Utrecht

Utrecht (24)Afbeelding 1: De sigarenfabriek van Gerlachus Ribbius Peletier lag achter dit statige pand aan de Oudegracht, waarin zich de winkel en de kantoren bevonden.

In verschillende reportages over het industrieel erfgoed van Utrecht zijn al fabrieken besproken die aan het Merwedekanaal liggen en ook in deze rubriek komen we er weer terecht. Sinds 1929 is daar namelijk de fabriek van Douwe Egberts gevestigd met op de gevel “Tabak Koffie Thee”. Tien jaar eerder had het genotsmiddelenbedrijf uit het Friese Joure voor Utrecht gekozen vanwege zijn centrale ligging en was er begonnen om vanuit enkele pakhuizen aan de Catharijnekade zijn producten over het hele land te distribueren. De verkopen verliepen zo voorspoedig dat uitbreiding noodzakelijk was en de onderneming betrok de gebouwen van Metaaldraadlampenfabriek ‘Holland’ aan het Merwedekanaal. Dit bedrijf, dat naast gloeilampen ook radiobuizen produceerde, had in de concurrentiestrijd met Philips geen stand weten te houden en moest in 1929 haar deuren sluiten. Douwe Egberts opende er een koffiebranderij en na de oorlog een sigarettenfabriek vanwege de toenemende populariteit van dit tabaksproduct. Verdere expansie was mogelijk toen eind jaren zestig het naastgelegen metaalbedrijf ‘Hamburger’ zijn activiteiten beëindigde. Deze pletterij had er vanaf 1885 lood en zink uit Duitsland en België tot platen gewalst en was uiteindelijk de enige op dat gebied in heel Nederland. In 1968 nam Douwe Egberts deze fabrieksgebouwen over en heeft ze ook tegenwoordig nog in gebruik. Omdat deze productielocatie van Douwe Egberts nog altijd operationeel is – hoewel er geen tabak meer wordt verwerkt – voldoet ze in feite niet aan de criteria van ‘Fabriekofiel’, waarin herbestemming centraal staat. Daar staat tegenover dat de fabriek in een overzicht van de Utrechtse tabaksindustrie gewoonweg niet mag ontbreken en bovendien het industrieel erfgoed van ‘Hamburger’ en ‘Holland’ niet onvermeld mag blijven.Utrecht (22)Afbeelding 2: Douwe Egberts is nog steeds actief aan het Merwedekanaal, maar tabak wordt er niet meer verwerkt. Het bedrijf begon er zijn productie in 1929 in de gebouwen van de voormalige metaaldraadlampenfabriek ‘Holland’.

De Utrechtse tabaks- en sigarenindustrie maakte in de tweede helft van de negentiende eeuw een spectaculaire ontwikkeling door. Kende de stad in 1860 nog maar een zestal bedrijven in deze branche, twintig jaar later was dit gestegen tot zo’n veertig. Een aantal dat tot 1920 ongeveer stabiel bleef, om daarna te dalen tot vijftien voor, en minder dan tien na de oorlog. Niet alleen daalde de vraag naar sigaren in laatstgenoemde periode door de opkomst van de sigaret, maar ook verplaatste de productie zich door de gestegen arbeidskosten naar het ‘goedkopere’ Veenendaal. De omvang van de bedrijven liep sterk uiteen en lang niet allemaal hielden zich bezig met productie. Maar zij die dat wel deden waren nauwelijks of niet gemechaniseerd en lieten hun sigaren handmatig vervaardigen, in ateliers of door middel van huisnijverheid. Dat gold ook voor sigarenfabriek Peletier, die niet alleen de grootste van Utrecht was maar destijds ook tot de grootsten van Nederland behoorde. Daarnaast was het ook de oudst bekende fabrikant van Utrecht met als oprichtingsjaar 1844. Grondlegger Gerlachus Ribbius Pelletier runde de onderneming aan de Oudegracht 364 aanvankelijk met zijn oudste broer. Na een conflict eindigde deze samenwerking en trad zijn jongere broer Barend als compagnon toe tot het bedrijf. Hun vader was tabaksverkoper in Zaltbommel, waar deze samen met Lion Philips (grootvader van Anton en Gerard Philips) in 1815 tabakshandel ‘De Eenhoorn’ had opgezet. De fabriek van de gebroeders Peletier lag verscholen achter een statig grachtenpand, waarvan de statige gevel was voorzien van boogramen en bekroond werd door twee leeuwen met een schild. Een dergelijke versiering was ook aangebracht op de loopbrug boven de Eligensteeg die de fabrieksgebouwen aan weerszijden met elkaar verbond. Van oudsher droeg het pand de naam ‘De Gesloten Steen’, die zijn oorsprong vond in kei met een ketting ter hoogte van de ingang van de belendende steeg. Al even imposant was de woning die Gerlachus in 1870 op het perceel Oudegracht 354 voor zichzelf liet bouwen in neoclassicistische stijl met balkonnetjes en luiken. Een dergelijke uitstraling was belangrijk want Peletier richtte zich op het topsegment van de markt en zou dat tot het einde toe blijven volhouden. Men liet dan ook niet na te vermelden welke clubs, societeiten en handelshuizen er allemaal tot haar klantenkring gerekend mochten worden en in welke landen het bedrijf hofleverancier was. In Nederland mocht Peletier vanaf 1860 het predicaat ‘koninklijk’ voeren. Om dit exclusieve karakter te benadrukken werd er bewust geen reclame gemaakt, omdat kwaliteit nu eenmaal zichzelf moest verkopen. En om die kwaliteit te waarborgen kocht men de fijnste tabak in vanuit Nederlands-Indië en Amerika. Door het aanleggen van een grote voorraad voor vijftien productiemaanden kon men op gunstige momenten aan- en verkopen, zonder dat klanten teleurgesteld hoefden te worden omdat bepaalde melanges niet leverbaar waren. Die klanten konden terecht in eigen winkels die naast Utrecht ook in Den Haag en Dordrecht gevestigd waren.Utrecht (19)Afbeelding 3: Zicht op de fabrieksgebouwen van Peletier aan weerszijden van de Eligensteeg. Ook het door leeuwen geflankeerde wapenschild boven op de gevel is hier nog te zien.

