Beuningen

De Bunswaard (2)Afbeelding 1: De naam ‘Burgers’ op de schoorsteen van De Bunswaard herinnert aan een ondernemersfamilie die een belangrijk stempel drukte op de Gelderse steenbakkerijsector. 

De baksteenindustrie is altijd zo prominent vertegenwoordigd geweest langs de Waal dat de naam van deze rivier verbonden is gebleven aan een steenoven-type: de Waaloven. Deze permanente veldovens, bestaande uit twee evenwijdige muren van vuurvaste steen, bleven in de Waalstreek tot na 1900 in gebruik omdat de klei er zich uitstekende leende voor het bakken van klinkers, maar de ringoven – geïntroduceerd rond 1870 – hiervoor ongeschikt was. De vlamoven, of kamerringoven met overslaande vlam, leende zich hier veel beter voor en toen men dit type vanaf 1915 begon te bouwen waren de dagen van de Waaloven snel geteld. Op steenfabriek de Bunswaard in Weurt, gemeente Beuningen, was het in 1917 zo ver, maar tot afbraak van de Waaloven is het nooit gekomen. Dat geldt ook voor de vlamoven en beiden hebben tegenwoordig de status van rijksmonument. Recent nam BOEi (Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed) het complex onder haar hoede om er een woonbestemming aan te geven. Daarbij kreeg de vlamoven een nieuwe (dubbele) kap met daaronder acht appartementen. Op de schoorsteen prijkt nog altijd de naam van Burgers, een Nijmeegse ondernemersfamilie die naast De Bunswaard en De Schans in Weurt ook eigenaar was van steenfabrieken in Deest, Afferden (De Turkswaard) en Beuningen (De Staartjeswaard). Deze bijdrage zal daarom niet alleen aandacht besteden aan De Bunswaard, maar ook stilstaan bij het fenomeen vlamoven en enkele woorden wijden aan het steenbakkersgeslacht Burgers.De Bunswaard (3)Afbeelding 2: De voormalige vlamoven van De Bunswaard heeft na de restauratie haar karakteristieke dubbel zadeldak weer teruggekregen.

De naam Bunswaard gaat terug tot de middeleeuwen, toen er op deze stroomrug in de Waal een kasteel met deze naam stond. Kasteelheer Diederik van Lent controleerde er de scheepvaart op Nijmegen, totdat de burgers van die stad dit als een belemmering gingen zien en De Bunswaard in 1355 om die reden verwoestten. In 1839 begonnen de broers Arend en Matthias Duys op deze plaats een steenbakkerij die in enkele decennia tijd uitgroeide tot een complex van zes veldovens met bijbehorende haaghutten en een opzichterswoning. Op het hoogtepunt, rond 1880, werkten er een kleine tweehonderd arbeiders die jaarlijks zo’n tien miljoen stenen bakten. Arend Duys was toen al dood en wanneer in 1895 ook Matthias sterft gaat de fabriek over in handen van hun jongere zuster Anna Catharina. Na haar overlijden in 1900 werd het bedrijf omgevormd tot ‘NV Steenfabrieken v/h Matthias Duys’ en volgde overname door Theodorus Albertus Burgers in 1911. Hij moderniseerde de fabriek door de bouw van een vlamoven, voorzien van een vijftig meter hoge schoorsteen uit harde radiaalsteen, en vervanging van de stoommachine door een elektromotor om de steenvormpers aan te drijven. De laatste nog resterende Waaloven werd omgebouwd tot droogloods en is op die manier tot op de dag van vandaag behouden gebleven. In 1920 zetten Bernardus en Theodorus Burgers het bedrijf van hun vader voort, dat door de economische crisis zelfs enkele jaren stil kwam te liggen. Dat gebeurde ook tijdens de oorlogsjaren, maar dan vanwege brandstofgebrek, en in 1944 nam het Engelse leger er positie om de vijand aan de overzijde van de Waal onder vuur te kunnen nemen. In 1952 was Antonius Burgers de laatste telg uit de familie die actief werd in de steenbakkerijsector. Op de Bunswaard werd toen al geen klei meer gewonnen en enkel de oven was nog in gebruik om stenen ‘af te bakken’ die elders gevormd en gedroogd waren. Dat dit een te smalle basis was om het complex economisch draaiende te houden bleek al in de jaren zestig toen De Bunswaard één van de eerste slachtoffers was van de naoorlogse saneringsgolf. Door de leegstand van bijna veertig jaar die hierop volgde was het dubbele zadeldak van de vlamoven dermate vervallen dat deze kort na de eeuwwisseling geheel moest worden gesloopt. Voordien werd de constructie echter volledig op tekening gezet, zodat bij de restauratie een exacte kopie kon worden gebouwd. Dat liet overigens nog tot 2015 op zich wachten, nadat in 2005 reeds de fabrieksschoorsteen een opknapbeurt had ondergaan. De huidige bewoners van de Bunswaard kunnen gebruik maken van een overdekte parkeerplaats die in de nabije toekomst boven op de voormalige veldoven gebouwd gaat worden. Deze zal ook plaats bieden aan een boot die bij hoogwater de verbinding met de vaste wal moet garanderen, aangezien de Bunswaard dan niet meer over de weg bereikbaar is. Naast beide ovens zijn ook de opzichterwoning uit 1856, de stal voor de fabriekspaarden en een achttiende-eeuwse boerderij behouden gebleven, weliswaar zonder rijksmonumentenstatus.De Bunswaard (4)Afbeelding 3: Bouwtekening van de vlamoven van steenfabriek De Bunswaard.

