Industrie & Kunst

Hans Baluschek, Hahn'sche Werke - Hans Baluschek /Hahn'sche Werke/Ptg.1910 -Afbeelding 1: De Hahn’sche Werke in Grossenbaum bij Duisburg, in 1910 geschilderd door Hans Baluschek (1870-1935).

Toen in de loop van de negentiende eeuw talloze fabriekscomplexen en industriegebieden ontstonden gingen kunstschilders deze al snel vastleggen in genrestukken, landschappen en stadsgezichten. Ook leven en arbeid van de mensen die in deze nieuwe sector werkzaam waren werden een onderwerp voor schilderijen. Laatstgenoemde voorstellingen vormen nog altijd een belangrijk aandeel in de categorie ‘werkende mens’ en kunnen als moderne opvolgers gezien worden van de schilderijen waarop in de daar aan voorafgaande eeuwen ambachtslieden en boeren werden vastgelegd. Er waren schilders die zich volledig in dit thema specialiseerden, terwijl anderen dit alleen voor bepaalde tentoonstellingen of opdrachtgevers kozen. Nederland kent weliswaar een lange traditie op het gebied van de schilderkunst, maar niet op dat van de industrie en daarom is dit specialisme een zeldzaamheid gebleven in ons land. Ten tijde van de industrialisatie kroop ze net uit het dal waarin ze na de hoogtijdagen van Rembrandt en Vermeer terecht was gekomen en menig schilder reisde naar Frankrijk om daar inspiratie op te doen en aan te haken bij de nieuwe stijlen van het impressionisme, pointillisme en kubisme. Het bekendste voorbeeld daarvan is uiteraard Vincent van Gogh. Achteraf gezien dienden de zwoegende mijnwerkers van de Borinage voor hem enkel om het schildersvak onder de knie te krijgen en kwamen zijn talenten pas volop tot bloei toen hij in Parijs en de Provence de donkere tinten van het noorden verruilde voor de felle kleuren van het zuiden. Net als zijn beroemde tijdgenoten verbeeldde hij de moderne tijd liever door een voorbijrazende stoomtrein of een smeedijzeren vakwerkbrug dan door een rokende fabriek. De enige Nederlandsche kunstschilder die zijn oeuvre vrijwel volledig gewijd heeft aan techniek en arbeid is Herman Heijenbrock, waarvan op een aantal pagina’s van deze website werk is opgenomen. In deze reportage zal zijn carrière kort de revue passeren, net als die van enkele bekende buitenlandse industrieschilders.kunst (2)Afbeelding 2: Cokesfabriek in de Borinage, geschilderd door Vincent van Gogh in 1879.

Als vroegste voorbeeld van een industrieschilderij geldt het als gouache uitgevoerde werk ‘La Salpêtrière’ dat Louis Jacques Durameau (1733-1796) in 1764 tijdens een studieverblijf in Rome van een salpeterzuurfabriek schiep. Toen de  beroemde encyclopedieschrijver Denis Diderot dit schilderij op de Parijse kunstsalon van 1767 zag was hij diep onder de indruk van zowel de compositie als de uitwerking. Andere vroege werken rond het thema arbeid zijn ‘De smederij’ (1771) van de Engelsman Joseph Wright of Derby (1734-1797) en ‘Bezoek aan de ankersmederij van Söderfors’ (1782) van de Zweed Pehr Hilleström (1732-1816). Laatstgenoemde kan met een oeuvre van honderdvijfentwintig schilderijen van koper- en ijzermijnen, hoogovens, glasblazerijen, gieterijen en smederijen zonder meer als een echte industrieschilder worden beschouwd. Kenmerkend voor deze industriekunst van het eerste uur is het sterke lichtdonkercontrast door het weglaten van middentonen om zo een dramatisch effect te bewerkstelligen. Deze techniek staat bekend als clair-obscur en werd als eerste toegepast door Caravaggio. Rembrandt was er eveneens een meester in. Maar terwijl op hun schilderijen de lichtbron (zon of kaarsvlam) meestal niet zichtbaar was, gold dat wel voor de smidsevuren, hoogovenmonden en gietpannen met gloeiend heet metaal van de industrieschilders.

