Essen

Essen (13)Afbeelding 1: De voormalige ‘Mechanische Werkstatt Nr.8’ van de Krupp Gußstahlfabrik is sinds 1996 in gebruik als ‘Colosseum Theater’ voor muziek- en toneeluitvoeringen.

Met zijn aaneenschakeling van steenkolenmijnen, hoogovencomplexen en staalfabrieken gold het Ruhrgebied als centrum van Duitslands zware industrie. Aan de steenkolenwinning kwam in 2015 definitief een einde. De ijzer- en staalindustrie heeft zich daarentegen weten te handhaven, hoewel in sterk afgeslankte vorm. Van de staalgiganten van weleer – Krupp in Essen, Thyssen in Duisburg, Hoesch in Dortmund en de Bochumer Verein – heeft zich alleen het fusiebedrijf van de twee eerstgenoemden weten te handhaven: ThyssenKrupp. De productie heeft zich helemaal geconcentreerd op de geïntegreerde hoogoven- en staalcomplexen in Duisburg, waar het benodigde ijzererts en steenkool via de grootste binnenhaven van Europa kan worden aangevoerd. Het hoofdkantoor bevindt zich echter in Essen, en wel op de historische grond waar ooit de grote Gußstahlfabrik van Alfred Krupp stond. Want dankzij dit fabriekscomplex was hij de onbetwiste staalkoning van het Ruhrgebied. Aan de pionierstijd van zijn onderneming herinnert nog het Stammhaus uit 1818, dat in de oorlog weliswaar aan de bommen ten prooi viel, maar in 1961 ter gelegenheid van het honderdvijftig-jarig bestaan van het concern herbouwd werd. Uit de hoogtijdagen van gietstaalfabrieken zijn nog ‘Mechanische Werkstatt Nr. 8’ en het ‘Press und Hammerwerk Ost’ overgebleven die een nieuwe bestemming hebben gekregen als ‘Colosseum Theater’ en winkelfiliaal van meubelketen IKEA. Beiden trekken dagelijks veel publiek, maar geen bezoekers die kennis willen nemen van de roemruchte geschiedenis van het staalbedrijf. Die zullen voornamelijk afreizen naar ‘Villa Hügel’, die ten zuiden van Essen ligt en daar uitzicht biedt op de Baldeneysee.  Alfred Krupp liet dit landhuis met paleisachtige allure bouwen als familiewoning en ontvangstgelegenheid voor hoge gasten, waaronder tal van gekroonde hoofden. Sinds 1955 is het opengesteld voor alle belangstellenden die zich willen vergapen aan de luxe en het comfort waarin de Krupps leefden. ‘Fabriekofiel’ is uiteraard meer geïnteresseerd in de plaats waar al dat geld verdiend werd. Met andere woorden, daar waar de rookwolken opstegen en de vonkenregens neerdaalden. De gieterijhal zelf mag dan weliswaar niet meer behouden zijn gebleven, de historische ontwikkeling van het gietstaalproces verdient een plaats in deze rubriek en de firma Krupp speelde hier een hoofdrol in.Essen (14)Afbeelding 2: In het ‘Press und Hammerwerk Ost’ van de Krupp Gußstahlfabrik kunnen de klanten van meubelwinkel IKEA tegenwoordig hun auto parkeren. De brug op de voorgrond vormde onderdeel van het bedrijfsspoorwegnetwerk dat een totale lengte had van vierenveertig kilometer.

