Den Bosch

Den Bosch (7)Afbeelding 1: Directiegebouw, toegangspoort en machinehal van het Grasso-fabriekscomplex uit 1913 aan de parallelweg. Naast de oorspronkelijke bedrijfsnaam op het directiegebouw is ook die van het Duitse moederbedrijf GEA zichtbaar.

In vergelijking met andere steden in de provincie Noord-Brabant zoals Tilburg, Eindhoven, Helmond en Oss heeft Den Bosch nooit een traditie als industriestad gekend. Als belangrijke vesting groeide het in de negentiende eeuw uit tot een garnizoensstad met een aantal militaire kazernes die door behoefte aan voeding en kleding de lokale middenstand tot bloei brachten. Het betekende ook de komst van veel legerofficieren die samen met het personeel van het gerechtshof en de ambtenaren van het provinciebestuur een bovenlaag vormden die Den Bosch vooral het imago van een chique stad gaven. Toen aan het einde van die eeuw door de slechting van haar vestingwerken ruimte ontstond voor industriële bedrijvigheid, waren het vooral fabrieken voor consumptiegoederen die hier gebruik van maakten, mede omdat de koopkrachtige bevolking hen een interessante huismarkt bood. Vandaag de dag herinneren hier de gebouwen van De Gruyter, Verkade en Goulmy & Baar nog aan. Machinefabriek Grasso, waarvan de montagehallen en het kantoorgebouw ook behouden zijn gebleven, lijkt wat dat betreft een vreemde eend in de bijt. Groot geworden als bouwer van machines voor de margarineproductie, en later ook koelinstallaties voor tal van andere bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie, blijkt de onderneming toch beter in het Bossche plaatje te passen dan op het eerste gezicht lijkt. Grasso ontwikkelde zich tot een internationale onderneming, die in 1993 door toetreding tot het Duitse GEA weliswaar haar zelfstandigheid verloor, maar waarvan de naam nog altijd prominent zichtbaar is voor de vele treinreizigers die dagelijks spoorwegknooppunt Den Bosch passeren.Den Bosch (8)Afbeelding 2: Ook de cacao-verwerkende industrie was afnemer van Grasso’s koelcompressoren. Hier twee exemplaren bij de fabriek van Droste aan het Spaarne in Haarlem.  

Grondlegger van het bedrijf was Willem Grasso, zoon van de Tilburgse smid Hendrikus Grasso die zich in 1845 in Den Bosch vestigde. In 1858 besloot Willem op vijfentwintigjarige leeftijd voor zichzelf te beginnen met een smederij en werkplaats op het Hinthamereinde. Kennis en ervaring had hij opgedaan bij het metaalbedrijf Gilain in het Belgische Tienen en zijn clientèle vond hij onder landbouwers en tabaksverwerkers die bij hem werktuigen lieten vervaardigen of herstellen. Toen hij tien jaar later ook stoommachines en –hamers aan zijn assortiment toevoegde, was de werkplaats al snel te klein en gaf hij opdracht tot de bouw van een machinefabriek aan de Zuid-Willemsvaart. Van deze bedrijfslocatie is tegenwoordig niets meer te zien, maar zij bevond zich schuin tegenover het monumentale kruithuis. 1868 was ook het jaar waarin aan de Fransman Hippolyte Mège-Mouriès patent verleend werd op de bereiding van kunstboter, dat vanwege de parelachtige glans bekendheid kreeg onder de naam margarine (margarites is Grieks voor parel). Bij de Franse consument is het product nooit populair geworden, maar in feite had hij het dan ook ontwikkeld voor het leger dat behoefte had aan een broodsmeersel met lange houdbaarheid. Het kwam te laat voor de Frans-Duitse Oorlog (1870), hoewel het waarschijnlijk de smadelijke nederlaag van de Armée niet had kunnen voorkomen. Zoals wel vaker waren het ook nu ondernemers in andere landen die een Franse uitvinding wel tot een zakelijke succes wisten te brengen. Een prominente rol daarin speelde Antoon Jurgens uit Oss door in 1871 als eerste margarine op fabrieksschaal te produceren. Alle benodigde ingrediënten – rundvet, afgeroomde melk en koeienuier (als emulgator, de stabilisator van de vet/water-emulsie) – waren voor handen dankzij de veeteelt in de uitgestrekte