Steenkolenmijnen

Strikt genomen kunnen steenkolenmijnen niet als fabrieken beschouwd worden omdat ze grondstoffen en geen producten voortbrengen en daarom onder de primaire in plaats van de secundaire sector vallen. Niettemin zijn er goede redenen om er op deze website wel een rubriek aan te wijden en op de eerste plaats is dat hun industriële karakter. Niet alleen waren er bovengronds grootschalige installaties nodig zoals liftgebouwen, pompen, compressoren, ventilatoren en koeltorens om het werken op grote diepte überhaupt mogelijk te maken. Ook de verdere verwerking van de ruwe steenkool door wassen, sorteren en soms omzetting in cokes en energie vonden daar plaats in processen die in technologische ontwikkeling, efficiency-streven en arbeidsdeling niet onderdeden voor een fabriek. Daarbij komt dat hoogovens, staalfabrieken, elektriciteitscentrales en chemische fabrieken zich vaak in de nabijheid vestigden om de steenkool direct te benutten voor hun productieprocessen, zodat er geïntegreerde industriegebieden ontstonden waarin de steenkolenmijn een onmisbare schakel werd. Omdat hierdoor tegelijkertijd de verschillen met de andere economische activiteiten uit de primaire sector – landbouw, jacht, visserij maar ook andere vormen van grondstoffenwinning – zo groot werden, is het gerechtvaardigd om deze indeling bij onderzoek meer afhankelijk te stellen van de discipline waarin dit wordt verricht. Terwijl uit geografisch oogpunt de klassieke indeling voor de hand ligt, is het voor een economische- of historische studie veel logischer om de steenkolenwinning tot de secundaire, industriële, sector te rekenen. Zo worden bij onze Zuiderburen zelfs álle bedrijven die aan delfstoffenwinning doen sinds jaar en dag onder de secundaire sector geschaard. En zo was het beschikbaar komen van grote hoeveelheden steenkool dermate essentieel voor de industriële revolutie dat in de geschiedschrijving de steenkolenmijnen in hetzelfde hoofdstuk belandden als de hoogovens en textielfabrieken. Aangezien de beschrijving van industrieel erfgoed nauw samenhangt met beide vakgebieden is het niet meer dan logisch om bij deze indeling aan te sluiten.  Omdat de ontwikkeling van de steenkolenwinning al onderwerp van vele publicaties is geweest, zal deze inleiding zich beperken tot een korte samenvatting. In de reportages van deze rubriek zal op veel historische aspecten wél dieper ingegaan worden aan de hand van de sporen die hier binnen de desbetreffende steenkolenmijnen nog aan herinneren.Steenkoolmijnen (1)Afbeelding 1: De Domaniale Mijn in Kerkrade kreeg in 1907 een vierde schacht, Nulland geheten. Tegenwoordig maakt het karakteristieke ophaalgebouw onderdeel uit van het Discovery Centrum Continium.

Dankzij haar geologische verleden beschikte Noordwest Europa over rijke steenkolenlagen die al in de middeleeuwen op bescheiden schaal geëxploiteerd werden. Op het vaste land strekten deze zich uit van Noord-Frankrijk tot Westfalen met als belangrijkste bekkens Nord Pas De Calais (Frankrijk), Borinage, Centre, Luik en Kempen (België), Zuid Limburg (Nederland) en Aken, Ruhrgebied en Ibbenbüren (Duitsland). Wat verder daarvan verwijderd in zuidelijke richting was ook het grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland – Lorraine en Saarland – rijk aan steenkool. Wat geologische oorsprong betreft staat deze regio echter los van eerstgenoemde gebieden en dat geldt ook voor de uitgestrekte coalfields in Groot-Brittannië: Zuid Wales, Noord Engeland en het Schotse Laagland. Het was ook Engeland waar in de achttiende eeuw baanbrekende ontwikkelingen plaatsvonden die de steenkolenwinning op industriële schaal mogelijk zouden maken. Dat betrof vooral de introductie van door stoom aangedreven pompen, waardoor dieper gelegen steenkoollagen bereikbaar werden zonder voortdurend door wateroverlast geplaagd te worden. De ertsmijnen van Cornwall speelden hier overigens een voortrekkersrol in. Een andere uitvinding, die weliswaar niet direct het mijnbedrijf betrof maar wel de behoefte aan steenkool sterk zou gaan stimuleren, was die van Abraham Darby in Coalbrookdale om cokes in plaats van houtskool toe te passen voor het smelten van ijzererts in zijn hoogovens. De hogere kwaliteit van het ijzer dat zo geproduceerd kon worden, maakte op haar beurt de bouw van efficiëntere stoommachines weer mogelijk (hogere stoomdrukken in sterkere ketels), met een nog grotere vraag naar steenkool als gevolg. De mechanisatie van de fabrieken die dit op gang bracht drong snel door in de steenkolenmijnen, maar nog belangrijker, ook in het transport. Moeizaam vervoer van steenkool over de weg had het verzorgingsgebied van de mijnen lang beperkt en hoewel de totstandkoming van een kanalenstelsel hier aan het einde van de achttiende eeuw verbetering in bracht, kwam met de aanleg van de eerste spoorwegen rond 1830 de industriële revolutie pas echt op stoom.Steenkoolmijnen (4)Afbeelding 2: De staatsmijn Maurits in Geleen werd in 1966 gesloten, maar haar cokesfabriek en stikstofbindingsbedrijf groeiden uit tot een chemisch industriecomplex dat vandaag de dag Chemelot heet.

