Vreeswijk

Vreeswijk (3)Afbeelding 1: Dankzij onderhoud, reparatie en restauratie van varend erfgoed is de bedrijvigheid weer teruggekeerd op scheepswerf Buitenweg. Onder de nieuwe naam Museumwerf Vreeswijk is ook het publiek er tegenwoordig welkom.

Het verleden van Vreeswijk als knooppunt van de binnenvaart gaat meer dan zeven eeuwen terug in de tijd, toen de Vaartse Rijn er doormiddel van een sluis verbonden werd met de rivier de Lek.  De Vaartse Rijn maakte de stad Utrecht weer over water bereikbaar, nadat ze eerder door opzettelijke afdammingen was afgesneden van de Rijn (bij Wijk bij Duurstede) en Hollandse IJssel (bij IJsselstein). Lange tijd volstond deze verbinding, maar toen in de negentiende eeuw vooral vanuit Amsterdam behoefte begon te ontstaan aan een betere binnenvaarverbinding met het rivierengebied (en daarmee het Duitse achterland) groef men het Merwedekanaal naar Vreeswijk. Nog geen halve eeuw later volgde de aanleg van het bredere en diepere Amsterdam-Rijnkanaal, waarvan de indrukwekkende Beatrixsluizen net buiten de bebouwde kom van Vreeswijk liggen. Sindsdien zijn de binnenvaartschepen uit het dorpsbeeld verdwenen. Waar vroeger de wachtende schepen in de sluiskolken voor veel bedrijvigheid zorgden op de reparatiewerf, aan de overslagkades en in de magazijnen, winkels en cafés, zijn het nu vooral toeristen met hun pleziervaartuigen die je er tegenkomt.

Weinig is nagelaten om voor hen de sfeer van weleer te doen herleven en de museumwerf vormt hiervan het kloppende hart. Een deel van de loodsen is weliswaar omgebouwd tot tentoonstellingsruimte waar de geschiedenis van de binnenvaart wordt getoond, maar op de dwarshelling wordt nog echt gewerkt aan het onderhoud en restauratie van schepen. Daar kunnen bezitters van antieke binnenvaartschepen hun reparaties laten verrichten, gadegeslagen door het publiek. Het eindresultaat is te zien in de naastgelegen museumhaven, waar tientallen prachtig gerestaureerde exemplaren afgemeerd liggen. Het gaat dan zowel om zeil- als motorschepen van uiteenlopende types die na afdanking voor de vrachtvaart een tweede leven hebben gekregen als woonboot,  pleziervaartuig of charterschip in de bruine vloot.Vreeswijk (1)Afbeelding 2: Blik op de Vaartse Rijn vanaf de kade bij de museumwerf, waar antieke schepen afgemeerd liggen in afwachting van reparatie of onderhoud.

De vroegste vermelding van scheepsbouw in Vreeswijk dateert van 1810, toen er al een werfje gevestigd was op een plaats die ook nu nog toepasselijk de ‘Helling’ heet en direct voor de Oude Sluis in de Vaartse Rijn is gelegen. Deze ‘schepenmakerij’, zoals de werf genoemd wordt in de bronnen, kwam in 1856 in handen van Adrianus Buitenweg, die hem in 1880 uitbreidde met een dwarshelling. Nadat het bedrijf in 1898 was overgegaan op zijn twee zonen Abraham en David, verplaatsten deze de werf. De scheepvaart was in de loop der jaren sterk toegenomen en hetzelfde gold voor de afmetingen van de schepen. Vóór de Oude Sluis liepen daardoor de wachttijden voor het schutten op, zodat de werf moeilijk bereikbaar was. Omdat er bovendien ook geen uitbreidingsmogelijkheden waren namen de gebroeders Buitenweg het besluit om zich een paar honderd meter noordelijker te vestigen op het terrein van een voormalige scheepssloperij. Om de schepen te kunnen ‘droogzetten’ legden ze een langshelling aan om de schepen in de lengterichting uit het water te halen. Daarvoor werd gebruik gemaakt van kaapstanders die via kettingen de sleden waarop het schip rustte omhoog trokken. Naast reparatie vond er op de werf ook nieuwbouw plaats van tjalken, pramen en aken. Het waren vrij kleine schepen die hoofdzakelijk gebruikt werden voor de zandwinning op de Lek. Een derde bron van inkomsten vormde de handel in schepen die via een advertentie of openbare verkoping werden aangeboden.