Een andere schilder die de opkomende industrie in de late achttiende eeuw, maar ook het contrast tussen ondernemers en arbeiders, als onderwerp voor zijn werk koos was Léonard Defrance (1735-1805) uit Luik. Nadat hij op jonge leeftijd aanvankelijk in de leer was gegaan als goudsmid werd zijn tekentalent ontdekt en volgde hij van zijn tiende tot zestiende levensjaar een opleiding bij Jean Baptiste Coclers. Internationale ervaring deed hij op in Rome, Napels, Florence en Montpellier, waar hij enige jaren als portretschilder actief was om daarna via Toulouse en Parijs in 1763 terug te keren naar Luik. Hoe zeer hij daar in beslag genomen werd door het vastleggen van de ontluikende industriële ontwikkeling blijkt wel uit een brief die hij vijftien jaar later aan een kunsthandelaar uit Montpellier schreef: ‘Sinds mijn vertrek uit Parijs heb ik niets meer gemaakt dat beschikbaar is voor de verkoop omdat ik gedwongen was ‘nachtelijke taferelen’ voor onze vorst te schilderen zoals ijzergieterijen, spijkersmederijen, walserijen en andere metaalfabrieken’. Prinsbisschop De Velbrück hoopte met dit soort voorstellingen aandacht, en daarmee exportopdrachten voor de metaalindustrie binnen zijn rijk te verkrijgen. Hij had daarbij vooral zijn hoop gevestigd op de Verenigde Staten die zich kort daarvoor onafhankelijk hadden verklaard van Groot-Brittannië. Naast veel schilderijen van de metaalnijverheid in clair-obscur legde Defrance ook een steenkolenmijn, wapenfabriek, leerlooierij en tabaksmanufactuur vast op doek. Regelmatig nodigde hij daarbij bezoekers uit de hogere klassen uit om in hun fraaiste kleding te poseren terwijl zij het werk van de arbeiders gadesloegen. Defrance was echter wel degelijk begaan met het lot van de zwoegende mens en zette zich soms in voor hun gezondheid. Zo publiceerde hij een geschrift over ziekten die veelvuldig voorkwamen onder verfmengers en won daarmee in 1789 een prijs van de Parijse Academie voor Wetenschappen. Juist in dat jaar brak in Frankrijk de revolutie uit die nog datzelfde jaar Luik bereikte. Daar mislukte de omwenteling echter en Defrance, die er als verlicht denker hartstochtelijk aan deelgenomen had, zag zich genoodzaakt om naar Parijs te vluchten. Toen hij in 1794 met de Franse revolutionaire troepen in Luik terugkeerde was hij dusdanig geradicaliseerd dat hij vurig pleitbezorger werd om het godshuis van zijn voormalige broodheer, de Sint-Lambertuskathedraal, tot de grond toe af te breken, hetgeen uiteindelijk ook gebeurde.Kunst (3)Afbeelding 3: Interieur van een ijzergieterij, geschilderd door Léonard Defrance in 1789.

In de loop van de negentiende eeuw bood de industriële ontwikkeling nieuwe mogelijkheden voor kunstschilders. Vooral naar werken waarin de daadkracht van ondernemers en hun producten verheerlijkt werden was veel vraag. Industriëlen begonnen voor representatieve doeleinden opdrachten te verstrekken aan kunstenaars, zoals schilderijen ter verfraaiing van kantoorinterieurs en prenten voor productcatalogi, bedrijfsbrochures en reclamepamfletten. Afbeeldingen van industrieterreinen en fabrieksinterieurs waren gevraagd voor allerlei vormen van drukwerk, met name rond nijverheidstentoonstellingen, handelsbeurzen en wereldexpo’s die vanaf het midden van de negentiende eeuw frequent georganiseerd werden. Uit oogpunt van dit soort imagebuilding gingen fabrikanten er steeds meer toe over om niet alleen industrieschilders, maar ook hun kunstopleidingen financieel te ondersteunen. Een bekend opdrachtwerk dat in het Duitsland van de  ‘Gründerzeit’ tot stand kwam en uitgroeide tot icoon van de industrialisering, was het schilderij ‘Das Eisenwalzwerk’ (1875) van Adolph von Menzel (1815-1905). Met afmetingen van één meter zestig bij tweeëneenhalve meter geldt het als het eerste Duitse schilderij met industrie als thema op groot formaat. Ter voorbereiding was Von Menzel naar Königshütte in Silezië gereisd, destijds na het Ruhrgebied de modernste industrieregio van Duitsland. In een daar gelegen walserij vervaardigde hij meer dan honderd detailschetsen die als basis dienden voor het latere schilderij dat de fabricage van spoorstaven verbeeldt.