weidegebieden aan de oevers van de Maas. Voor de benodigde machines in zijn fabriek zocht Jurgen het ook niet ver van huis en deed hij een beroep op Willem Grasso in Den Bosch. Het ging daarbij aanvankelijk vooral om verdampers, pekelbakken en karnkneders. De noodzaak voor margarineproducenten om grote hoeveelheden bederfelijke grondstoffen op voorraad te kunnen houden bracht Willem Grasso op het idee hiervoor de koeltechniek te gaan leveren. Om zich van de recente ontwikkelingen op dit gebied op de hoogte te stellen, liet hij zijn zoon Henri aan een hogeschool in Mittweida studeren en stagelopen bij een machinefabriek in Barmen. Want het was in Duitsland dat ingenieur Carl Linde een koelproces op basis van ammoniak had ontdekt dat in die jaren vooral toepassing vond in bierbrouwerijen, maar daarna ook in de koelhuizen van slachterijen. Die koelende werking was enkel mogelijk door de ammoniak te comprimeren en de daarvoor benodigde compressoren ging Grasso vanaf 1905 leveren. Ondertussen hadden zich echter de nodige veranderingen voltrokken binnen het bedrijf. In 1894 had Willem de leiding overgedragen op zoon Henri, die in 1896 besloot om wegens gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden Den Bosch te verlaten en zich in het naburige Vught te vestigen. Daartoe kocht hij de bedrijfspanden van steendrukkerij Henri Bogaerts aan de Taalstraat en richtte deze in als machinefabriek. De bedrijfshal moest later plaats maken voor een kerk met pastorie, maar de directeursvilla aan de ene en het kantoorgebouw aan de andere zijde staan daar nog altijd. Grasso was niet het enige bedrijf dat in deze periode zijn groeikansen buiten Den Bosch zocht. Dat gold twee decennia daarvoor ook voor de ijzergieterij en scheepswerf van de gebroeders Smulders, die hun activiteiten verder voortzetten in Utrecht. Opmerkelijk is ook dat deze onderneming, net als Grasso, voortkwam uit een smederij die oorspronkelijk in Tilburg gevestigd was. Bovendien kreeg de scheepswerf die de volgende generatie Smulders in Schiedam tot stand bracht de naam Gusto en vertonen ook de machinehallen en het kantoorgebouw die daar in 1905 verrezen wel enige gelijkenis met het complex dat Henri Grasso in 1913 in Den Bosch liet bouwen (zie reportage ‘Schiedam’ in de rubriek ‘Scheepswerven’). Want uiteindelijk kreeg die stad het voor elkaar om ten westen van het stationsemplacement ruimte te scheppen voor nieuwe bedrijvigheid en is Henri Grasso de eerste die daar gebruik van maakt. Niet alleen was het bedrijf in Vught inmiddels ook uit zijn jas gegroeid, het ontbreken van een aansluiting op het spoor- en waterwegennet begon eveneens een hinderlijke belemmering te worden. Vooral de opkomst van de zuivelindustrie met zijn vele coöperatieve fabrieken betekende rond de eeuwwisseling naast de margarine-industrie een interessante afzetmarkt voor koeltechnische installaties. Werden deze eerst nog onder licentie gebouwd, in 1910 kon Grasso een koelcompressor naar eigen ontwerp presenteren. Het nieuwe fabriekscomplex aan de parallelweg, getekend door de Tilburgse architect Frans De Beer, bestond uit drie gekoppelde productiehallen met een directiegebouw waarachter zich de werkplaatsen en het ketelhuis met de grote fabrieksschoorsteen (voorzien van bedrijfsnaam) bevonden. De beide buitenste hallen kregen een indeling in drie beuken ondersteund door ijzeren, geklonken, vakwerkstaanders die de rails voor de loopkat droegen en waren voorzien van een kapconstructie van geknikte vakwerkspanten, eveneens met geklonken verbindingen. Een monumentale entree met trappenhuis, glas-in-loodramen en borstbeeld van oprichter Willem Grasso verschaften het directiegebouw de allure die paste bij de internationale onderneming waartoe Grasso was uitgegroeid.Den Bosch (9)Afbeelding 3: Luchtopname van het fabriekscomplex uit de jaren vijftig, met op de achtergrond een gashouder van de gemeentelijke gasfabriek en de Diezehaven.