Omdat vandaag de dag vrijwel alle staal gegoten wordt is de uitdrukking ‘gietstaal’ in feite een pleonasme geworden. Daar komt nog bij dat verwarring met gietijzer op de loer ligt, terwijl het zich daarvan juist principieel onderscheidt door zijn hoogwaardige eigenschappen. Want terwijl gietijzer vanwege zijn brosheid direct in zijn eindvorm gebracht moet worden, kan gietstaal door zijn taaie gedrag vanuit halffabrikaten in de gewenste vorm gesmeed worden voor toepassingen die een hoge sterkte vereisen. Benjamin Huntsman slaagde er in 1740 als eerste in om dit superieure materiaal te vervaardigen in zijn werkplaats nabij de Engelse stad Sheffield. Naast cokes en blaasbalgen om de ijzersmelt voldoende te verhitten en toevoegingen om de vloei te bevorderen zat het geheim hem vooral in de samenstelling van het leem waaruit de Huntsman smeltkroezen maakte die bestand waren tegen de extreme ovenomstandigheden. Men spreekt daarom ook wel van ‘kroezenstaal’ om deze vroegste variant aan te duiden, die vooral gebruikt werd voor bestek en gereedschap en Sheffield tot het staalcentrum van het Britse Rijk maakte. De producten en halffabrikaten vonden al snel hun weg naar het Europese vasteland, maar de productietechnologie hielden de Britten voor zichzelf. Dat liet zich voelen toen Napoleon vanaf 1806 met zijn Continentaal Stelsel de handel met Engeland verbood om zijn aartsvijand op die manier op de knieën te krijgen. Verstoken van dit hoogwaardige metaal gingen ambachtslieden en ondernemers zelf proberen om het te maken en Friedrich Krupp uit Essen was één van hen.

Productie en verwerking van ijzer kende al een lange traditie langs de Ruhr vanwege ijzererts- en steenkolenlagen die er aan de oppervlakte kwamen en met het snelstromende water van de beken die er in uitmondden werd menig ‘Hammerwerk’ aangedreven. Friedrich Krupp bouwde in 1812 in het dorpje Vogelheim, even ten noorden van Essen, een oude volmolen om tot smederij. Voor de benodigde kennis sloot hij een overeenkomst met de gebroeders Kechel uit Nassau die al enige ervaring op dit gebied hadden. Speciale kroezen liet hij uit Passau komen, dat een reputatie op het gebied van aardewerk genoot. Noch de kennis uit Nassau, noch de kroezen uit Passau bleken te voldoen en er verstreken nog vijf jaar van experimenteren vooraleer hij kleine hoeveelheden staal kon maken in zijn smeltovens. Naast gereedschappen voor ambachtslieden verwerkte Friedrich Krupp zijn staal ook tot walsen en stempels voor het vervaardigen van munten. Het feit dat deze tot volle tevredenheid door het Pruisische Muntwezen in Düsseldorf werden ingezet gaf Krupp zijn eerste naamsbekendheid. In 1818 verhuisde het bedrijf vanwege gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden naar de westzijde van Essen en vestigde zich daar voor de Limbecker Poort aan de Mühlheimer Chaussee (nu Limbecker Strasse en Altendorfer Strasse). Dit vormde de kiem voor het latere complex van staalfabrieken en ook het Stammhaus dateert uit dit jaar. Friedrich Krupp liet het bouwen als opzichterswoning en trok er zelf in nadat hij zijn huis in de binnenstad van Essen vanwege geldgebrek had moeten verkopen. Niet ver verwijderd lag de steenkolenmijn Sälzer & Neuack, die in 1816 als eerste in het Ruhrgebied een cokesfabriek in gebruik had genomen. Het was met deze cokes dat Friedrich Krupp zijn smeltovens tot hoge temperatuur kon opstoken. Aan het einde van de eeuw zou de steenkolenmijn geheel in handen komen van het staalbedrijf en het tot 1934 blijven voorzien van cokes. Vooralsnog was het voortbestaan van het bedrijf onzeker vanwege de hoge investeringen die Friedrich had gedaan, terwijl de verkochte hoeveelheden gietstaal vrij gering waren. Omdat hem de financiële middelen ontbraken om hoogwaardig ijzererts te kopen, vermoedt men tegenwoordig dat er in deze beginjaren met een laag rendement geproduceerd is en Friedrich al zijn kaarten gezet had op een reputatie als gieterij voor het allerbeste staal. Dat hij hiermee de juiste weg bewandelde zou pas later blijken. Door zijn vroege overlijden in 1826 op negenendertigjarige leeftijd heeft hij nauwelijks succes kunnen ervaren. Zijn zoon zette deze koers met dezelfde verbetenheid voort. Omdat hij nog maar veertien jaar was behartigde zijn moeder Therese Krupp Wilhelmi als eigenaresse van het bedrijf de zakelijke aangelegenheden en werd hierbij geassisteerd door haar schoonzuster Helene Müller Krupp.Essen (20)Afbeelding 3: Het Stammhauss diende als woning voor Friedrich Krupp en zijn zoon Alfred. In zijn huidige gedaante is het een replica die bovendien ook op een andere plaats staat dan het origineel.