Een groot nadeel van de ringoven was dat er maar een klein percentage straatstenen uit te sorteren was: 85% was gevelsteen, 10% binnenmuursteen en maar 5% klinkers. Klinkers zijn bakstenen die door en door gesinterd zijn en een volmaakt dicht breukvlak hebben. De afstand tussen sinter- en smeltpunt moet groot genoeg zijn om enige tijd de sinterhitte vast te kunnen houden. Klinkers zijn te verdelen in metsel- en straatklinkers. Naar straatklinkers was in ons land juist veel vraag. Zo bedroeg in verbruik in Nederland in 1920 maar liefst vijfhonderd miljoen stuks. Deze vraag droeg bij tot de ontwikkeling van de vlamoven, of kamerringoven met overslaande vlam, omdat het principe van de ringoven gehandhaafd bleef. Het grote verschil met de stookwijze in de ringoven is dat bij de vlamoven op en tussen de stenen geen brandstof valt. De stenen komen alleen in aanraking met de vlammen of gloeiende gasstroom en niet met de steenkolen. Deze bevinden zich een afgescheiden compartiment binnen iedere stookkamer en komen tot ontbranding door de verhitte gasstroom uit de naburige stookkamer. Door het overslaande brandproces verkrijgt men een gelijkmatiger temperatuurverdeling en dus een beter gebakken product dan bij een ringoven. Men kan harder stoken, hetgeen voor het verkrijgen van straatklinkers vereist is. Hoewel de kostprijs van het product toenam door een verhoogd brandstofverbruik, woog dit ruimschoots op tegen de verbeterde kwaliteit. Aanvankelijk bakte men uitsluitend straatklinkers in de vlamoven. Later kwam, om de overproductie van straatklinkers tegen te gaan, het bakken van metselstenen meer en meer in gebruik, al was dat minder economisch dan in een ringoven. De eerste vlamoven werd in 1915 in het Utrechtse IJsselstein aangestoken en was ontworpen en gebouwd door de firma A. v/d Koppel. Het succes blijkt wel uit het feit dat er twee jaar later al negentien exemplaren in bedrijf of in aanbouw waren. Deze snelle groei is deels toe te schrijven aan de brandstofschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het bakken van klinkers in veldovens, zoals gewoonlijk geschiedde, was duurder dan in vlamovens, terwijl de vlamovens bovendien een uitstekende kwaliteit straatstenen leverden. De productie van straatstenen zou zich op den duur volledig concentreren in vlamovens. Na de onstuimige groei trad gedurende de oorlog een periode van stabilisatie in, waarbij de zwakkere ondernemers afvielen. In 1924 was het aantal ondernemingen met een of meerdere vlamovens in Nederland afgenomen tot zestien, die overigens wel het grootste deel van de straatsteenproductie voor hun rekening namen. Pas in de loop van de jaren dertig zou het aantal vlamoven weer gaan stijgen, zelfs tot boven de honderd, waarvan tachtig procent langs de grote rivieren was gesitueerd.De Bunswaard (5)Afbeelding 4: Een belangrijk verschil tussen een ringoven en een vlamoven is het feit dat laatstgenoemde uit afzonderlijke kamers bestaat.

Van twintig steenfabrieken kon worden vastgesteld dat ze gedurende kortere of langere tijd door een lid van de familie Burgers geëxploiteerd zijn. Deze stonden in Lobith-Spijk, Gendt, Erlecom, Ooij, Nijmegen, Weurt, Beuningen, Winssen, Afferden, Druten, IJzendoorn-Echteld, Beesd en Kerkdriel, waarvan er thans nog twee operationeel zijn (Van der Sanden in Spijk en Biezenveld in Kerkdriel). Samen met de eveneens uit Nijmegen afkomstige families Arntz (zie de reportage over Wijk bij Duurstede) en Geijn, waarmee al sinds de achttiende eeuw verwantschap bestond, drukte de familie Burgers haar stempel op de steenbakkerijsector in het Gelders riviergebied. Leden van deze families begonnen vaak als steenbakkersbaas en zetten vandaar uit de stap naar het zelfstandig ondernemerschap. Vooral de twee grote crises die de sector gekend heeft – de eerste tussen 1880 en 1890, de tweede tussen 1929 en 1945 – betekende voor hen een uitdaging om hun bedrijven te laten overleven. De één ging er aan ten onder, de ander wist zich aan de malaise te ontworstelen. Maar niet alleen economische crises bepaalden hun lot, jaarlijks hadden ze ook te maken met hoge waterstanden. Met name de verwoestende overstromingen van 1919 en 1926 betekende voor enkele van hen de nekslag, met als gevolg dat ze hun bezittingen moesten verkopen om hun schuldeisers te betalen.