Gedurende WOI moest Grasso het uiteraard vooral van binnenlandse opdrachten hebben en daalde het personeelsbestand tot onder de tweehonderd werknemers. Toen Grasso na afloop van deze wereldbrand de zaken ook internationaal weer wilde pnpakken bleek al snel dat het economische klimaat veranderd was door opkomend protectionisme. Dit vormde aanleiding om zich met meer nadruk te richten op afzetmogelijkheden in Nederlands-Indië, waar gezien de tropische omstandigheden koelhuizen en ijsfabrieken belangrijke voorzieningen waren om het leven voor de koloniale machthebbers comfortabel te maken. Een verkoopkantoor in Soerabaja moest het aanwerven van opdrachten stimuleren, omdat in tegenstelling tot de overzeese gebiedsdelen van andere Europese landen men zich in Indië aanmerkelijk minder gebonden voelde aan de vaderlandse industrie. Bedrijven uit Duitsland en de Verenigde Staten hadden er gemakkelijk toegang en kaapten regelmatig opdrachten weg voor de neus van Nederlandse ondernemingen. In de jaren twintig mochten de bedrijfsresultaten dan wisselvallig zijn, in de jaren dertig deelde Grasso volop mee in de malaise en bereikte het personeelsbestand met zestig werknemers een dieptepunt. Met de ontwikkeling van een persluchtcompressor trachtte men een nieuwe klantenkring op te bouwen, maar dat zou pas op langere termijn zijn vruchten afwerpen. De financiële nood was echter zo acuut dat in 1937 Henri Grasso zijn bedrijf verkocht aan de gebroeders van Heijst uit Den Haag, eigenaren van een fabriek voor radiatoren en verwarmingsketels. Hoewel het aanvankelijk hun plas was om deze producten ook in Den Bosch te gaan vervaardigen, kwamen ze tot het inzicht dat de knowhow en het assortiment van Grasso voldoende toekomstperspectief had. Ironisch genoeg bleek dat al tijdens de bezetting, toen de compressoren van Grasso gretig aftrek vonden bij automobieleigenaren om bij gebrek aan benzine hun voertuig op persgas te laten rijden. Na de oorlog werd afscheid genomen van de machines voor de margarine- en zuivelindustrie en legde het bedrijf zich volledig toe op de ontwikkeling van perslucht- en koeltechniek. Zo opende Grasso in 1955 een nieuwe fabriek in Nijmegen voor de productie van pneumatische gereedschappen om op die manier de verkoop van persluchtcompressoren te stimuleren. Voor een betere positie op de internationale markt voor koelmachines kocht men bedrijven in België, Turkije, Mexico en Zuid-Afrika. Ter bekroning van honderdjarig bestaan in 1958 kreeg Grasso het predicaat ‘Koninklijk’ toegekend. Medio jaren zestig volgde opsplitsing in een machinebouw- en installatiebedrijf, waarbij laatstgenoemde activiteit verder ging onder de naam Grenco: Grasso Engineering and Contracting. Na een halve eeuw stapte Grasso in 1985 weer uit de persluchttechniek en ging acht jaar later op in het Duitse bedrijf GEA, een wereldspeler in machinebouw voor de levensmiddelenindustrie. Onder de naam GEA Grasso worden in Den Bosch nog steeds koelinstallaties ontworpen en gebouwd. Daarvoor heeft men overigens nog maar een deel van het oude fabriekscomplex in gebruik. De overige gebouwen zullen door de gemeente Den Bosch de komende jaren ontwikkeld worden tot ‘Bedrijvencentrum Grasso’, dat huisvesting moet gaan bieden aan tientallen ICT-bedrijven.