Osnabrück

Afbeelding 1: Het ophaalgebouw van de Hase-schacht van Zeche Piesberg is tegenwoordig een tentoonstellingsruimte van Museum Industriekultur Osnabrück. 

Toen in december 2018 een einde kwam aan de steenkolenwinning  in Duitsland, werd niet alleen in het Ruhrgebied afscheid genomen van deze sector, maar ook in het noordelijker gelegen Ibbenbüren. De meeste belangstelling ging uit naar de laatste steenkool die op 21 december in Bergwerk Prosper-Haniel bovengronds kwam, al betrof het hier een symbolische handeling aangezien de werkelijke productie al op 14 september van dat jaar was beëindigd. Dat voor deze plechtigheid de keuze viel op de laatste steenkolenmijn van het Ruhrgebied is volstrekt logisch, omdat de ‘Bergbau’ er tot voor kort zo’n zwaar stempel op gedrukt heeft. De economische herstructurering is er al decennialang gaande en hoewel neergang en verval her en der duidelijk zichtbaar zijn, geldt de aanpak internationaal gezien in vergelijking met andere grote steenkoolgebieden onbetwist als het meest succesvol. In Bergwerk Ibbenbüren waren de laatste kompels al op 17 augustus bovengekomen en hield men de officiële sluitingsbijeenkomst op 4 december, de gedenkdag van de Heilige Barbara, die al eeuwenlang de schutspatrones van de mijnwerkers is. Wat omvang betreft heeft de mijnbouw in het Ibbenbürener Revier altijd in de schaduw gestaan van die in het Ruhrgebied, Aachener Revier en Saarland. Bovendien werden er enkel antracietkolen gedolven en die waren weliswaar belangrijk voor de energievoorziening, maar brachten minder op dan de vetkolen waar de ijzer- en staalindustrie behoefte aan had. Ongetwijfeld zullen ook in Ibbenbüren gebouwen en installaties, al dan niet herbestemd, ter herinnering behouden blijven, maar het publiek kan in deze regio al veel langer terecht in het nabij Osnabrück gelegen Piesberg om kennis te nemen van het mijnbouwverleden. Daar bevindt zich namelijk het bovengrondse complex van de Hase-schacht, waar de steenkolenwinning al in 1897 ten einde kwam en het nog altijd lijkt of de tijd er sindsdien heeft stilgestaan.

Afbeelding 2: In het ophaalgebouw bevindt zich nog de oorspronkelijke stoommachine.

Er is amper dertig jaar steenkool naar bovengehaald door de schachten van Zeche Piesberg, waarna het complex nog lang ten dienste stond van de zandsteenwinning. Het delven van steenkool in horizontale gangen, zogenaamde stollen, vond er echter al eeuwenlang plaats en de vroegste vermelding daarvan dateert uit 1461. De Piesberger steenkool werd destijds vooral gebruikt voor het stoken van de ovens waarin men kalk brandde, onder andere voor de bouw van de vestingwerken van Osnabrück. De berg, die zo’n honderd meter uit het landschap oprijst en ten noordwesten van de stad ligt, had daarmee een strategische betekenis en stond daarom vanaf 1568 onder controle van het stadsbestuur. Grote hoeveelheden werden er niet gewonnen, omdat de kwaliteit van de steenkool niet bijzonder hoog was en men bovendien te kampen had met wateroverlast. Om aan dat laatste het hoofd te bieden kwam er al in 1577 een ‘Wasserlösungsstollen’ tot stand, een lange gang die het water afvoerde naar een nabijgelegen moerasgebied. Begin achttiende eeuw deed men een beroep op de kennis en ervaring van mijnwerkers uit ’t Luikse en de Oberharz om met behulp van buskruit nieuwe stollen aan te leggen naar dieper gelegen steenkoollagen. Zo kwamen in 1727 onder andere de ‘Lücker Stollen’ en de ‘Mosberger Stollen’ tot stand, die echter weinig opbrachten en enkele jaren later alweer verlaten werden. Om dieper te kunnen delven werd vervolgens het plan geopperd om hiervoor pompen in te zetten die door windmolens zouden moeten worden aangedreven, hetgeen echter financieel en technisch niet haalbaar bleek. Dat de Piesberg desondanks in exploitatie bleef was te danken aan een verbeterde organisatie en betaling van mijnwerkers, die er zo in slaagden om uit de lagen die al lang geleden ontdekt waren toch nog steenkool te halen. Toen na afloop van de Franse tijd door de beginnende industrialisatie de behoefte aan steenkool toenam, besloot men om tientallen meters dieper dan de bestaande stollen een nieuwe aan te leggen vanuit het dal van de Hase. Op dit riviertje kon dan tevens het overtollige water worden geloosd. Het omvangrijke project nam jaren in beslag, maar werd uiteindelijk voltooid omdat de opkomst van de spoorwegen het perspectief bood om de steenkool ook buiten de regio af te kunnen zetten. In 1856 was Osnabrück door een spoorlijn verbonden met het westelijke gelegen Rheine, waar de textielindustrie een bloeiperiode doormaakte. Omdat deze spoorlijn op ruime afstand om de Piesberg heen liep, kwam er een aftakking om voor de afvoer van steenkool van deze nieuwe transportweg te kunnen profiteren.