In de daaropvolgende tien jaar groeide het personeelsbestand uit tot zestig werknemers en schafte Alfred in 1835 de eerste stoommachine aan voor zijn smederij. Het Duitse Tolverbond van 1834 had handelsbelemmeringen weggenomen en daarmee het potentiële afzetgebied sterk vergroot. Toen vanaf de jaren veertig de spoorwegondernemingen een grote afnemer werden van staalproducten zette zich een stormachtige groeifase in. Aan het einde van dat decennium had Krupp al duizend mensen op de loonlijst staan en een grote order voor de Köln-Mindener Eisenbahn op zak. Het betrof de levering van veringen voor het wagenpark van deze spoorwegonderneming, maar de echte doorbraak in deze sector kwam in 1853 met de ‘nahtloser Radreifen’. Zoals ook nu nog het geval is waren de wielen van locomotieven en wagons voorzien van stalen banden. Dit had als voordeel dat bij slijtage enkel deze band en niet het hele wiel vervangen hoefde te worden. Krupp slaagde erin om een dergelijke band zonder naden uit één enkel staalblok te smeden en dit doormiddel van verhitting en afkoeling om het spoorwegwiel aan te brengen. Door er in de Verenigde Staten patent op aan te vragen kon er ook op dit continent, waar de ontwikkeling van het spoorwegnet inmiddels ook op gang was gekomen, veel geld mee verdiend worden. De uitvinding vormde inspiratiebron voor het logo van Krupp dat nog altijd uit drie in elkaar verstrengelde ringen bestaat.

Ook in de toekomst zou het bedrijf zijn grootste successen boeken door innovaties in de toepassing van staal, terwijl het vernieuwingen op het gebied van de staalbereiding van anderen overnam. Dat laatste was het geval toen Krupp in 1862 staal ging produceren volgens het proces van de Engelsman Henry Bessemer, dat gebaseerd was op het verlagen van het koolstofgehalte van ruwijzer door hier in gesmolten toestand lucht doorheen te blazen. Met een dergelijke converter, vanwege zijn typische vorm ook wel ‘Bessemer Peer’ genoemd, was het mogelijk om in een kwartier tijd dertig ton staal te maken, terwijl men daar voorheen een hele week voor nodig had. Krupp was overigens wel de eerste staalproducent op het Europese vasteland die dit productieproces introduceerde.  En nadat in 1865 een vlamoven was ontwikkeld om schroot tot staal te verwerken, de zogenaamde Siemens-Martin-oven, was Krupp in 1869 de eerste in Duitsland die er een bouwde. Deze vergroting van de productiecapaciteit kwam op een gunstig ogenblik, want het koninkrijk Pruisen voerde binnen tien jaar tijd drie expansieoorlogen met Denemarken (1864), Oostenrijk (1866) en Frankrijk (1870), waarna het Duitse Keizerrijk werd uitgeroepen (1871). Krupp had al in 1847 laten zien dat het mogelijk was om een kanon uit staal in plaats van brons te gieten. Daardoor was de kanonsloop veel sterker en bestand tegen een hogere explosieve kracht om de kogel of granaat over een grotere afstand te verplaatsen. Dit gaf het Pruisische, en later Duitse, leger decennialang een beslissende voorsprong op haar tegenstanders. Het leverde Krupp de bijnaam op van wapensmederij van Duitsland. In 1873 had een industrieterrein een omvang van zo’n driehonderdzestig hectare (ruwweg een derde van het grondoppervlak van Essen) en bood het ook plaats aan een representatief hoofdkantoor. Voor huisvesting van werknemers was er een begin gemaakt met de bouw van arbeiderskoloniën, die tot diep in de volgende eeuw zou voortgaan en met de ‘Siedlung’ Margarethenhöhe esthetisch gezien een hoogtepunt zou bereiken.Essen 1920 (18)Afbeelding 4: Plattegrond van het Krupp-fabrieksterrein omstreeks 1920 met Mechanische Werkstatt Nr. 8 (1), Press- und Hammerwerk Ost (2), de gieterij (3), steenkolenmijn (4), walserij voor spoorrails (5), Bessemer staalfabriek (6), Siemens-Martin staalfabriek (7), blikwalserij (8), Puddel staalfabriek (9) en hoofdkantoor (10).

