Mulhouse

Afbeelding 1: In de cité ouvrière van Mulhouse zijn de rug-aan-rug gebouwde vier-onder-één-kapwoningen vooral goed herkenbaar als ze in verschillende kleuren gepleisterd zijn. De naam van de stad is nog altijd aan dit huistype verbonden: ‘carré mulhousien’.

Elzas-Lotharingen: beide landsstreken worden vaak in één adem genoemd vanwege de bittere strijd die Frankrijk en Duitsland er om gevoerd hebben. Daarbij wordt echter voorbijgegaan aan hun onderlinge verschillen, niet in de laatste plaats op industrieel gebied. Lotharingen, met zijn beboste heuvels, behield lang een ruraal karakter, tot er in de negentiende eeuw grote hoogovencomplexen verrezen om de rijke ijzerertsvoorraden te verwerken. De Elzas daarentegen kenmerkte zich door een bond van tien vrije steden in het brede dal van de Rijn, die welvarend geworden waren door handel en ambacht en waar later een vrij omvangrijke textiel- en machinebouwindustrie uit voortkwam. Het was na 1648 in Franse handen gekomen, hoewel men er nog tot in de vorige eeuw Duits bleef praten en het straatbeeld met zijn kleurige vakwerkhuizen ook vandaag de dag nog typisch Duits oogt. Eén stad in de Elzas, Mülhausen, ging zelfs pas in 1798 tot Frankrijk behoren, waarna het nog een halve eeuw duurde vooraleer het officieel zijn Franse naam kreeg: Mulhouse. Het behield daardoor gedurende de achttiende eeuw zijn positie als vrijstad, die het ook binnen het Heilige Roomse Rijk had genoten. Daardoor was het een geliefde vestigingsplaats voor ondernemingsgezinde protestanten, die er de textielnijverheid tot grote bloei brachten. Toen zij in de negentiende eeuw fabrieken lieten bouwen, kwamen daar veel arbeiders op af, niet alleen uit de Elzas maar ook uit Zwitserland en de Duitse staten. De huisvesting van al deze wevers, spinners en ververs werd al snel problematisch, waardoor de fabrikanten van Mulhouse als eerste in Frankrijk het initiatief namen tot de bouw arbeidersnederzettingen, de zogenaamde ‘cités ouvrières’. Het huistype dat daarvoor ontwikkeld werd en later ook in ons land toepassing vond, kwam bekend te staan als het ‘carré mulhousien’.Afbeelding 2: Gelijktijdig met de bouw van de cité ouvrière verrezen er in haar onmiddellijke nabijheid ook nieuwe textielfabrieken.

Het was overigens niet enkel aan haar nijvere bevolking te danken dat Mulhouse zich zo vroeg industrialiseerde. Ook de typisch Franse staatsbemoeienis met de economie droeg daar toe bij, aangezien het vanaf 1681 in het hele land verboden was om bedrukte katoenen weefsels te vervaardigen. Deze elegante, soepele stof uit India was in korte tijd razend populair geworden bij de elite. Jean Baptiste Colbert, minister van handel in de regering van de Lodewijk XIV, vreesde dat deze ‘indiennes’ op termijn de ondergang zouden betekenen voor de Franse wol- en linnennijverheid. Door enkel de import van indiennes toe te staan, en zwaar te belasten, hoopte hij deze sector dan ook te beschermen. Door zijn bijzondere positie gold dit verbod niet voor Mulhouse en in 1746 grepen drie jonge ondernemers deze kans aan door een katoendrukkerij op te richten om aan de Franse vraag naar deze producten te kunnen voldoen. Het waren Jean-Jacques Schmalzer, Jean-Henri Dollfus en Samuel Koechlin, alle drie nazaten van protestanten die in de zestiende eeuw vanwege geloofsvervolging naar Mulhouse waren uitgeweken, die respectievelijk hun technisch-, artistiek- en zakelijk talent in dit bedrijf samenbrachten.