Op het vaste land van Europa drongen deze ontwikkelingen met de nodige vertraging door, waarbij de Zuidelijke Nederlanden vooropliepen. In Luik en omgeving bestond reeds een lange traditie van ijzerproductie en –verwerking op basis van erts dat in de Maas-Samber-regio gewonnen werd. Dankzij de rijke steenkoolreserves in de directe omgeving van Luik, konden er naast spijkers, pannen en wapens nu ook machines vervaardigd gaan worden. De Zuidelijke Nederlanden waren al eeuwen in militair opzicht voor Engeland een springplank geweest naar het continent en werden dat aan het einde van het Ancien Regime ook voor haar ondernemers, waarvoor William Cockerill de wegbereider was. Samen met zijn zonen James en John bouwde hij in het nabij Luik gelegen Seraing een complex van hoogovens en machinefabrieken, daarbij gesteund door Willem I die in 1815 koning was geworden van de herenigde Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden. Zijn ideaalbeeld was het om de industriële producten uit het zuiden van zijn koninkrijk via het handelsnetwerk van het noorden naar de afzetmarkten in West- en Oost-Indië te transporteren. Met de afscheiding van België in 1830 spatte deze droom uiteen en bleef hij achter met een gehalveerd land dat in plaats van vele tientallen slechts over één enkele steenkolenmijn beschikte: De Domaniale Mijn in Kerkrade.Steenkoolmijnen (3)Afbeelding 3: Het hoofdgebouw van de staatsmijn Maurits is in 1924 opgetrokken in de stijl van de Amsterdamse School en staat op de Rijksmonumentenlijst.

Deze was voortgekomen uit de mijnbouwactiviteiten die al in de middeleeuwen waren aangevangen op initiatief van de Abdij van Rolduc. In de Franse Tijd was deze concessie in staatshanden gekomen en haar naam is dan ook een verbastering van de toenmalige aanduiding ‘Mines Domaniales’. Ze exploiteerde de steenkoollagen die in het dal van het riviertje de Worm aan de oppervlakte kwamen en de Pruissen deden dit aan de andere kant van de landsgrens. De benodigde kennis en kunde kwam vooral daar vandaan, omdat de steenkolenwinning rond Aken zich al op grotere schaal voltrok en zich uitstrekte tot het dal van de Inde in Eschweiler. Hier kwam een industriegebied uit voort – het zogenaamde Aachener Revier – waarvan in de beginjaren vooral ondernemers uit het Luikse de gangmakers waren. Ook de afzet van de Domaniale Mijn kwam voor een belangrijk deel in het Aachener Revier terecht, omdat daar niet alleen de vraag groter was maar ook omdat de mogelijkheden voor transport naar Holland eenvoudigweg ontbraken. Gelegen in een uithoek van Nederland, waar de uitbouw van een spoorwegnet zich slechts langzaam voltrok, bleef de afzet van de Domaniale Mijn nog lang regionaal. Weliswaar kwam in 1853 een spoorwegverbinding tussen Maastricht en Aken tot stand, deze werd echter pas in 1880 met de mijn verbonden omdat de industriestad aan Maas voldoende steenkool uit Luik kreeg aangevoerd via die rivier. Daar komt bij dat de Domaniale Mijn antraciet naar boven haalde, een steenkoolsoort die ongeschikt is voor industriële processen en daarom vooral in kachels en fornuizen gestookt werd. In de Nederlandse huishoudens werd gedurende de negentiende eeuw nog overwegend turf gebruikt en de steenkool die nodig was voor industrie en polderbemaling kon in voldoende mate geïmporteerd worden uit Engeland en Duitsland, die via zee en rivieren uitstekend bereikbaar waren.PWIJ20090421-0225.Afbeelding 4: Na buitendienststelling van de staatsmijn Wilhelmina in 1969 werd haar steenberg onder het motto ‘van zwart naar groen’ voorzien van beplanting. Later werd het de vestigingslocatie van een indoorskibaan, Snow World Landgraaf.