Na zijn overlijden in 1887 werd Alfred Krupp geëerd met een standbeeld, dat in 1892 nabij Mechanische Werkstatt Nr. 8 geplaatst werd. Daar heeft het gestaan tot het door een bombardement in 1945 beschadigd werd. Na herstel kwam het in het bezit van het Ruhrmuseum en een kopie bevindt zich in het park van Villa Hügel. Zoon Friedrich Alfred zette het expansiebeleid van zijn vader verder voort. Om een constante aanvoer van grondstoffen te garanderen nam hij een belang in de Baskische ijzerertsgroeven en kocht hij Zeche Hannover in Bochum om van voldoende steenkool verzekerd te zijn. Ruwijzer werd sinds 1865 al betrokken van de Sayner Hütte nabij Koblenz, maar in 1897 nam Krupp een nieuw, groot hoogovencomplex in gebruik dat veel dichter bij Essen gelegen was: Hüttenwerk Rheinhausen. In 1893 werd het concurrerende staalbedrijf Gruson Werke uit Maagdenburg overgenomen, dat een uitstekende naam had als leverancier van geschut en pantserplaat aan tal van binnen- en buitenlandse klanten. Om ook de sterk in opkomst zijnde marine van het Duitse Keizerrijk van dienst te kunnen zijn kocht Krupp in 1902 de Germania Werf in Kiel, waar in 1906 de eerste onderzeeër van stapel liep. Bij het aantreden van Friedrich Alfred telde het bedrijf nog twintigduizend werknemers, bij zijn vroege overlijden in 1902 waren dat er al vijfenveertig duizend. Omdat hij enkel een dochter had en deze nog maar zestien jaar oud was, kwam de leiding tijdelijk in handen van zijn vrouw Margarethe. Zij gaf uitvoering aan het testament van haar man door  de onderneming in een naamloze vennootschap (Aktien Gesellschaft, AG) om te zetten, waarbij de aandelen in handen van dochter Bertha kwamen. Deze huwde in 1906 met Gustav von Bohlen und Halbach op voorwaarde dat hun nakomelingen de naam Krupp zouden dragen. Als tegenprestatie kreeg Gustav in 1909 een aanstelling als voorzitter van de raad van commissarissen, een positie die hij tot 1943 zou bekleden. De opmars van elektriciteit die zich na de eeuwwisseling inzette bood nieuwe mogelijkheden voor het bedrijf. Zo bouwde men in 1907 een electrostaaloven om op efficiëntere wijze kroezenstaal te kunnen produceren en ontwikkelde siliciumstaal dat als transformatorblik toepassing vond in de elektrotechnische industrie. Een ander product dat in het eigen onderzoekslaboratorium tot stand was gekomen betrof ‘Nirosta’, roestvaststaal voor tafelbestek. Toch stonden deze jaren vooral in het teken van de ongekende wapenwedloop die uitliep op de Eerste Wereldoorlog. Met het gieten van het vijftigduizendste kanon was in 1911 al een mijlpaal bereikt, maar in de jaren erna zouden er nog vele duizenden volgen. Een klasse apart was het zware belegeringsgeschut ‘Dikke Bertha’ dat de Belgische en Franse forten verpulverde. Om de ‘Materialschlacht’ aan alle fronten vol te houden steeg het aantal arbeiders van de Krupp-fabrieken in de oorlog van tachtig- naar tweehonderdduizend.Essen (15)Afbeelding 5: Panoramaschildering van het industrieterrein van Krupp, gezien in oostelijke richting met op de achtergrond de stad Essen.

