis op het machinegebouw aansloot. 

Net als in de meeste steden kwamen ook in Amsterdam de eerste ontwikkelingen op het gebied van de elektriciteit voort uit particulier initiatief. Hotel Krasnapolsky op De Dam had in 1883 de primeur toen het ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling zijn wintertuin verlichtte met gloeilampen. Om de gasten het comfort van elektrisch licht te kunnen bieden, en daarmee stank en roet van gaslicht te besparen, liet Wilhelm Adolf Krasnapolsky op het achterterrein een stoommachine met generator plaatsen in een bestaand magazijngebouw. Nu waren het echter de omwonenden die hinder ondervonden. Daarom pakte hij het professioneler aan en bouwde de installatie uit tot een elektriciteitscentrale met een schoorsteen van zesentwintig meter hoog om overlast door rookgassen te voorkomen. Bovendien genereerde hij nu voldoende vermogen om ook de omringende buurt van stroom te voorzien, zodat de bewoners en ondernemers daar al überhaupt geen reden tot klagen meer hadden. Als NV Nederlandsche Electriciteits Maatschappij heeft deze onderneming slechts tien jaar gefunctioneerd. Na recente restauratie door de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel heeft het gebouw zijn oorspronkelijke functie als energieleverancier overigens herkregen, omdat het vermaarde hotel hier vervolgens een warmtekrachtkoppelingscentrale in heeft ondergebracht.amsterdam-2

Afbeelding 2: Binnenzijde van het machinegebouw, met op de achtergrond het gedeelte uit 1903 met de zuigerstoommachines en op de voorgrond de aanbouw uit 1908 met stoomturbines. 

In 1900 nam de Amsterdamse gemeenteraad het besluit om een eigen elektriciteitscentrale te bouwen, aangezien naast openbare verlichting ook elektrificatie van de tram en havenkranen kort daarvoor mogelijk was geworden. Voor de locatie van deze nieuwe voorziening viel het oog op een stadsgebied dat als ‘Kadijken’ of ‘kadijkseiland’ werd aangeduid. Het betrof een stadsuitbreiding die in de tweede helft van de zeventiende eeuw ten oosten van de binnenstad tot stand kwam en planologisch de ‘Vierde Uitleg’ wordt genoemd. De basis hiervoor vormde een zomerdijk (ofwel kadijk) die na ophoging een laag en hoog gedeelte kreeg, waar in het huidige stratenpatroon de Laagte Kadijk en Hoogte Kadijk nog een verwijzing naar vormen. In de volgende eeuw stagneerde de bevolkingsgroei echter, waardoor handel, en later industrie, zich gingen vestigen op de Kadijken. Het langgerekte gebied ligt tussen de Nieuwe Vaart in het noorden en Entrepotdok in het zuiden. Halverwege werd het doorsneden door een sluizencomplex, waardoor het ‘Kadijkseiland’ ontstond. Aan het Entrepotdok verrees één aaneengesloten wand van pakhuizen die tegenwoordig een woonbestemming hebben. Aan de Nieuwe Vaart zijn de scheepswerven ‘Koning William’ en ‘Kromhout’ nog steeds in gebruik, waarbij laatstgenoemde tevens een museum is waar de beroemde Kromhout-motoren bewonderd kunnen worden die er eens gefabriceerd werden. In 1901 startte de bouw van de centrale op een perceel tussen de Hoogte Kadijk in het noorden, de hoofdverbindingsweg van de ‘Kadijken’, en de entrepothaven in het zuiden, waar een loskade werd aangelegd voor de aanvoer van steenkool. Het complex bestond (van noord naar zuid) uit een machinehal, ketelhuis met twee schoorstenen en kolenopslag die in lengterichting parallel aan de Hoogte Kadijk georiënteerd waren en aan oostelijke zijde op een representatief kantoorgebouw van drie etages aansloten. De dienst Publieke Werken van de gemeente Amsterdam liet zich bij het ontwerp inspireren door de stijlkenmerken van het Eclecticisme. Deze stroming was destijds weliswaar nog heel gangbaar, toch diende zich in de architectuur al een nieuwe tijd aan. Want in 1903 kwam in de hoofdstad niet alleen de nieuwe elektriciteitscentrale gereed, maar ook het beursgebouw dat architect Hendrik Berlage schiep volgens de principes van het rationalisme. In de machinehal installeerden Gebr. Stork & Co uit Hengelo vijf zuigerstoommachines met elk een vermogen van 1000 pk. De ketels werden door het even verderop in Oostenburg gevestigde Werkspoor geleverd en waren van het zogenaamde Piedboeuf-type, waarin de warmte-uitwisseling met behulp van vlampijpen sterk was verbeterd in vergelijking met de enkele vuurgang in Cornwall-ketels. De elektrische installatie was afkomstig van de Berlijnse Allgemeine Elektricitäts Gesellschaft (AEG) en bestond uit dynamo’s voor de levering van gelijkstroom aan het tramwegnet en havenkranen en alternatoren voor de opwekking van wisselstroom (draaistroom) ten behoeve van huishoudens en bedrijven. Opwekking en distributie van elektriciteit door de gemeente bleek een groot succes, wat reeds vijf jaar later een capaciteitsuitbreiding noodzakelijk maakte. Hiertoe werden de machinehal, het ketelhuis en de kolenopslagloods in westelijke richting in lengte verdubbeld en aan die zijde eveneens afgesloten met een kantoorgebouw, dat net als het eerste exemplaar aan de oostzijde bestond uit drie etages en een gevel met middenrisaliet, bekroond met een kleine geveltop. Geheel in lijn met de stand der techniek werden nu geen zuigerstoommachines meer geplaatst, maar stoomturbines die in staat waren om stoomkracht direct om te zetten in een draaiende beweging. Bovendien produceerde de centrale vanaf 1911 enkel nog wisselstroom, aangezien het juist de afname door huishoudens, winkels en kleine bedrijven was die de sterkste groei vertoonde. Twee decennia lang vervulde het deze rol en voorzag daarbij het grootste deel van Amsterdam van elektriciteit. Tegen die tijd was de vraag al weer zo sterk gestegen dat een nieuwe capaciteitsuitbreiding dringend gewenst was, hoewel de ruimte daarvoor ontbrak. Die was er wel op de Noordelijke IJ-oever, waar de stedelijke ontwikkeling kort na de eeuwwisseling een aanvang had genomen. Nadat hier in 1913 aan het Gedempte Hamerkanaal al een gasfabriek in gebruik was genomen, volgde in 1918 een elektriciteitscentrale aan de Buiksloterham. Gelegen tussen de Papaverweg en  het Van Hasseltkanaal, waar de aanvoer van steenkool plaats vond, strekte het terrein zich over honderden meters uit. Besloten werd dan ook om hier niet alleen energie voor Amsterdam-Noord, maar voor de hele stad op te gaan wekken en voor dat doel de centrale Noord II te bouwen. Toen deze in 1930 operationeel werd kon een jaar later het geleverde vermogen in de centrale Oost aan het entrepotdok langzaam afgebouwd worden. En in de toekomst zou Amsterdam voor haar energieproductie nog verder naar de stadsrand uitwijken, want kort na de Tweede Wereldoorlog begon de bouw van een nog grotere centrale aan de Hemweg. Langs de spoorlijn naar Zaandam werd deze Hemwegcentrale in vijf jaar tijd opgetrokken en met acht schoorstenen van tachtig meter hoogte op één lijn was het tientallen jaren lang een beeldbepalend bouwwerk aan deze toegang tot de hoofdstad. Na sluiting van de Centrale Noord in 1982 is de Hemwegcentrale als laatste in Amsterdam actief en levert vandaag de dag een maximaal vermogen van 1100 MW dat deels uit steenkool, deels uit aardgas wordt opgewekt. Het Gemeentelijk Energiebedrijf werd in 1989 opgeheven en tegenwoordig is energiebedrijf Nuon er de eigenaar van.