Dat er rond de vorige eeuwwisseling dan uiteindelijk toch meer mijnen geopend werden in Zuid Limburg was in eerste instantie wederom aan buitenlandse ondernemers te danken. De broers Friedrich en Carl Honigmann uit het Duitse Düren gaven de Nederlandse spoorwegbouwer Henri Sarolea opdracht om een spoorlijn aan te leggen tussen Herzogenrath en Sittard, zodat er een directe verbinding tot stand kwam met het Nederlandse spoorwegnet. Daarnaast verwierven zij de concessie ‘Oranje Nassau’ om in de omgeving van Heerlen steenkool te mogen winnen en in 1899 kwam hun mijnbedrijf in productie: Oranje Nassau I. In de daaropvolgende vijfentwintig jaar werden binnen deze concessie nog drie andere zetels operationeel – Oranje Nassau II, III en IV – waarmee de ‘ON’ de grootste particuliere mijnonderneming  in Zuid-Limburg werd.  Friedrich Honigmann verkocht zijn bedrijf overigens al in 1908 aan de Franse familie De Wendel die geïnteresseerd was in cokes voor haar staalfabrieken in Lotharingen. Andere particuliere mijnen die in deze periode in productie werden genomen waren de Willem Sophia van de Belgische Société Anonymes des Charbonnages Néérlandais in 1902 (Spekholzerheide) en De Laura van de uit Herzogenrath afkomstige Anton Wackers in 1905 (Eygelshoven). Ondertussen was in regeringskringen het besef ontstaan dat het uit strategische overwegingen verstandig was om de exploitatie van haar steenkoolreserves niet geheel aan particuliere ondernemingen over te laten. Dit resulteerde in 1902 in de oprichting van een staatsmijnbedrijf, waarvan in 1906 de eerste zetel – genoemd naar het toenmalige staatshoofd Koningin Wilhelmina – operationeel werd in Terwinselen. Nummer twee, staatsmijn Emma te Hoensbroek, volgde in 1911. Het strategische belang van eigen steenkoolproductie bleek tijdens de Eerste Wereldoorlog. Nederland bleef neutraal maar zag de invoer van steenkool uit Duitsland, Engeland en België, die voor de oorlog altijd nog groter was dan de nationale productie, zeer sterk teruglopen.  Opening van een derde staatsmijn, De Hendrik te Brunssum in 1917, kon niet voorkomen dat er in de loop van de oorlog een schaarste aan steenkool ontstond en rantsoenering noodzakelijk was. Dit vormde mede aanleiding om de uitbouw van het staatsmijnbedrijf na afloop van de oorlog onverminderd voort te zetten. De ingebruikname van de Maurits te Geleen in 1926 betekende een forse toename van het productievolume aan vooral vette steenkool waar de industrie, en dan met name het nationale hoogovenbedrijf dat toen in IJmuiden gebouwd werd, behoefte aan had. Staatsmijn of particuliere mijn, aan de economische wetten waren ze allebei onderworpen. De steenkolensector van de buurlanden was de oorlog en haar nasleep inmiddels te boven gekomen en in de tweede helft van de jaren twintig begonnen overschotten te ontstaan op de internationale markten, met prijsdalingen tot gevolg. De Maurits zou dan ook de laatste mijnzetel zijn die geopend werd.Steenkoolmijnen (2)Afbeelding 5: Voordat de villa Glück Auf te Eygelshoven in 1925 hoofdkantoor werd van de particuliere mijn Laura & Vereeniging was het de woning van haar eerste directeur. Inmiddels is de villa al weer tientallen jaren onderdeel van een appartementencomplex.

