Energiecentrales

Het zijn momenteel turbulente tijden voor de grote energiemaatschappijen. Dit ten gevolge van de opkomst van duurzame vormen van elektriciteitsopwekking en overheidsmaatregelen om meer marktwerking in deze sector tot stand te brengen. Zoals het zich nu laat aanzien zullen in Nederland de komende jaren versneld enkele energiecentrales stilgelegd gaan worden om aan de internationale CO2-doelstellingen te kunnen voldoen. Na verloop van tijd zal zich dan onvermijdelijk de vraag aandienen of er mogelijk exemplaren in aanmerking komen voor herbestemming in plaats van sloop. Reden dus om hier op deze plaats alvast een voorschot op te nemen door na te gaan wat hun industrieelhistorische waarde is en hoe het gesteld is met hun voorgangers die al langer geleden buiten bedrijf werden gesteld.Stoomweverij Nijverdal (1)Afbeelding 1: De bedrijfscentrale van de voormalige Koninklijke Stoomweverij in Nijverdal uit 1911. Machines en ketels zijn er uit verdwenen, een nieuwe bestemming laat nog op zich wachten.

Het is overigens niet voor het eerst dat de elektriciteitssector een stormachtige ontwikkeling doormaakt. Dat was ook een eeuw geleden het geval toen deze energiedrager net in opkomst kwam en er op technisch en organisatorisch gebied nog belangrijke keuzes gemaakt moesten worden. Wat het eerste betreft was de race tussen de twee concurrerende technische systemen, wisselstroom en gelijkstroom, nog niet gelopen. Uit oogpunt van opwekking had gelijkstroom aanvankelijk de voorkeur, omdat het parallel schakelen van generatoren om tot grotere vermogens te komen dan eenvoudiger was. Voor het transport over grotere afstanden presteerde wisselstroom daarentegen veel beter, vanwege het geringere energieverlies door warmteomzetting in de leidingen. Uit oogpunt van kostprijs waren deze factoren echter direct met elkaar verbonden. Door de inefficiëntie van kleinschalige opwekking was deze in de eerste decennia nog hoog en het aantal klanten daarom beperkt. Omdat de toepassing zich voorlopig nog beperkte tot licht – de eerste elektriciteitscentrales werden daarom ook wel lichtfabrieken genoemd – was productie van gelijkstroom in kleine eenheden door bedrijven, instellingen en gemeenten tot aan de Eerste Wereldoorlog nog een realistische optie voor het topsegment van de markt. Toen echter steeds meer bedrijven overschakelden van stoommachines op elektromotoren, elektrotractie zijn intrede deed in het personenvervoer en er naast gloeilampen ook andere elektrische apparaten op de consumentenmarkt verschenen was centrale opwekking in grootschalige eenheden dringend gewenst. Hiermee was onlosmakelijk verbonden dat de geproduceerde elektriciteit over grotere afstanden getransporteerd moest worden en wisselstroom daarmee in het voordeel was. De technische ontwikkeling had ondertussen niet stil gestaan. Kort na de eeuwwisseling begonnen stoommachines die generatoren aandreven plaats te maken voor stoomturbines die opwekking van wisselstroom in grotere vermogens veel efficiënter maakten. Elektriciteitscentrales met een vermogen van enkele tientallen Megawatts (MW) waren aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog al realiteit en vrijwel zonder uitzondering leverden zij wisselstroom.Ginneken - Elektriciteits Centrale (2)Afbeelding 2: De voormalige gemeentelijke elektriciteitscentrale van Ginneken uit 1904 heeft tegenwoordig een woonbestemming.