Na de eeuwwisseling schakelde Buitenweg over van houten op ijzeren schepen, waarvoor onder andere een ponsmachine, spantenbuiger en plaatschaar werden aangeschaft. Niettemin zou het handwerk altijd blijven domineren, ook voor de beide kinderen van Abraham Buitenweg die in de jaren twintig werkzaam werden binnen het bedrijf. Wel was deze derde generatie beter opgeleid om de werf te professionaliseren en te moderniseren. Gerard Buitenweg ging weliswaar al op zijn twaalfde aan de slag, maar volgde in de avonduren nog technisch onderwijs zodat hij in staat was om technisch tekenwerk te verrichten. Broer Herman volgde een boekhoudkundige opleiding om de administratie op een hoger plan te tillen. In 1929 onderging de werf een uitbreiding met een nieuwe, grote dwarshelling voor schepen van dertig meter lengte. De nieuwbouwopdrachten beperkten zich in de daaropvolgende crisisjaren tot vletten voor de plaatselijke kalkzandsteenfabriek De Lek.Vreeswijk (4)Afbeelding 3: Veel werkzaamheden, zoals hier met de plaatschaar, speelden zich op de kade af.

Betere tijden lieten op zich wachten tot na de oorlog. Gerard en Herman hadden het roer toen inmiddels overgenomen van hun vader en de onderneming een nieuwe naam gegeven: Nooit Gedacht. Veel binnenvaartschepen die door de Duitsers tot zinken waren gebracht moesten worden gelicht en voor reparatie naar de werf gesleept. Een aparte categorie vormden de vele schepen die op last van de bezetter waren omgebouwd tot landingsvaartuigen voor operatie ‘Seelöwe’: de invasie van Engeland die uiteindelijk moest worden afgeblazen. Daarvoor was hun boeg vervangen door een klep en een verzwaring van beton om de stabiliteit te handhaven, een aanpassing die nu weer ongedaan moest worden gemaakt om deze schepen voor civiele doeleinden in te kunnen zetten.

Toen er in 1949 een einde was gekomen aan het oorlogsschadeherstel waren de gebroeders Buitenweg opnieuw in de gelegenheid om in de werf te investeren. Ditmaal werd de houten werkloods vervangen door een stenen exemplaar en de dwarshelling verlengd tot vijftig meter en voorzien van elektrische lieren. Tien jaar later zou daar nog een machine- en timmerwerkplaats, kantine- en kantoorgebouw aan toegevoegd worden. Vanaf de jaren vijftig besloten steeds meer schippers om op eigen kracht te gaan varen in plaats van gebruik te maken van sleepboten zoals tot dan toe het geval was geweest. Het plaatsen van een dieselmotor in een dergelijke sleepspits was een klus die voor werven met een omvang als die van de gebroeders Buitenweg een mooie inkomstenbron vormde. Het achterschip moest worden uitgebouwd en verbreed om ruimte te maken voor een machinekamer met motor, schroefassen en brandstoftanks. Vaak moest ook het roer vervangen worden en greep men de gelegenheid aan om de verblijfsruimte te vergroten voor wat extra comfort.

Medio jaren zeventig verrees er een hal van dertig bij veertig meter op het werfcomplex, zodat er ook in de wintermaanden kon worden doorgewerkt. Bovendien kwam er een torenkraan op rails langs de Vaartse Rijn. Deze extra voorzieningen waren noodzakelijk geworden door de opkomst van een nieuw fenomeen: scheepsverlenging. Daarbij werd een schip door midden gezaagd om er een nieuw gebouwde sectie tussen te kunnen lassen. Het voordeel hiervan was dat met dezelfde brandstofkosten de vervoerscapaciteit aanzienlijk toenam. Door een schip van zestig meter met tien meter te verlengen nam op deze manier de oorspronkelijke waterverplaatsing van zevenhonderdvijftig ton met een kleine tweehonderd ton toe. Dit betekende overigens wel de laatste fase in de schaalvergroting van de binnenvaart die voor een kleine werf als die van Buitenweg werk bood. Eind jaren tachtig werd daarom een andere weg ingeslagen die in dat opzicht wel toepasselijk was, namelijk het ombouwen van afgedankte vrachtschepen tot woonschip. Zo wist de familie Buitenweg het nog tot 2001 vol te houden, waarna ze haar werf verkocht aan de gemeente. Vijf jaar later vond de heropening plaats, maar dan als museumwerf voor het restaureren en onderhouden van historische vaartuigen.