Panningen

Toen de ‘Heldensche Steenfabriek’ in Panningen haar productie in 1989 beëindigde, werd daarmee de laatste actieve ringoven van Limburg na tachtig jaar dienst buiten gebruik gesteld. Na een periode van twintig jaar van verval, waarin de fabriek in 2001 op de Rijksmonumentenlijst werd geplaatst, begonnen in 2009 de restauratiewerkzaamheden die voorafgingen aan de herbestemming, die multifunctioneel is. Zo bieden de gewelven van de ringoven tegenwoordig onderdak aan een dagopvang voor ouderen, een sociaal café, schildersateliers, een kinderdagverblijf en een praktijk voor bewegingstherapie. Om dit restauratieproject mogelijk te maken  verrees in de directe nabijheid van de fabriek een nieuwbouwwijk die de toepasselijke naam ‘Ringovenpark’ kreeg.Panningen (1)Afbeelding 1: Na haar actieve jaren diende het terrein van de Heldensche Steenfabriek nog een aantal jaren voor de opslag van bouwmaterialen.

De schoorsteen van de Heldensche Steenfabriek werd in 1945 gebouwd door Peter Johannes Geelen (roepnaam Sjang) uit het nabijgelegen dorp Neer, ter vervanging van de oorspronkelijke schoorsteen uit 1909 die eind 1944 door het oorlogsgeweld was opgeblazen. Sjang Geelen was de oudste zoon van Peter Jacobus Geelen die in 1893 een aannemersbedrijf had opgericht dat zich in het eerste decennium van de vorige eeuw onder meer had gespecialiseerd in de bouw van ringovens en fabrieksschoorstenen. Vanaf 1911 vertrouwde zijn vader het bouwen van schoorstenen toe aan zijn toen vijftienjarige zoon Sjang, die zich vanaf zijn twaalfde jaar had ontwikkeld als volwaardig metselaar. Hij hield in een notitieboekje nauwgezet allerlei details bij over de fabrieksschoorstenen die onder zijn leiding gebouwd werden. Dit hield hij twintig jaar consequent vol, waardoor het gegevens bevat over maar liefst honderdtien fabrieksschoorstenen die gedurende die periode door hem werden gebouwd. Pas na de bevrijding heeft hij op vijftigjarige leeftijd nog eens zeven tijdens WO II verwoeste schoorstenen bij steen- en dakpannenfabrieken in Midden-Limburg opnieuw opgebouwd, waaronder die van de ‘Heldensche Steenfabriek’. Zijn notitieboekje is een uiterst waardevol historisch document dat een uniek beeld geeft van een zeer specifieke branche binnen de bouwnijverheid, waar verder maar weinig over bekend is. Niet in de laatste plaats omdat het inmiddels meer dan een halve eeuw geleden is dat de laatste fabrieksschoorstenen verrezen. Zijn zoon Pierre Geelen realiseerde zich dit en schreef onder de titel ‘Peter Johannes Geelen, bouwer van fabrieksschoorstenen pur S(j)ang’ een boekje over zijn vader, waar deze reportage kort aandacht aan zal besteden. Uiteraard mag een beschouwing over dit meest kenmerkende element van een fabrieksgebouw niet ontbreken op ‘Fabriekofiel’ en aangezien het in twee opzichten nauw verbonden is met de baksteenfabricage, ligt dat in deze reeks het meest voor de hand. Overigens zijn ook de schoorstenen van enkele andere steenfabrieken die aan bod komen door Sjang Geelen gebouwd, zoals onder meer die van de Blauwe Kamer in Wageningen (1918) en die van Fortmond in Olst (1919). Na te zijn begonnen met de bouw van schoorstenen voor zuivelfabrieken, steenbakkerijen en bierbrouwerijen in Midden-Limburg, breidt hij zijn activiteiten uit over heel Nederland en voert zelfs enkele bouwopdrachten uit in België en Duitsland. Hoewel daarbij het zwaartepunt lag op de Noord-Brabant en Limburg, werden er ook een tiental fabrieksschoorstenen neergezet in de drie noordelijke provincies. Grote opdrachtgevers zijn de zinkwitfabrieken in Eijsden, Philips in Eindhoven, Enka in Ede, Van Heek in Enschede en de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM, thans Shell) in het Rotterdamse Charlois. Er is geen sector denkbaar waarvoor hij in de periode 1911-1931 geen fabrieksschoorsteen heeft gebouwd en dan gaat het bijvoorbeeld ook om schoorstenen van stoomgemalen en ziekenhuizen. De hoogste was die van Enka in Ede. Deze kwam gereed in 1920 en behoorde met haar vijfenzeventig meter tot de hoogste exemplaren van Nederland. Toen na de eeuwwisseling de industrialisatie goed op stoom kwam, gingen enkele steenfabrieken zich toeleggen op de vervaardiging van zogenaamde radiaalstenen voor de  schoorsteenbouw, zoals De Ridder & Co in Leiderdorp en Canoy & Herfkens in Tegelen. Met laatstgenoemde onderneming werkte Sjang Geelen regelmatig samen om grote opdrachten tot een goed einde te brengen.Panningen (3)Afbeelding 2: Voor extra lichtinval kreeg de fabriek een aanbouw, uitgevoerd in metaal en glas.