Bovengenoemde marktverzadiging was nog maar een voorproefje van wat zou volgen. De economische depressie die op de beurscrash van 1929 volgde deed de vraag naar steenkool in de jaren dertig zo sterk dalen dat de mijnondernemingen tot massaontslagen over gingen. Op het dieptepunt van de malaise was de personeelsomvang met een derde deel afgenomen. Bovengemiddeld veel buitenlandse mijnwerkers, die met hun ervaring een belangrijk aandeel hadden geleverd aan de opbouw van de Nederlandse mijnbouw, verloren in deze jaren hun baan en keerden terug naar hun land van herkomst (voornamelijk Polen, België en Duitsland). Zoals de gehele vaderlandse industrie werden tijdens de oorlogsjaren ook de steenkolenmijnen gedwongen om te produceren voor de bezetter en ook in deze bedrijfstak is gepoogd om door passief en actief verzet deze bijdrage aan de vijandelijke oorlogseconomie te saboteren. De wederopbouwjaren golden als de glorieperiode van de mijnbouw, niet alleen in Nederland maar eveneens in andere landen die de schade en schaarste van de oorlog te boven moesten komen. Geheel in lijn met de oorlogstaal waar men in vijf jaar tijd gewend aan was geraakt spraken regeringsfunctionarissen over een ‘Operatie Kolenslag’ die dít keer gewonnen moest worden. Zoals bekend werd het een succesverhaal. Zo succesvol zelfs dat medio jaren vijftig dezelfde overschotten ontstonden als medio jaren twintig. Dit keer werd er door de politiek overigens verstandiger op gereageerd: geen protectionistische maatregelen, maar een begin van Europese samenwerking. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal stelde zich ten doel om nieuwe gewapende conflicten te voorkomen door de productie van deze twee belangrijke ‘ingrediënten’ aan internationale afspraken te onderwerpen. De productiebeperkingen die hieruit voort kwamen werden door de meeste landen gerealiseerd door oude, onrendabele mijnen te sluiten en Nederland zou wellicht ook voor deze weg gekozen hebben als zich niet een geheel nieuwe situatie had aangediend: de aardgasvondst in het Groningse Slochteren van 1963. Al snel werd duidelijk dat het hier om een aardgasvoorraad ging waarmee industrie en huishoudens vele decennia lang toe konden en er daarnaast door export vele miljarden aan te verdienen was. In Zuid-Limburg daarentegen werd al sinds 1958 verlies geleden op de exploitatie van steenkool, waarbij niet moet worden vergeten dat de loonstijging hier ook een grote rol in speelde. Die loonstijging was in de steenkolenmijnen bovengemiddeld, omdat de aanwerving van ondergronds personeel steeds lastiger werd door de toegenomen welvaart. Een ingreep kon niet lang uitblijven en werd aangekondigd door de toenmalige minister van economische zaken Joop den Uyl, tijdens een bijeenkomst in de gloednieuwe schouwburg van Heerlen. De registratie ervan zou als één van de meest herhaalde televisiefragmenten de geschiedenis in gaan.Steenkoolmijnen (6)Afbeelding 6: Nog geen jaar na de sluiting van staatsmijn Hendrik te Brunssum in 1966 vestigde de NAVO er haar Centraal-Europese commandocentrum AFCENT, thans JFC-HQ geheten. De witte gebouwen dateren nog uit de tijd van het mijnbouwverleden.

Het eindresultaat is bekend. Binnen tien jaar tijd was het gedaan met de Nederlandse mijnbouw. Met grote gevolgen voor Zuid-Limburg, waar ondanks het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid de werkeloosheid ook nu nog bovengemiddeld hoog is. Op de vraag of dit anders had gekund kan het antwoord alleen maar ontkennend zijn. In Duitsland, Frankrijk, België en Engeland strekte de sanering van de mijnbouw zich over decennia uit, maar zijn de desbetreffende steenkoolbekkens er tegenwoordig bepaald niet beter aan toe. Eerder het tegendeel is het geval. Daar moet dan meteen bij gezegd worden dat de sector in deze landen veel omvangrijker was, met meer dan honderdduizend werknemers in België en meer dan een half miljoen in Duitsland en Engeland. Op het hoogtepunt boden de Nederlandse mijnen werkgelegenheid aan ‘slechts’ veertigduizend mensen. In België en Frankrijk sloten de laatste steenkolenmijnen in de jaren negentig, in Engeland en Duitsland in respectievelijk 2015 en 2018. Waarin Zuid-Limburg zich wel onderscheidt van andere regio’s met een mijnbouwverleden is de grondigheid waarmee de sporen zijn uitgewist. Op enkele restanten na zijn de mijncomplexen volledig afgebroken en mijnsteenbergen geëgaliseerd. In de ons omringende landen treft men juist nog veel steenkolenmijnen aan die vrijwel volledig intact zijn gebleven en als het enigszins kan een nieuwe bestemming krijgen. Gezien de omvang van deze complexen en hun situering in economische zwakke gebieden verloopt dit laatste over het algemeen (nog) moeizamer dan bij ander industrieel erfgoed. Niettemin zijn er inmiddels voldoende voorbeelden die aantonen dat dit mogelijk is, zoals in deze rubriek te zien is. Met slechts één reportage van Nederlandse bodem, uit Heerlen, heeft deze rubriek sowieso een sterk internationaal karakter en is er daarom voor gekozen om ook deze inleiding te voorzien van binnenlands beeldmateriaal. Het gaat dan om het schaarse erfgoed dat buiten Heerlen nog een herinnering vormt aan het mijnbouwverleden.