Von Menzel beperkte zich echter niet tot het productieproces. Zo is rechtsonder een jonge vrouw zichtbaar die eten heeft meegebracht voor de arbeiders. Ze is niet alleen de enige vrouw op het hele schilderij, maar ook de enige die de toeschouwer aankijkt. Links zijn enkele arbeiders te zien die zich staan te wassen en helemaal daarachter in de verte een ingenieur of opzichter met bolhoed die op de werkzaamheden toeziet. Al spoedig na gereedkomen kreeg het schilderij de bijnaam ‘Moderne Cyclopen’, de eenogige figuren uit de Griekse Mythologie die de god van het vuur Hephaistos hielpen bij het smeden van wapens. Daaruit blijkt dat men een mythologische verwijzing noodzakelijk achtte om een modern thema als industrie toch aantrekkelijk te maken voor het publiek. Tijdgenoten interpreteerden het werk, geheel naar de tijdgeest, als een zinnebeeld voor de onbegrensde mogelijkheden van de techniek. Later ging men het als een aanklacht tegen het ellendige arbeidersbestaan beschouwen, hoewel Von Menzel de werklieden als zelfbewuste individuen afbeeldt die trots zijn op hun vaardigheden en afgeleverde producten. Het socialistische gedachtengoed stond nog in de kinderschoenen toen  Von Menzel het schilderij vervaardigde en het is niet waarschijnlijk dat hij daarmee sympathiseerde. Hij schilderde eenvoudigweg wat hij waarnam en dat betrof in dit geval de harde werkomstandigheden in de industrie. Of hij met ‘Das Eisenwalzwerk’ überhaupt een hoger doel nastreefde blijft een open vraag. Misschien was hij eenvoudigweg geboeid door de ingewikkelde techniek achter het proces en de ongewone lichteffecten die daarmee gepaard gingen.Kunst (4)Afbeelding 4: ‘Das Eisenwalzwerk’ van Adolph von Menzel uit 1875.

Net als andere genres doorliep ook de industrieschilderkunst verschillende stijlperiodes. De kunstenaars die er in actief waren hingen uiteenlopende stromingen, kunstopvattingen en technieken aan. Ten tijde van de Romantiek en het Historisme dienden industriemotieven om de in hun ogen verstoorde verhouding tussen mens en natuur te benadrukken of ter aankondiging van een nieuwe maatschappelijke- en economische ordening. Later richtte de belangstelling van de schilders zich op maatschappijkritiek en de verbeelding van de harde werk- en levensomstandigheden. Tegelijkertijd waren er industrieschilders die kozen voor idealisering, of zelfs heroïsering. Rond 1900 raakten in groot formaat uitgevoerde vogelperspectiefschilderingen van industriecomplexen in zwang. Industriële architectuur, fabriekslandschappen en arbeiderstaferelen waren eveneens geliefde thema’s in de schilderkunst van de Nieuwe Zakelijkheid, maar vooral die van het Socialistisch Realisme. Als vorm van kunst, illustratie, representatie en reclame werd de industrieschilderkunst in de loop van de twintigste eeuw grotendeels verdrongen door de industriefotografie. Eén van de laatste grote tentoonstellingen met industrieschilderkunst als hoofdthema was ‘Eisen und Stahl’ die in 1952 plaatsvond in Düsseldorf.

Een late vertegenwoordiger van het genre was de Engelsman L.S. Lowry (1887-1976) die tussen 1934 en 1955 een serie doeken in olieverf schilderde onder de titel ‘Industrial Landscape’. De bekendste hiervan dateert uit 1955 en hangt in de Tate Gallery te Londen, een ander exemplaar uit 1953 in het theater van Salford dat naar de schilder is vernoemd: The Lowry. Laurence Stephen Lowry groeide op in Manchester en het naburige Salford en had aanvankelijk een hekel aan de daar alom aanwezige textielfabrieken. Later ging hij er echter de schoonheid van inzien toen hij zijn oeuvre grotendeels begon te wijden aan de stedelijke ontwikkeling van Noord-Engeland. Het stond vooral in het teken van industriële verval en de maatschappelijke neergang die zich reeds in het interbellum aankondigde. Zijn reeks industrielandschappen kenmerkt zich door stedelijke panorama’s vol met fabrieken, rokende schoorstenen, wegen, bruggen en braakland. Op de voorgrond bevinden zich huizenrijen waarvandaan een brede straat richting het verdwijnpunt voert. De kleine menselijke figuren die zich daar bevinden zijn volledig ondergeschikt gemaakt aan de landschappelijke voorstelling. Het zijn dezelfde lang gerekte, luciferhoutjesachtige figuren die ook het overige werk van Lowry typeren. Een min of meer vast ingrediënt vormde het spoorwegviaduct van Stockport, waarvoor hij een bijzondere fascinatie had. Omdat de composities zijn samengesteld uit elementen van de industriële apocalyps, die zich naar zijn zeggen in zijn verbeelding vastgezet hadden, zijn ze later ook wel als ‘dreamscapes’ betiteld.Industrial Landscape 1955 by L.S. Lowry 1887-1976Afbeelding 5: ‘Industrial Landscape’ van L.S. Lowry uit 1955.