Na de oorlog was Krupp door de bepalingen van het vredesverdrag van Versailles genoodzaakt om over te schakelen op civiele productie, zoals de fabricage van vrachtwagens, graafmachines en locomotieven. Met het verlies van haar ijzerertsreserves in Lotharingen, de bezetting van het Ruhrgebied door Franse troepen en de hyperinflatie maakte Krupp in de jaren twintig een moeilijke periode door. Pas na de nationaalsocialistische machtsovername van 1933 braken er weer betere tijden dankzij een sterk groeiend aantal wapenorders. Om de belangrijke rol van Krupp te onderstrepen bezocht Adolf Hitler de staalfabrieken in 1934, 1936 en 1937. Kort voor de oorlog telde het bedrijf al weer honderdtwintigduizend werknemers. Door oproep voor de militaire dienst daalde dit aantal vanaf 1939 en in de oorlogsjaren kon de productie enkel op peil worden gehouden door de inzet van zo’n honderdduizend dwangarbeiders. Luchtbombardementen maakten de verplaatsing van fabrieken naar andere delen van het land noodzakelijk. In 1943 verordonneerde Hitler bij wet dat Krupp weer een familiebedrijf werd en het eigendom in handen kwam Alfried Krupp von Bohlen und Halbach, de oudste zoon van Gustav en Bertha. Hierdoor werd hij na afloop van de oorlog door het Neurenberger Tribunaal in beschuldiging gesteld en tot twaalf jaar celstraf veroordeeld. Onbeschadigde delen van de Essense staalfabrieken werden gedemonteerd en als herstelbetaling naar de Sovjetunie en Joegoslavië afgevoerd. Naast de Germaniawerf verloor het bedrijf ook zijn productielocaties in Oost-Duitsland (Maagdenburg en Breslau) en Oostenrijk. Vanaf zijn vrijlating tot zijn dood in 1967 gaf Alfried leiding aan de wederopbouw van het bedrijf, waarvan het eigendom daarna in een stichting werd ondergebracht. Belangen in de steenkolen- en ijzerertswinning werden van de hand gedaan en Krupp ging zich weer volledig op de staalproductie en –verwerking richten, maar dan over de gehele wereld. In eigen land nam het de staalbedrijven Bochumer Verein (1965) en Hoesch (1991) over en ging het samen met Thyssen (1999). Na het opruimen van de oorlogsschade bleven grote delen van het industriecomplex in Essen decennialang braak liggen en werden pas na de eeuwwisseling opnieuw ontwikkeld onder de projectnaam ‘Krupp-Gürtel’. De opening van het nieuwe ‘Hauptquartier’ van Thyssenkrupp in 2010 betekende de eerste mijlpaal in de herinrichting van deze tweehonderddertig hectaren met woningen, voorzieningen en kantoren.Essen (17)Afbeelding 6: Opname uit de gietstaalfabriek van Krupp, omstreeks 1937.