De benodigde katoenen stoffen werden aanvankelijk nog geïmporteerd, maar reeds tien jaar later ging ‘Hofer-Risler et Compagnie’ zich hier met een eigen spinnerij en weverij op toeleggen. In 1797 begon Daniel Dollfus, neef van Jean-Henri, in het nabijgelegen Dornbach een fabriek bestaande uit een spinnerij, weverij en drukkerij. Het kapitaal dat zijn echtgenote Anne-Marie Mieg inbracht speelde daarbij een belangrijke rol, wat bleek uit de naam van de onderneming: ‘Dolfuss-Mieg et Compagnie’. Onder de afkorting DMC heeft dit textielbedrijf tot 2009 bestaan. Water was onmisbaar voor het productieproces en werd via een kanaaltje, de Steinbächlein, aangevoerd vanuit de Doller. Dit zachte water leende zich uitstekend voor het wassen en bleken van stoffen, terwijl het kalkrijke water van de Ill, de rivier die aan de andere zijde van de stad stroomde, juist zeer geschikt bleek voor het verven en drukken. Vaarwater moest Mulhouse echter nog lang blijven ontberen, waardoor de transportkosten van ruwe katoen en machines relatief hoog waren. Pas met de opening van het Rhône-Rijnkanaal in 1829 en de spoorlijn naar Straatsburg in 1841 kwam er verbetering in deze situatie. Dit vormde overigens geen belemmering voor de industriële ontwikkeling, die ronduit stormachtig verliep dankzij de snelle mechanisatie. Het bedrukken met behulp van houten blokken maakte vanaf 1804 plaats voor machines met metalen cilinders, waardoor de productiesnelheid toenam van 1 à 2 meter tot 500 à 600 meter per uur, terwijl rond 1810 de eerste door stoom aangedreven spin- en weefmachines hun intrede deden bij DMC. Constructieateliers gingen deze machines bouwen en chemische fabrieken voorzagen in de behoefte aan zeep en verfstoffen. De grote toestroom aan arbeiders die dit met zich meebracht deed het inwonertal van Mulhouse stijgen van vijfduizend in 1750 naar dertigduizend in 1850, waardoor de huisvesting problematisch begon te worden.Afbeelding 3: Wat men aanvankelijk nog betitelde als een ‘paviljoen voor vier huishoudens’ kwam later bekend te staan als ‘carré mulhousien’.

Reeds in 1839 was er een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden om de woonomstandigheden van de arbeiders te verbeteren. Initiatiefnemers hiervan waren burgermeester André Koechlin en Émile Dreyfus, president van de Société Industrielle de Mulhouse (SIM). Deze SIM was opgericht in 1826 als samenwerkingsverband van de plaatselijke fabrieksdirecteuren. Het bleef aanvankelijk bij de presentatie van een rapport in 1845, tot de twee SIM-leden Jean Zuber en Amédée Rieder in 1848 tot actie overgingen. Aan de moderne papierfabriek die het tweetal in dat jaar liet bouwen was een klein woonwijkje voor hun arbeiders toegevoegd. Dit trok de aandacht van andere ondernemers en op de jaarvergadering van de SIM in 1851 werd het plan gelanceerd voor een cité ouvrière om ook werknemers van andere fabrieken in Mulhouse te huisvesten. Om dit project financieel mogelijk te maken werd in 1853 de Société mulhousienne des Cités Ouvrières (SOMCO) opgericht, waar twaalf aandeelhouders hun kapitaal in staken, waaronder Jean Dollfus (zoon van Daniel), André Koechlin en Jean Zuber. In de daaropvolgende tien jaar traden nog eens elf nieuwe aandeelhouders toe.