SONY DSC

Afbeelding 3: Het voormalige magazijngebouw van Zeche Piesberg, dat ook dienst deed als ‘Kaue’: de ruimte waarin de mijnwerkers zich konden wassen en omkleden.

Met de Hase-stollen kon men weliswaar weer jaren vooruit, toch was duidelijk dat ‘Tiefbau’ met (verticale) schachten de enige mogelijkheid was om in de verdere toekomst de exploitatie vol te kunnen houden. Zo begon in 1868 de aanleg van de Hase-schacht, met daarboven een ophaalgebouw voorzien van een stoommachine om de liftinstallatie aan te drijven. Toen men de Hase-stollen in 1872 had bereikt en nog dieper ging kwam er een tweede stoommachine bij om met een pomp de schacht droog te kunnen houden. Aangezien een moderne steenkolenmijn over twee schachten diende te beschikken, voor evacuatie in geval van nood en ventilatie, begon men in 1873 de Stüve-schacht te graven, genoemd naar de toenmalige burgemeester van Osnabrück. Drie jaar later moest het werk op tweehonderd meter diepte echter worden stilgelegd vanwege waterdoorbraak. Pas na plaatsing van een tweede pompinstallatie kon het werk in 1884 weer worden hervat. Langzaamaan ging het stadsbestuur ondertussen inzien dat het beheer van een steenkolenmijn met zeshonderd arbeiders en een jaarproductie van tachtigduizend ton antraciet niet langer houdbaar was en daarom verkocht het in 1889 Zeche Piesberg aan de Georgs-Marien-Bergwerks- und Hüttenverein (GMV). De productie verdubbelde daarna in vijf jaar tijd bijna tot honderdvijftigduizend ton en het personeelsbestand steeg tot ruim negenhonderd werknemers.

Als mijnonderneming beschikte de GMV weliswaar over de kennis en ervaring om de wateroverlast in het gangenstelsel te beteugelen, de lozing van dit water ging door haar samenstelling echter een steeds groter probleem vormen. Hoe dieper men kwam, des te rijker bleek de bodem te zijn aan de zwavelhoudende mineralen pyriet en markasiet (allebei ijzersulfide), waardoor het water een hoge zuurgraad kreeg. Daar kwam nog eens het opgelost steenzout (natriumchloride) bij, waarvan het gehalte op kon lopen tot zo’n vijf procent. Zonder voorbezinking of neutralisatie kwam dit met een debiet van veertig kubieke meter per minuut in de Hase terecht, waar de omliggende vegetatie sterk onder te leiden had. Landbouwers die er irrigatievelden hadden ondervonden inmiddels de nadelige gevolgen en klaagden de GMV aan. Hoewel een afvoerkanaal naar de Ems als beste oplossing uit de bus kwam, maakte een studie snel duidelijk dat dit met een lengte van zestig kilometer te begrotelijk zou worden. Gekozen werd daarom voor een spaarbekken van dertig hectare en een inhoud van vijfhonderdduizend kubieke meter. Dit was voldoende om het afvalwater drie weken in vast te houden, waarin de boeren hun velden konden bevloeien met onvervuild water.

Afbeelding 4: Zeche Piesberg rond 1900 met het ophaalgebouw (1), directiekantoor (2), ‘Gesellschaftshaus’ (3), smederij (4), magazijn (5), kolenwasserij (6) en spoorwegemplacement (7).