amsterdam-3

Afbeelding 3: Het museum Energetica was tot 2007 in de machinehal gevestigd.

Op de stillegging van de Centrale Oost aan de Hoogte Kadijk volgde in 1946 de ontmanteling van haar machines, ketels en schoorstenen. Het complex zou vanaf die tijd enkel nog een rol in de distributie van elektriciteit blijven vervullen, waarvoor het oostelijk deel van de machinehal werd omgebouwd tot transformatorruimte. Hier wordt ook nu nog stroom van 150 kV omgevormd naar 10 kV voor verder transport naar de wijkverdeelstations. In 1955 werd aan de westzijde van het complex al een begin gemaakt met de sloop van het ketelhuis en de kolenopslag, maar het zou nog tot de jaren negentig duren voordat deze over de volle lengte van het complex verdwenen waren. Enkel de zuidmuur van de kolenopslag met bogen en steunberen werd als historisch waardevol bestempeld en opgenomen in het appartementencomplex Aquartis dat in 2001 op deze plaats aan het entrepotdok gebouwd werd. In het westelijk deel van de machinehal opende in 1999 het museum Energetica haar deuren, dat er een collectie bestaande uit elektrische apparaten, zowel uit de huishoudelijke als professionele sfeer, tentoon stelde. Omdat de exploitatie in 2007 financieel niet meer vol te houden was, bracht men deze collectie onder bij het techniekmuseum NEMO. Een nieuwe bestemming heeft dit gedeelte van het complex sindsdien niet meer gekregen. Wel heeft het gehele complex inmiddels de status van rijksmonument, waardoor behoud voor de toekomst gegarandeerd is. Dit heeft het te danken aan haar cultuurhistorische waarde, als vroeg voorbeeld van elektriciteitsvoorziening binnen de stad Amsterdam, en architectonische waarde, hoewel deze door latere verbouwingen enigszins is aangetast. Wat dat laatste betreft gaat het dan vooral om het voormalige kantoorgebouw aan de westzijde waaraan later twee etages zijn toegevoegd, zonder de oorspronkelijke bouwstijl te eerbiedigen. De langgerekte noordgevel aan de Hoogte Kadijk is daarentegen vrijwel onaangetast gebleven en bestaat uit achttien traveeën  (negen uit 1903, negen uit 1908) met grote rondboogvensters op de begane grond en drie-aan-drie gekoppelde vensters in Romaanse stijl op de eerste etage. In het interieur van de twee machinehallen (bij de ombouw tot transformatorgebouw weer van elkaar gescheiden door een muur) is nog veel van de originele constructie te herkennen zoals de kap met houten dakbeschot en ijzeren vakwerkspanten, twee loopkranen met een hefvermogen van vijfentwintig ton, een fraaie gebogen trap met koperen leuning die naar een opzichtersplatform voert en een souterrain met trogplafond en koelwaterbakken. Op dit moment zijn er in Nederland achttien voormalige elektriciteitscentrales met de status van rijksmonument, waarvan er slechts één qua stijl en bouwperiode congruent is aan die van de Hoogte Kadijk, namelijk die van Haarlem. Het is dit aspect dat beide monumenten naast cultuurhistorische- en architecturale waarde ook zeldzaamheidswaarde verschaft.