Als bouwlocatie had de SOMCO haar oog laten vallen op een drassig gebied aan de noordwestzijde van de stad dat tot dan toe een agrarische functie had. In 1846 had men daar het verbindingskanaal tussen de Doller en Ill laten graven, dat nu eveneens ging dienen voor het droogleggen van het terrein. Bij voorbaat stond vast dat er ook nieuwe fabrieken gebouwd zouden gaan worden, omdat er anders onvoldoende investeringsbereidheid zou zijn bij de ondernemers. Rokende schoorstenen moesten de nieuwe bewoners dus maar voor lief nemen, net als wateroverlast in hun kelders bij overvloedige regenval, aangezien de waterafvoer van het laaggelegen gebied in dat geval te kort schoot. Essentieel voor het slagen van het plan was dat de arbeiders uiteindelijk eigenaar zouden worden van hun woning, zodat de SOMCO op de lange termijn geen onderhoudskosten hoefde te maken en zoveel mogelijk geld aan nieuwbouw kon besteden. Hiervoor was een huurkoopconstructie opgezet die het de bewoners in staat moest stellen om binnen dertig à veertig jaar in het bezit te komen van hun woning. De huur bedroeg ruwweg een zesde deel van het salaris van een geschoolde arbeider, waarvan indertijd overigens gemiddeld tweederdedeel op ging aan voeding.Afbeelding 4: Centraal in de cité kwamen gemeenschappelijke voorzieningen zoals winkels, een badhuis en een wasserij.

De eerste fase van het project, die in 1853 van start ging, betrof de bouw van 320 woningen op een oppervlakte van acht hectaren met een orthogonaal stratenpatroon. Hiervan zijn er uiteindelijk 200 gerealiseerd, omdat de ‘luxe’ exemplaren nauwelijks betaalbaar bleken voor de arbeiders. Aanvankelijk was in het ontwerp een groot, centraal plein opgenomen ten behoeve van voorzieningen als winkels, een badhuis en een wasserij, maar daar bleef in de praktijk niet meer van over dan een grasveld waarop de kinderen konden spelen. Alle woningen bestonden uit een kelder, twee etages en een zolder en waren in drie typen te onderscheiden. Het voordeligste waren de rug-aan-rug tegen elkaar gebouwde rijtjeshuizen aangezien ze over slechts één buitenmuur beschikten en daardoor goedkoop in bouw en verwarming waren. Om de arbeiders meer wooncomfort te bieden schakelde de SOMCO al snel over op rug-aan-rug gebouwde vier-onder-één-kapwoningen die dankzij vensters in twee buitenmuren meer lichtinval gaven. Ook de vier tuinen van dit ‘carré mulhousien’ sloten aan op beide buitenmuren en werden daarom als aangenamer ervaren dan de langgerekte voortuinen van de eerste categorie rijtjeshuizen. Het duurste waren de rijtjeshuizen met voor- en achtertuinen omdat ze het grootste ruimtebeslag hadden en hiervan werden er dan ook het minste gebouwd. Bovendien konden in achtertuinen activiteiten aan het zicht onttrokken worden die door de SOMCO als onwenselijk ervaren werden.

Verantwoordelijk voor het ontwerp van de complete woonwijk was architect Émile Muller en omdat zijn werk naar volle tevredenheid van de opdrachtgevers was tekende hij ook de latere uitbreidingen. Deze ‘nouvelle cité’ besloeg een oppervlakte van vijfenvijftig hectare en werd vanwege tussenkomst van de Frans-Duitse-Oorlog (1870/’71) in twee periodes gebouwd. Na oplevering van de eerste 660 woningen kwam de bouw stil te leggen, om daarna gedurende het Duitse regime weer langzaam voortgezet te worden. Tot aan de eeuwwisseling verrezen toen nog eens 383 woningen die aanmerkelijk duurder waren, niet alleen van wege de gestegen kosten maar ook omdat ze groter waren. Bedroeg het oppervlak in eerste instantie 46 à 50 vierkante meter, uiteindelijk liep dit op tot 72 à 139 vierkante meter voor de woningen die tussen 1887 en 1897 tot stand kwamen. Om aan de Duitse woonstandaarden te voldoen nam de hoogte toe van negen tot elf meter. Tussen 1853 en 1897 werden in totaal 1243 woningen gebouwd, waarvan ruwweg tweederdedeel onderdak bood aan arbeiders. Daarnaast vestigden ook opzichters en ploegbazen uit de fabrieken er zich met hun huishoudens (13%), maar ook gezinnen uit de lagere middenstand zoals die van ambachtslieden en commerçanten (20%).Afbeelding 5: Toen de textielindustrie midden vorige eeuw in een crisis geraakte brak ook voor de cité ouvrière een moeilijke tijd aan.

