Essen

Afbeelding 1: In 1821 liet Franz Dinnendahl op deze plaats in Hottrup (Essen) een machinefabriek bouwen. De huidige machinehal en het portiergebouw dateren echter uit 1925.

Dankzij steenkool en staal groeide het Ruhrgebied uit tot het industriële hart van Duitsland. Voormalige mijnen en hoogovens domineren dan ook het industrieel erfgoed dat er heden ten dage nog te bewonderen is. Maar de machines en installaties die men daar aantreft moesten ook ergens gemaakt worden en de fabrieken die daar nog aan herinneren zijn een stuk schaarser. Die van Franz Dinnendahl in Essen is er één van, hoewel haar historie veel verder teruggaat dan de machinehal die nu dienst doet als appartementencomplex. Hij bouwde in 1803 de eerste stoommachine van Duitsland en wordt daarom samen met Friedrich Krupp en Franz Haniel tot de industriepioniers van het Ruhrgebied gerekend. Echter, in zijn geval gingen technisch vernuft en koopmansgeest helaas niet samen, waardoor hij in armoede stierf. Een industrieel imperium zoals Krupp Stahlwerke en de Gutehoffnungshütte heeft hij dan ook niet kunnen nalaten, maar de vraag naar machines was zo groot dat het bedrijf toch de volgende eeuw wist te halen en toen zelfs nog een stijlvol fabrieksgebouw kon laten neerzetten. Zoals zoveel branchegenoten ging het daarna op in een conglomeraat dat ook nu nog machines bouwt, maar dan voor andere sectoren en met klanten over de hele wereld.

Afbeelding 2: De eerste pompen in de Duitse steenkolenmijnen werden destijds nog aangeduid als ‘Kunstwerken’. De mijn van Franz Dinnendahl ontleende er zelfs zijn naam aan en dat gold ook voor de ijzergieterij die hij er later liet bouwen: de ‘Kunstwerkerhütte’.  

Toen Franz Dinnendahl in 1775 werd geboren in Horst an der Ruhr, tegenwoordig een stadsdeel van Essen, waren er in het dal van deze rivier al tientallen steenkolenmijnen actief. Deze hadden aanvankelijk vooral de steenkolenlagen die in de hellingen aan het oppervlak kwamen geëxploiteerd. Bij de aanleg van de eerste ‘Tiefbauschächten’ rond 1800 kregen de mijnbouwondernemers echter al snel te maken met waterdoorbraken en moesten ze gaan investeren in pompen om dit binnenstromende grondwater naar het oppervlak te brengen. In Engeland werden daar toen al bijna een eeuw lang stoommachines voor in gezet, eerst volgens het ontwerp van Thomas Newcomen, dat daarna verbeterd werd door James Watt. Opmerkelijk genoeg was de eerste onderneming in het Ruhrdal die er een exemplaar van liet installeren geen steenkolenmijn maar een zoutmijn. De Saline Königsborn in Unna had in 1799 de primeur toen ze haar zogenaamde ‘Feuermaschine’ in gebruik nam. Franz Dinnendahl was er getuige van en beschikte over het inzicht om de techniek te kunnen doorgronden. Als zoon van een molenaar in Horst was hij vertrouwd met ‘mechanieken’ en hoewel hij een opleiding tot timmerman had genoten was hem wel duidelijk dat deze in de toekomst niet meer uit hout maar uit ijzer geconstrueerd zouden gaan worden. Zijn eerste wapenfeit op dit gebied leverde hij een jaar later in Bochum waar steenkolenmijn (‘Zeche’) Vollmond een stoommachine uit Silezië had aangeschaft maar deze niet aan de praat kreeg. Franz Dinnendahl slaagde hier wel in en besloot met de ervaring en reputatie die hem dat opleverde zelf stoommachines te gaan bouwen. Hij opende een werkplaats in Altendorf (Essen) en bouwde daar stoommachines voor Zeche Elisabeth in Hörde (Dortmund), Zeche Wohlgemutch in Kupferdreh (Essen) en een steenkolenmijn (daar doorgaans aangeduid als ‘Grube’) in het Aachener Revier.