Om die hoge kwaliteitsstandaard te kunnen handhaven is Peletier nooit overgegaan tot mechanisatie of het inschakelen van thuiswerkers. Dat laatste was weliswaar bij veel concurrenten praktijk, maar Gerlachus wilde zijn dure tabak niet uit handen geven. Door de sterk stijgende vraag naar sigaren in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond er echter al gauw een tekort aan vakkundige sigarenmakers omdat het productieproces nu eenmaal arbeidsintensief was. Als eerste ging Peletier er daarom in 1859 toe over om meisjes op te leiden tot sigarenmaaksters en deze te werk te stellen in een aparte ‘vrouwenfabriek’. Buitenshuis werkende vrouwen waren toen nog een zeldzaamheid en wat dat betreft was het een gewaagd experiment. Om dit maatschappelijk acceptabel te maken werd dan ook de nadruk gelegd op de zedelijkheid en netheid. Naast het feit dat op deze manier aan voldoende personeel was te komen speelde ook een rol dat vrouwen goedkopere arbeidskrachten waren en minder arbeidsonrust veroorzaakten. Dat laatste werd duidelijk tijdens de grote ‘Sigarenmakersstaking’ van 1873 die volgde op de oprichting van een eigen vakbond in 1871, waarvan uiteraard alleen mannen lid mochten worden. Dankzij zijn gemengde personeelsbestand kon Gerlachus het hard spelen door alle arbeiders op straat te zetten die weigerden te verklaren of ze wel of geen vakbondslid waren. De staking eindigt pas nadat enkele fabrikanten, waaronder Peletier, een nieuwe sigarenmakersbond hadden opgericht, waar ze zelf invloed op hielden. Door deze de ‘Unie van Utrecht’ te noemen maakten de werkgevers overigens wel erg creatief gebruik van de vaderlandse geschiedenis.  Utrecht (25)Afbeelding 4: Een kijkje in het vrouwenatelier van Peletier.