Elders in Mulhouse en omgeving kwamen naar voorbeeld van de SOMCO eveneens een aantal cités ouvrières tot stand, maar dan op initiatief van een spoorwegmaatschappij of individueel bedrijf. Zo liet Jean Dollfus in Dornbach tussen 1867 en 1869 zeventig woningen neerzetten voor DMC-werknemers. Ze waren klein, bestonden uit één enkele etage en waren gerangschikt in korte rijtjes en carrés. De huren waren laag omdat ze bedoeld waren voor de laagstbetaalde arbeiders die zich anders nauwelijks een woning konden veroorloven. Ook de SOMCO liet tussen 1904 en 1907 nog eens zeventig huizen bouwen in Dornbach. In 1887 gaf de ‘Société Cottonière Mulhousienne Schlumberger Fils et Cie.’ opdracht tot de bouw van achtendertig arbeiderswoningen, een voorbeeld dat nog datzelfde jaar gevolgd werd door ‘Schäffer, Lalance et Cie.’ met dertig woningen voor beambten en opzichters in het naburige Pfastatt. Vanaf 1908 gingen ook de kalimijnen rond Mulhouse zich inspannen voor de huisvesting van hun werknemers. Zij lieten zich daarbij meer inspireren door de cités minières van het Franse steenkolenbekken in Nord-Pas de Calais, wat zich onder andere manifesteerde in de grote omvang van de tuinen, betere kwaliteit van wegennet en riool en meer wooncomfort. Daarnaast kenmerkten ze zich ook door een duidelijke hiërarchie, met een groot onderscheid tussen woningen voor de mijnwerkers, opzichters en ingenieurs.

Toen de SOMCO in 1897 het gehele grondgebied dat haar ter beschikking stond had volgebouwd ging ze zich beraden op haar toekomst. Kon de organisatie worden opgeheven of moesten nieuwe bouwgronden worden aangekocht? Dat laatste was het geval, want de behoefte aan woonruimte was nog steeds groot en kort na de eeuwwisseling gingen nieuwe projecten in Rief en Illberg van start. Beiden liepen in de eerste oorlogsmaand van 1914 echter zware schade op en de nog onbebouwde percelen gingen daarna als groentetuin dienst doen. De voorzieningen van de cité ouvrière werden tijdens de oorlog gevorderd voor militaire doeleinden en de SOMCO moest dakloos geworden burgers van elders gaan onderbrengen in haar woningen. Door afname van de huurinkomsten kwam de organisatie in financiële moeilijkheden en in 1919 deed ze dan ook een beroep op haar aandeelhouders om af te zien van dividend, hetgeen werd ingewilligd. Nu de Elzas weer bij Frankrijk was gaan behoren gingen ook de wetten gelden die in de achterliggende vijftig jaar van kracht waren geworden, waaronder die van Ribot. Deze wet moest het eigen woningbezit stimuleren door oprichting van regionale maatschappijen ter verstrekking van ‘crédit immobilier’, ofwel hypotheken. De SOMCO ging deze rol op zich nemen in Mulhouse en omstreken, maar deed dit zo genereus dat ze door de economische crisis van 1929 aan de rand van de afgrond belandde. Tot het bouwen van nieuwe cités en colonies was ze daarna niet meer in staat en noodgedwongen moest ze zich beperken tot individuele woningen. Pas na 1950 kon de SOMCO weer nieuwe woningbouwprojecten opzetten, maar vanaf toen in de vorm van grote appartementengebouwen met tientallen woningen in vijf of zes bouwlagen. Bovendien breidde ze haar werkterrein uit van Mulhouse tot de gehele Elzas, waar ze anno 2020 in totaal zo’n zesduizend woningen beheert.Afbeelding 6: Een deel van de straten in de cité zijn slechts twee-en-een-halve meter breed en hebben door de afwezigheid van geparkeerde auto’s hun oorspronkelijke karakter behouden.