De vroegste fabrieksschoorstenen waren geheel vierkant van vorm en konden derhalve uit gewone bakstenen opgebouwd worden. Hiervoor waren geen specifieke vaardigheden vereist en de werkzaamheden maakte dan ook integraal onderdeel uit van het bouwproject, uitgevoerd door één en dezelfde aannemer. In de eerste helft van de negentiende eeuw verschenen de eerste ronde schoorstenen, die vaak nog op een vierkante sokkel stonden, welke soms de helft van de totale hoogte besloeg. De hoogte van deze vierkante sokkel nam geleidelijk af, om na de eeuwwisseling plaats te maken voor louter ronde voeten. De moderne fabrieksschoorsteen die toen gemeengoed was geworden bestond uit vijf onderdelen: fundering, voet, schacht, uitkragende kop en schutwand. IJzeren toevoegingen betroffen klimijzers en trekbanden om het geheel stevigheid te geven, al waren deze overbodig in geval van een bekwaam gemetseld exemplaar dat in goede staat verkeerde. Afhankelijk van de schoorsteen liep de funderingsdiepte op van zo’n twee meter bij een hoogte van dertig meter tot wel zes meter bij een hoogte van zeventig of tachtig meter. De voet, met een hoogte van zo’n drie meter, kenmerkte zich door dikke wanden (metselwerk van een halve meter dikte), een opening voor aansluiting van het rookkanaal, een deur ten behoeve van schoonmaak en inspectie en luchtkanalen voor de ventilatie tussen buitenschoorsteen en schutwand. Bepalend voor de hoogte van de schacht waren de capaciteit van de stoomketel of oven en de overheidsregels omtrent rook- en stankoverlast. Een vuistregel voor het diameterverloop, in het jargon aangeduid als ‘valling’, schreef een afname van vier centimeter per meter hoogtetoename voor. Nadat de vroegste ronde schoorstenen nog waren opgetrokken uit rechthoekige stenen, kwam hierin al snel verandering door de introductie van de radiaalsteen, een taps toelopende steen met een rond-verlopende buitenkant. Mede dankzij de uitvinding van de strengpers, die afwijkende baksteenvormen mogelijk maakte, konden deze radiaalstenen grootschalig geproduceerd worden. Om de bouw te bespoedigen hadden ze een aanzienlijk groter formaat dan normale bakstenen. Perforaties zorgden ervoor dat ze desondanks toch goed doorbakken waren, met als prettige bijkomstigheid voor de schoorsteenmetselaar dat het eindresultaat ook niet al te zwaar was. Ook watertorens, onderdeel van de waterleidingsystemen die in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden, werden in sommige gevallen (zoals in Maarssen en de nog bestaande watertoren in Castricum) met dit soort bakstenen gemetseld. De kop van de fabrieksschoorsteen was zonder twijfel het meest kwetsbare gedeelte vanwege het grote temperatuurverschil tussen rookgassen en buitenlucht, weersinvloeden en roetneerslag.  Extra zwaar metselwerk, soms met ingebouwde ijzeren trekband, moest scheurvorming van dit onderdeel dan ook voorkomen. Toepassing van natuursteen of een gietijzeren afdekking bleek effectief om vochtinwerking tegen te gaan en in verband met kwetsbaarheid tijdens onweer mocht een bliksemafleider niet ontbreken. De schacht zelf was minder onderhevig aan grote temperatuurverschillen omdat deze aan de binnenzijde van een zogenaamde schutwand was voorzien, waardoor een isolerende spouw ontstond. Zo was de buitenwand ook beschermd tegen chemische inwerking van de rookgassen. Om kosten te sparen was deze schutwand niet over de volle lengte van de schoorsteen aanwezig, maar slechts daar waar de rookgassen een temperatuur hoger dan driehonderd graden Celsius hadden. Doorgaans kwam dit neer op een derde of de helft van de totale hoogte. De bouw van de schutwand begon doorgaans pas als de gehele buitenwand van de schoorsteen gereed was en beide wanden mochten elkaar nergens raken, zodat onbelemmerde uitzetting van de schutwand bij hoge temperaturen mogelijk was. Trekbanden konden weliswaar direct bij de bouw aangebracht worden, maar meestal wachtte men hiermee tot de onderhoudsbeurt waarbij voor het eerst scheurvorming vastgesteld werd. Als blikvanger leende de fabrieksschoorsteen zich goed als ‘visitekaartje’ voor het bedrijf. Vermelding van bedrijfsnaam of bouwjaar op de schacht door toepassing van bakstenen met een afwijkende kleur was de eenvoudigste vorm van decoratie. Gebruik van profielstenen, reliëfmetselwerk of een muizentandenfries onder een uitkragende kop stonden garant voor een schoorsteen in het hogere segment. De schoorsteenmetselaars werkten van binnenuit en stonden daarbij op een rond plateau van op balken gemonteerde planken, waarin een vierkant gat was uitgespaard om bouwmaterialen naar boven te verplaatsen met een hijsbok of lier. Na iedere vijf lagen baksteen plaatste men het plateau weer op een hoger niveau. Bij de bouw van een hoge schoorsteen konden er wel zes of zeven man op zo’n plateau staan: twee of drie metselaars en opperlieden voor de aanvoer van stenen en mortel. Wat dat laatst bouwmateriaal betreft ging de voorkeur uit naar een mengsel op basis van schelpkalk omdat de ervaring leerde dat dit voegen opleverde die het best bestand waren tegen scheurvorming door thermische belasting en windvlagen. Panningen (2)Afbeelding 3: Links is nog net een bedrijfswoning zichtbaar die onderdeel uitmaakte van het fabriekscomplex.