Nadat deze belangrijke technische keuze was gemaakt liet ook die op het organisatorische vlak niet lang meer op zich wachten. Deze spitste zich in eerste instantie toe op de vraag of de opwekking en distributie van elektriciteit een overheidstaak was of deze kon worden overgelaten aan private ondernemers. Omdat verlichting voorlopig de belangrijkste toepassing was van elektriciteit en haar tegenhanger gaslicht al decennialang overwegend geleverd werd door gemeentelijke gasbedrijven, leek het voor de hand te liggen om ook de elektriciteitsopwekking op dit niveau te organiseren. Kort na 1900 verrezen dan ook de eerste gemeentelijke centrales, niet alleen in de grote steden in het westen van het land, maar ook in kleinere plaatsen met een vooruitstrevend bestuurscollege. Toch hield de laatstgenoemde categorie niet lang stand omdat deze kleine eenheden onvoldoende efficiënt waren en er nog onvoldoende afzet was in dorpen en stadjes. Om de beschikbaarheid van elektriciteit ook voor de kleinere gemeenten te garanderen besloten de provinciale overheden deze taak op zich te nemen. Groningen liep hierin voorop door in 1913 het Provinciaal Electriciteitsbedrijf (PEB) op te richten en binnen tien jaar tijd had uitgezonderd het kleine Drenthe iedere provincie een dergelijke onderneming. Binnen de rijksoverheid had men hier zijn bedenkingen over omdat men vreesde voor oneerlijke concurrentie met particuliere stroomleveranciers en dat de totstandkoming van een landelijk elektriciteitsnet er in de toekomst door bemoeilijkt zou worden. Al snel zou blijken dat men het wat dat betreft bij het rechte eind had, want in de loop van de jaren twintig werd de een na de andere private of coöperatieve producent door het provinciale energiebedrijf overgenomen of gedwongen zijn activiteiten te staken. Ook veel gemeentelijke distributiebedrijven gingen in die jaren over in provinciale handen. Hoewel deze bedrijven aan het einde van het interbellum een vrijwel onaantastbare positie hadden in de provincie bedroeg hun gezamenlijke vermogen toch nog niet de helft van de totale elektriciteitsproductie in Nederland. De verklaring hiervoor is dat in de grote en een aantal middelgrote steden van Noord- en Zuid Holland de elektriciteitsbedrijven zelfstandig konden blijven. Dit dankzij het feit dat in deze gemeenten de energieconsumptie veel sneller toenam dan in het minder welvarende zuiden, oosten en noorden van het land. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht beschikten over de grootste centrales van het land en deze voorzagen ook omliggende gemeenten van stroom. Kort voor de Tweede Wereldoorlog was ook van een landelijk hoogspanningsleidingnet nog weinig tot stand gekomen, omdat de provinciale bedrijven zich vooral gericht hadden op uitbreiding van hun eigen capaciteit en er van regeringswege weinig druk was uitgeoefend om op dit vlak samen te werken. Toen men hier onder invloed van de oorlogsdreiging om strategische redenen wel vaart achter probeerde te zetten was het echter te laat om hier nog tijdens de energieschaarste van de bezettingsjaren van te kunnen profiteren.energiecentrales-2Afbeelding 3: De provinciale IJsselcentrale van Harculo uit 1955 is een fraai voorbeeld van wederopbouwarchitectuur dat desondanks naar verwachting in 2017 gesloopt zal gaan worden.