In 1807 is er voor het eerst sprake van een ‘Maschinenfabrik’ als hij zich in Essen op de Marlshof vestigt om daar zijn bedrijf, dat inmiddels zestig werknemers telt, voort te zetten. Zijn jongere broer Johann ging hem daar ondersteunen en hoewel ook hij technisch geschoold was, betroffen het toch vooral diens beter ontwikkelde administratief-zakelijke vaardigheden die van waarde bleken te zijn. Voor het eerst bouwde Franz Dinnendahl hier stoommachines voor klanten buiten de mijnbouw, zoals voor een steengroeve in Ratingen, een katoenspinnerij in Lüdenscheid en twee exemplaren voor het droogleggen van een bouwput voor een militair fort bij Wesel. Toch zouden de mijnbouwondernemers zijn belangrijkste opdrachtgevers blijven en dit was voor Franz aanleiding om ook zelf actief te worden in de steenkolenwinning. Nadat hij in 1816 twee stoommachines had geleverd aan de Zeche Kunstwerk in Huttrop (Essen) en tevens als aannemer was opgetreden voor de aanleg van de schachten en bovengrondse gebouwen, werd hij er uiteindelijk ook de hoofdeigenaar van door er zijn kapitaal in te investeren. Hij was inmiddels een man van aanzien geworden, met een zetel in de gemeenteraad van Essen en lidmaatschap van de vrijmetselaarsloge van Bochum. Na de Franse Tijd begon de concurrentie voor de gebroeders Dinnendahl, waarvan Johann inmiddels ook een eigen machinefabriek in Mühlheim an der Ruhr had, toe te nemen. Friedrich Harkort opende een machinefabriek in Burg Wetter en Jacobi, Haniel & Huyssen (JHH) volgde dat voorbeeld in Sterkrade (Oberhausen). De Dinnendahls hadden tot dan toe hun grote gietstukken laten maken door de hoogovens van de JHH (het latere Gutehofnungshütte), maar nu deze hun concurrent waren geworden besloot Franz om zelf een gieterij te beginnen op het grondgebied van zijn Zeche Kunstwerk. Deze ‘Kunstwerker Hütte’ ging niet alleen voor zijn eigen machinefabriek, maar ook voor andere opdrachtgevers uiteenlopende gietstukken vervaardigen zoals cilinders, walsen en andere machineonderdelen. Het benodigde ijzer liet hij helemaal uit het Siegerland komen om zijn klanten de beste kwaliteit te kunnen bieden.

Afbeelding 3: In de Dinnendahl’sche Maschinefabrik zijn tegenwoordig appartementen ondergebracht. Een informatiebord van de ‘Route der Industriekultur’ vertelt de geschiedenis van het bedrijf en zijn oprichter. 

Vanaf 1821 begon het tij te keren voor Franz Dinnendahl. In dat jaar brandde zijn machinefabriek in Essen af en moest hij hoge kosten maken om een nieuwe te bouwen op het terrein van zijn steenkolenmijn en ijzergieterij in Huttrop. Daarbij kwamen nog de investeringen in een cokesfabriek om deze brandstof voor de gieterij uit eigen kolen te kunnen produceren, met het doel om uit te groeien tot een geïntegreerd industrieel bedrijf. De inkomsten uit de machinebouw hielden echter geen gelijke tred met deze uitgaven, temeer omdat de orders op basis van voorfinanciering tot stand kwamen. Toen enkele van deze klanten niet aan hun betalingsverplichtingen konden voldoen kwam Dinnendahl in geldnood en moest hij hoge leningen afsluiten bij kooplui en edellieden uit Essen en omgeving, waarbij zijn villa als onderpand diende. De financiële ondergang was onafwendbaar en in 1825 volgde een faillissementsverklaring. Verzwakt door armoede en ziekte stierf Franz Dinnendahl nog geen jaar later in Rellinghausen (Essen).

Zijn zonen Johann en Wilhelm slaagden er echter in om de onderneming weer vlot te trekken, zij het in afgeslankte vorm. Het bedrijf bleef tot 1887 familiebezit en ging na 1900 verder als Aktiengesellschaft (naamloze vennootschap). Het productassortiment van de fabriek bleef zich richten op de mijnbouw. Wat begonnen was met stoommachines werd na 1900 uitgebreid met boormachines, ventilatoren en compressoren. Na een fusie met twee andere machinefabrieken in 1922 en 1930 ontstond in laatstgenoemd jaar de ‘Westfalia Dinnendahl Gröppel AG’ (WEDAG) met hoofdkantoor in Bochum. In de jaren vijftig stootte WEDAG haar fabriek in Huttrop af, waar toen nog zo’n driehonderd mensen werkten. Machines voor de steenkolenwinning bleef het bedrijf, nu als onderdeel van het KHD-concern, nog tot 2009 bouwen, alhoewel de cementindustrie ondertussen een steeds belangrijker afnemer was geworden. Ook in de jaren twintig van de vorige eeuw werd Maschinenfabrik Franz Dinnendahl nog eens geteisterd door brand, waarna in 1925 een moderne montagehal gebouwd werd. Deze werd in 1992 op de monumentenlijst geplaatst en onderging na de eeuwwisseling een herbestemming tot appartementencomplex. De naastgelegen Kunstwerkerstrasse herinnert nog aan de Zeche en Hütte waarmee Franz Dinnendahl zijn eigen ‘Montanunternehmen’ tot stand had willen brengen.