In 1893 kwam het wederom tot een waterdoorbraak in de Stüve-schacht, ditmaal met acht dodelijke slachtoffers tot gevolg. Toen dit zich in 1897 ook nog eens in de Hase-schacht voortdeed stelde de GMV-directie zich de vraag of voortzetting van de exploitatie economisch nog verantwoord was. Naar schatting bevond zich nog voor vijfentwintig jaar steenkool in de bodem, maar om deze te kunnen winnen moest rekening worden gehouden met een af te voeren waterdebiet van tachtig kubieke meter per minuut. Dat ondertussen het personeel in staking was gegaan (niet omdat het voortbestaan van het bedrijf op het spel stond, maar vanwege de eis om op zeven katholieke feestdagen vrij krijgen) maakte een positief besluit er niet gemakkelijker op en op 18 juni 1898 viel het doek definitief voor Zeche Piesberg. Nog diezelfde dag werden de pompen stilgezet en kwam er reeds na dertig jaar een einde aan de industriële mijnbouw. Om in de benodigde steenkool voor haar hoogovens (‘hütten’) te kunnen blijven voorzien liet de GMV een nieuwe steenkolenmijn aanleggen in Werne (Noordrand van het Ruhrgebied), die in 1902 open ging en tot 1975 in productie zou blijven.

De gebouwen van de steenkolenmijn dienden vervolgens als onderkomen voor de arbeiders van de groeve waar zandsteen werd afgegraven. Deze activiteit kende al een lange geschiedenis en ook de gebouwen van de Zeche Piesberg werden uit deze steen opgetrokken. Er zijn zelfs plannen geweest om het als grondstof te gebruiken voor een cementfabriek, maar verder dan een ‘Brecherwerk’ zijn deze nooit gekomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er Russische krijgsgevangenen in ondergebracht, na afloop vluchtelingen uit Silezië, waarvan de laatsten pas begin jaren zestig vertrokken waren. Vanwege het brandstoftekort nam men tijdens de eerste wederopbouwjaren zelfs de steenkolenwinning in de eeuwenoude stollen weer even ter hand. Het is aan deze verschillende benuttingsvormen te danken dat het mijnbouwcomplex de twintigste eeuw wist te overleven, al verkeerden de meeste gebouwen aan het einde daarvan in een ruïneuze toestand. Er ontstond een initiatief om het te behouden, vooral omdat het met zijn rondboogarchitectuur en natuursteengebruik als vrij uitzonderlijk geldt in de industriële geschiedenis van dit deel van Duitsland. De restauratiewerkzaamheden begonnen in 1985 en waren in 1994 al zover gevorderd dat het Museum Industriekultur Osnabrück er in gevestigd kon worden.

Afbeelding 5: Van de Stüve-schacht, hier op een foto uit 1896, bleef alleen het twintig meter hoge pomphuis (rechts) als ruïne behouden. De restauratie ervan is in 2018 begonnen.

Hart van het museum vormt het ophaalgebouw van de Hase-schacht uit 1871, waarin zich naast een stoommachine voor het verticaal transport (132 pk) ook nog twee exemplaren bevonden om de pompen aan te drijven (450 en 64 pk). Samen met een exemplaar van 340 pk ondergronds slaagden twee laatstgenoemden erin om dertig kubieke meter water per minuut op te halen. Tegenwoordig begint hier de museumrondgang, waarna de bezoekers met een glazen lift dertig meter afdalen, om na een wandeling van driehonderd meter door de Hase-stollen in het magazijngebouw aan te komen. Dit deed overigens ook dienst als ‘Kaue’, de ruimte waarin de mijnwerkers zich konden wassen en omkleden. Van de kolenwasserij is nog maar een klein gedeelte overgebleven, waarin de geschiedenis van de mijnbouwonderneming wordt verteld. Deze liet overigens niet alle steenkool per spoor afvoeren naar grote klanten, maar verkocht een deel aan de plaatselijke bevolking, het zogenaamde ‘Landdebit’, waaraan een reclameaffiche nog herinnert. Mensen uit Osnabrück en omgeving kwamen ook regelmatig naar Zeche Piesberg vanwege het ‘Gesellschaftshaus’, een feestlokaal dat oorspronkelijk voor de mijnwerkers was bedoeld, maar waarin na verloop van tijd ook tal van verenigingen hun bijeenkomsten gingen houden. Het directiekantoor, met een fraaie klok in de gevel, en de smederij, het enige gebouw dat uit baksteen is opgetrokken, dateren beiden uit 1871. Hoewel Zeche Piesberg over een coöperatiewinkel beschikte, is de huidige ‘Konsum’ van later datum en zal vooral verkocht hebben aan arbeiders van de steengroeve. Ook het ‘Brecherwerk’ uit 1927 maakte onderdeel uit van dit bedrijf dat tot 2003 actief bleef.

Afbeelding 6: Het kwam niet vaak voor dat mijnbouwondernemingen affiches lieten drukken. Die ene keer dat ze dat wel deden, zoals de Georgs-Marien-Bergwerks- und Hütten Verein, kozen ze voor een opvallend fraai ontwerp.