Zoals op velerlei gebied was ook voor de energiesector de wederopbouwperiode aanleiding om van de lessen uit het verleden te leren. In 1949 werd het verband Samenwerkende Elektriciteitsproductiebedrijven, kortweg de SEP, opgericht, teneinde de stroomopwekking beter te kunnen coördineren. Het hiervoor benodigde koppelnet op basis van een 150- en 110 kV-ringleiding die onderling verbonden waren kon in 1953 worden voltooid. Een tweede koppelnet van 380 kV-leidingen volgde in de tweede helft van de jaren zestig om aan de alsmaar stijgende vraag van consument en industrie te kunnen voldoen. Binnen laatstgenoemde sector deed zich een nieuwe ontwikkeling voor toen na de omvangrijke aardgasvondst in Slochteren van 1963 deze energiedrager op grote schaal en tegen voordelig tarief beschikbaar kwam. Na introductie van de straalmotor in de luchtvaart kwam al spoedig op basis van deze technologie de gasturbine tot stand, die het wel mogelijk maakte om relatief kleinschalig toch efficiënt en flexibel elektriciteit op te wekken. Voor energie-intensieve bedrijven zoals in de chemie, metallurgie, raffinage, delfbouw en het hoogovenbedrijf bood dit de mogelijkheid om onafhankelijk te worden van machtige stroomproducenten en zij gingen weer eigen centrales bouwen of bestaande exemplaren uitbreiden. Hoewel dit landelijk gezien slechts om een honderdtal bedrijven gaat, is hun capaciteit dusdanig groot dat het tegenwoordig toch om zo’n veertig procent van het totale industriële verbruik gaat. In geval van de elektriciteitsproducenten betekende de aanwezigheid van royale aardgasreserves juist dat een andere technologische ontwikkeling nauwelijks ingang vond, namelijk die van de kernenergieopwekking. Terwijl veel landen in de jaren zestig en zeventig deze vreedzame toepassing van atoomenergie enthousiast omarmden, kwam het in Nederland niet verder dan één enkele commerciële centrale, namelijk die van Borssele in Zeeland. Door de maatschappelijke weerstand en hoge investeringskosten, zagen de energiebedrijven af van meer kerncentrales en bouwden in plaats daarvan aardgasgestookte eenheden. Eind jaren negentig kwam er een einde aan de stabiele, overzichtelijke situatie voor de elektriciteitsproducenten. Naar voorbeeld van de Angelsaksische landen werd door de overheid een privatiseringsgolf in gang gezet die ook meer concurrentie op de stoommarkt moest brengen. De provincies werden verplicht om hun energiebedrijven te verkopen en deze kwamen deels in buitenlandse handen (o.a. het Duitse RWE en E ON, het Franse GDF Suez en het Zweedse Vattenfall). Vervolgens zagen zij gedurende de afgelopen jaren hun afzet dalen door de import van goedkope elektriciteit uit zon en wind vanuit Duitsland en dalend verbruik door de industrie vanwege de economische crisis. Dit terwijl zij onlangs nog fors geïnvesteerd hadden in nieuwe, grote gas- en kolencentrales. Ofschoon het uit oogpunt van CO2-reductie voor de hand zou liggen om gascentrales in gebruik te stellen, liggen deze nu juist stil omdat ze bij de huidige aardgasprijzen niet rendabel kunnen produceren. Geïmporteerde steenkool is daarentegen nog nooit zo goedkoop geweest, zodat de capaciteit van verouderde kolencentrales en onrendabele gascentrales vervangen zal worden door de moderne kolencentrales. Geheel tegen de klimaatdoelstellingen van de overheid in is het aandeel van deze energiedrager in het landelijk totaalverbruik dan ook weer stijgende. Groene stroom blijft steken op amper 5% en dat alleen maar omdat naast zonne- en windenergie ook de energieopwekking uit biomassa tot deze categorie wordt gerekend.Transformatorstation Beek-Ubbergen (1)Afbeelding 4: Het erfgoed van onze elektriciteitsvoorziening beperkt zich niet tot de centrales. Dit onderstation in Ubbergen voorzag de elektrische tram tussen Nijmegen en Berg en Dal van extra energie om een steile klim te kunnen maken.

Een ruime diversiteit aan voormalige elektriciteitscentrales kan inmiddels gerekend worden tot het Nederlands industrieel erfgoed.  De centrales die elektriciteit opwekten voor bedrijven en instellingen zijn over het algemeen maar kort in gebruik geweest. Een aantal hiervan heeft zijn ketels en machines behouden en een museale functie gekregen. De eerste generatie gemeentelijke centrales heeft in de grote steden doorgaans tot na de oorlog dienst gedaan en bij herontwikkeling overwegend een culturele bestemming gekregen. Naar verwachting zal de komende jaren duidelijk worden of ook voormalige provinciale centrales voor behoud in aanmerking komen en succesvol in te zetten zijn voor nieuwe doeleinden. Van de volgende buiten gebruik gestelde opwekkingseenheden zullen in korte bijdragen de geschiedenis, technische bijzonderheden en nieuwe bestemming worden beschreven.

  • Roermond  /  ECI-Cultuurfabriek
  • Steyl  /  Het ketelhuis
  • Eindhoven  /  De Machinekamer
  • Oisterwijk  /  KVL-De Stoommachine
  • Dordrecht  /  Het Energiehuis
  • Den Haag  /  De Elektriciteitsfabriek
  • Gouda  /  De Lichtfabriek
  • Amsterdam  /  Energetica
  • Haarlem  /  De Lichtfabriek
  • Veendam  /  De Turfcentrale
  • Geertruidenberg  /  De Dongecentrale
  • Groningen  /  De Helpmancentrale

KraftwerkHeimbach-2009-09-27-60053Afbeelding 5: De opkomst van de elektriciteitsopwekking viel samen met de periode van de Jugendstil. Het Wasserkraftwerk Heimbach aan de noordrand van de Eiffel is geheel in deze architectuurstijl opgetrokken.