Dat sociaal engagement een rol speelde in de keuze voor het thema ‘industrie en arbeid’ is in geval van Herman Heijenbrock (1871-1948) boven iedere twijfel verheven. Hij volgde een studie aan de Rotterdamse tekenacademie en van de geldprijs die hij in 1890 voor zijn eindexamenwerk ontving maakte hij een reis langs de Waalse industriegebieden. Het meest onder de indruk was hij van de Borinage en na een kortstondig dienstverband als journalist-illustrator keerde hij er in 1898 terug om er het harde leven van de mijnwerkers te schilderen zoals Vincent van Gogh dat twintig jaar eerder had gedaan. De ellende en armoede die hij er aantrof inspireerden hem weliswaar op het kunstzinnige vlak, emotioneel raakte hij echter zwaar gedeprimeerd en belandde in een geestelijke crisis waardoor hij vijf jaar lang niet zou schilderen. In die tijd leerde hij wel de vrouw kennen waarmee hij in het huwelijk trad en die hem in contact bracht met kopstukken van de socialistische beweging zoals Henriëtte Roland-Holst. Net als zij was ook zijn echtgenote van zeer bemiddelde komaf, waardoor ze een villa konden betrekken in Blaricum en zich volledig konden richten op politiek en kunst. Heijenbrock begon weer te schilderen en legde zich volledig toe op het weergeven van industrie met al haar technische aspecten en toepassingen. Zijn zwager, die directeur was van een hoogovenbedrijf in Dortmund, nodigde hem uit om naar het Ruhrgebied te komen om daar de arbeiders en machines in de staalindustrie te schilderen.

Er volgden reizen naar het Saargebied, Wales, de Midlands, Schotland en Zweden waar hij hoogovens, staalfabrieken, metaalgieterijen, glasblazerijen en aardewerkfabrieken op doek vastlegde. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moest hij zich beperken tot eigen land, waar deze zware industrie gering van omvang was en hij daarom vooral de stoomschepen, pakhuizen, silogebouwen en hijskranen in de havens schilderde. Tegelijkertijd begon hij uit educatief oogpunt gereedschappen, machineonderdelen en werkuitrustingen te verzamelen om tot een zo volledig mogelijk overzicht te komen van bestaande industriële activiteiten. Toen hij na het overlijden van zijn vrouw in 1923 opnieuw in een crisis belandde stimuleerden zijn vrienden hem om zijn collectie tentoon te stellen, hetgeen in 1930 leidde tot het Museum van de Arbeid in een oud schoolgebouw aan de Amsterdamse Rozengracht. Een jaar later wijdde het Stedelijk Museum aldaar een expositie aan zijn volledige oeuvre, dit ter ere van zijn zestigste verjaardag. Na zijn dood in 1948 bleef zijn collectie gedeeltelijk bewaard in het Nederlands Instituut voor Nijverheid en Techniek (NINT, 1954), de voorganger van het huidige New Metropolis (NEMO, 1997). Zijn oeuvre wordt sinds 1987 beheerd door een stichting ‘Vrienden van het Werk van de industrieschilder Herman Heijenbrock’.Kunst (6)Afbeelding 6: De linoleumfabriek van Forbo te Krommenie, in 1925 geschilderd door Herman Heijenbrock.

De Belgische kunstenaar Constantin Meunier (1831-1905) kwam in aanraking met het thema arbeid toen hij opdracht kreeg om voor het boek ‘La Belgique’ een serie illustraties te maken van de industriegebieden in het land. Daarvoor bezocht hij de hoogovens van Cockerill in Seraing, de glasblazerij van Val-Saint-Lambert en de steenkolenmijnen in de Borinage. Ook hij werd getroffen door de werk- en levensomstandigheden die hij er waarnam, maar kwam in 1884 tot de conclusie dat de beeldhouwkunst een krachtigere expressiemethode was om het arbeidersbestaan tot uitdrukking te brengen dan de schilderkunst. Een jaar later legde hij het ‘hard labeur’ van de Antwerpse havenarbeiders vast in ‘De Buildrager’, zijn bekendste beeldhouwwerk dat er nog altijd in de Suikerrui te bewonderen is. Nadat zich in 1887 in de steenkolenmijn La Boule een explosie had voorgedaan waarbij honderdtwintig doden waren gevallen, reisde hij af naar de plek des onheils om er het leed in ogenschouw te nemen. De hartverscheurende taferelen waar hij toen getuige van was inspireerden hem tot het ‘Het Grauwvuur’, dat een moeder verbeeldt die over haar omgekomen zoon gebogen staat. In 1889 vervaardigde hij vijf reliëfs voor het ‘Monument van de Arbeid’, een eigen initiatief waar ook architect Victor Horta (1861-1947) een bijdrage aan leverde. Plaatsing op het Jules de Troozplein liet echter nog tot 1930 op zich wachten omdat de autoriteiten vreesden dat de vakbonden de onthulling zouden aangrijpen voor het stichten van arbeidsonrust. Meunier was toen al lang dood, maar had in de laatste twintig jaar van zijn carrière meer roem geoogst met zijn beeldhouwwerken dan in de jaren daarvoor met schilderkunst en grafiek.