Het fabriekscomplex van Peletier is gedurende het bijna negentigjarig bestaan van de onderneming regelmatig verbouwd. Dat begon al in 1857 met een uitbreiding aan de overzijde van de Eligensteeg die op drie niveaus met gangen was verbonden met de oorspronkelijke gebouwen. In 1908 kwam de huidige voorgevel tot stand, volgens een ontwerp van de Utrechtse architect Marinus Eliza Kuiler. Op de begane grond bevonden zich de magazijnen, met aparte afdelingen voor droge en natte tabak. Daarboven lagen de droogkamers, die met warmte vanuit een stookinstallatie in de kelder geklimatiseerd werden. De ateliers voor de sigarenmakers en sorteerders waren op de hogere verdiepingen ondergebracht, wat uit constructief oogpunt geen bezwaar was omdat er niet of nauwelijks van machines gebruik gemaakt werd. Een sigaar bestond uit binnengoed, een omblad en een dekblad, die verschillende tabakssoorten vereisten. Het binnengoed werd gevormd uit een melange van verschillende soorten tabak. Om dit helemaal in te kunnen pakken waren er relatief grote tabaksbladeren nodig als omblad. Alleen de beste tabak kwam in aanmerking voor het dekblad, omdat dit het uiterlijk bepaalde. Nadat de binnengekomen tabaksbladeren bevochtigd waren om ze soepel te maken, werden ze ontdaan van hun middennerf, dat ‘strippen’ werd genoemd en meestal aan beginnelingen werd overgelaten. Het binnengoed kwam vervolgens direct in de droogkamer terecht, omdat dit in natte toestand de ‘trek’ van de sigaar negatief zou beïnvloeden. Na vermenging van diverse soorten tot de gewenste melange kon het daadwerkelijke rollen beginnen, waarbij men het binnengoed in het omblad verpakte tot een zogenaamd ‘bosje’. Een ervaren sigarenmaker bracht deze bosjes in model, aanvankelijk nog met de hand, maar tegen het einde van de negentiende eeuw steeds meer met behulp van vormplanken en een pers. Tenslotte werden de bosjes in smalle stroken dekblad gewikkeld en gesorteerd op kleur, dat om de meeste scholing vroeg.Utrecht (21)Afbeelding 5: Op het hoogtepunt had sigarenfabriek Peletier een personeelsbestand van driehonderd werknemers.

Gerlachus bleef tot 1895 leiding geven aan het bedrijf, om daarna tot 1901 zijn laatste levensjaren door te brengen op het landgoed ‘Huis te Linschoten’. Aangezien zijn enige zoon geen belangstelling had om zijn vader op te volgen, werd de onderneming omgezet in Naamloze Vennootschap waarin hij enkel een commissariaat bekleedde. De NV Koninklijke Tabak- en Sigarenfabriek, voorheen G. Ribbius Peletier, bleef tot 1920 winstgevend, daarna trad een crisis in die de hele sigarenindustrie trof. Door protectionistische maatregelen in het buitenland liep de export sterk terug, terwijl in eigen land de invoering van een tabaksaccijns in 1922 de vraag deed afnemen. Daar bovenop kwamen nog de sterk gestegen loonkosten en de groeiende populariteit van de machinaal geproduceerde sigaret. De sigarenfabricage verplaatste zich van de steden naar dorpen en in geval van Utrecht was het Veenendaal dat zich ontwikkelde tot het nieuwe productiecentrum. Voor een bedrijf in het topsegment als Peletier was het extra moeilijk om zich onder deze omstandigheden te handhaven. Toen zelfs het afstoten van de tabakskerverij geen soelaas bood moest de fabriek uiteindelijk in 1933 haar deuren sluiten. De gebouwen zijn daarna nog in gebruik geweest bij achtereenvolgens een houthandel, een confectieatelier en een frisdrankenproducent, voordat ze eind jaren tachtig gesloopt werden en plaats maakten voor wat nu de Eligenhof heet. Het prestigieuze grachtenpand diende jarenlang als psychiatrisch behandelcentrum van de Willem Arntsz Stichting en is recent omgebouwd tot een appartementencomplex met winkels op de begane grond.

Elders in de Utrechtse binnenstad heeft de sigarenindustrie ook haar sporen achtergelaten. Zo staat in de Abel Tasmanstraat de voormalige sigarenfabriek van Maurits Wijzenbeek uit 1903, waarvan het winkel- en woonpand zich om de hoek aan de Pieter Bothastraat bevindt (eveneens met een gevel naar ontwerp van architect Kuiler). De fabriek geeft vanwege haar kleine vensters en hijsbalk van buitenaf de indruk van een pakhuis. Die functie had het maar gedeeltelijk aangezien er daarnaast een kantoor, werkplaats, droogkamer en sorteerafdeling in waren ondergebracht. Na een recente restauratie worden er nu onder de naam ‘De Sigarenfabriek’ ruimtes verhuurd voor vergaderingen, trainingen en workshops. Net als Peletier had ook Estoppey & Co. zijn sigarenwinkel in een voornaam pand aan de Oudegracht (nummer 260), met daarachter de fabrieksgebouwen aan de reguliersteeg. Deze hebben later plaats gemaakt voor woningen. Naseman verkocht zijn sigaren in een winkel aan de Biltstraat en produceerde deze niet ver daar vandaan in een fabriekje in de Sint Janshovenstraat. Droogkamers, pakhuis en werkplaats bevonden zich op de begane grond, de sigarenmakerij daarboven en ook de zolderverdieping werd als drogerij ingezet.Utrecht (20)Afbeelding 6: Aankomst van een nieuwe lading tabak in de Eligensteeg.