Newcastle-upon-Tyne

Newcastle (1)Afbeelding 1: Het ‘Baltic Centre for Contemporary Art’ is sinds 2002 gevestigd in het silogebouw van een voormalige meelfabriek aan de oever van de Tyne.

Newcastle vormde ooit het hart van een industrieregio die bekend stond als de ‘North East’ en zijn oorsprong vond in de winning van steenkool. Omdat deze van hoge kwaliteit was en via de Tyne en de Noordzee snel naar andere delen van Engeland getransporteerd kon worden, ontstonden er tal van steenkolenmijnen. Toen deze sector rond 1900 haar hoogtepunt bereikte en zo’n tweehonderdduizend mensen tewerkstelde, was haar zwaartepunt overigens reeds verschoven naar Durham County. Aan de oevers van de Tyne had ze plaats gemaakt voor zware industrie, waarvan scheepsbouw de kern vormde. William Armstrong was hier de grondlegger van toen hij in 1867 naast zijn kanonnengieterij ook een werf voor oorlogsbodems begon. Dankzij de stoomturbines die Charles Parsons vanaf 1894 in Newcastle liet bouwen konden deze schepen een hogere snelheid bereiken dan die van alle andere landen en ook de oceaanreuzen van de rederijen ‘Cunard’ en ‘White Star’ profiteerden later van deze ontwikkeling. Twee andere industriepioniers die de stad groot maakten waren vader en zoon George en Robert Stephenson. Na aanleg van de eerste spoorlijn tussen Stockton en Darlington openden zij in 1824 een locomotievenwerkplaats in Newcastle, waar zij onder andere de ‘Rocket’ bouwden die in 1829 een snelheidsrecord vestigde met een passagierstrein tussen Liverpool en Manchester.

In de loop van de vorige eeuw zette de neergang zich echter in en werd het stil aan de ‘Tyneside’. De belangstelling voor industrieel erfgoed kwam te laat om nog iets van de werven en fabrieken te kunnen redden. Enkel de zes karakteristieke bruggen over de Tyne vormen een blijvende herinnering aan de constructiewerkplaatsen die hen voortbrachten. Newcastle kon echter niet achterblijven toen het rond de laatste eeuwwisseling voor iedere zichzelf respecterende stad een ‘must’ werd om een voormalige fabriek tot culturele hot spot te transformeren. Dat deze toen in het silogebouw van een voormalige meelfabriek gevestigd moest worden is wel enigszins beschamend voor een stad waar vroeger ‘steenkool en staal’ domineerden. Bovendien staat dit ‘Baltic Centre for Contemporary Art’ in feite dan ook nog eens op het grondgebied van buurgemeente Gateshead en moest er een zevende brug gebouwd worden om er vanuit Newcastle te kunnen komen. Aangezien er nu geen bruggenbouwer meer voor handen was die dit technische hoogstandje kon leveren, verstrekte men de opdracht uiteindelijk aan een Nederlands bedrijf. Wederom pijnlijk voor een stad waar eens staalbaronnen en ingenieurs de toon zetten.  Newcastle (2)Afbeelding 2: Het ontwerp voor de Baltic Flour Mills dat het architectenbureau Gelder & Kitchen eind jaren dertig tekende, maar pas na de oorlog gerealiseerd werd. Van rechts naar links bestond het complex uit een silogebouw, maalderij en meelmagazijn.

Net als Nederland is ook Engeland al eeuwenlang aangewezen op de grootschalige import van graan om haar bevolking te voeden. In eerste instantie voeren kooplieden naar het Oostzeegebied om daar hun scheepsruimen te vullen met tarwe van de Pruisische- en Poolse akkers. Vanaf het einde van de negentiende eeuw verschoof de aanvoerroute naar Noord-Amerika, maar het gebied langs de zuidkust van de ‘Baltic Sea’ bleef synoniem staan voor graanteelt en inspireerde ondernemer Joseph Rank eind jaren ‘30 om zijn toekomstige meelfabriek aan de Tyne tot ‘Baltic Flour Mills’ te dopen. Als zoon van een molenaar uit Kingston-upon-Hull (kortweg Hull) raakte hij al vroeg vertrouwd met het vak en was amper twintig toen hij in 1875 zijn eigen bedrijf begon. Tien jaar later liet hij de ‘Alexandra Mills’ ombouwen tot een stoommaalderij met stalen walsen i.p.v. molenstenen. Om aan de sterk stijgende vraag naar bakkersmeel (flour) te kunnen voldoen, verrezen al snel daarna de ‘Clarence Flour Mills’ aan de oever van de Hull. Dit was de eerste maalderij in Engeland met een ‘triple-expansion’ stoommachine, waarmee een productiecapaciteit van honderd zakken meel per uur gehaald werd. Dankzij nieuwe meelfabrieken die hij vervolgens opende in Londen, Barry (Wales) en Birkenhead werd Joseph Rank Ltd. een begrip binnen de Britse bakkerijsector.

Na de Eerste Wereldoorlog volgden nog fabrieken in Belfast en Southampton, hoewel de groei toen vooral door overname van zo’n vijftien kleinere ondernemingen tot stand kwam. Bovendien zette hij een eigen transportonderneming op om de distributie te stroomlijnen. Omdat Rank tijdens de oorlog de regering goede diensten had bewezen in het veiligstellen van de Britse voedselvoorziening, werd hij eind jaren dertig met het oplopen van de internationale spanningen opnieuw benaderd om voor dit doel voorbereidingen te treffen. Hij gaf het architectenbureau Gelder & Kitchen uit Hull, gespecialiseerd in meelfabrieken, opdracht om een ontwerp te maken voor een exemplaar in Gateshead nabij Newcastle, maar door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog liet realisatie op zich wachten tot 1950. De ‘Baltic Flour Mills’ vervingen toen een aantal meelfabrieken die door Duitse luchtbombardementen verwoest waren.Newcastle (3)Afbeelding 3: Reclamebord uit de gloriejaren van  Joseph Rank Ltd.

Bij oplevering was het complex voorzien van de modernste installaties op het gebied van industrieel malen en builen en beschikte het over een silocapaciteit van 22.000 ton voor de opslag van grondstoffen. In het verzendmagazijn was ruimte voor 5000 ton bakkersmeel en –bloem dat met een snelheid van 240 ton per uur overgeslagen kon worden. De fabriek, die werk bood aan ruim driehonderd mensen, gold als standaard voor de maalderijen die Rank in de daaropvolgende jaren liet bouwen ter vervanging van de oorlogsschade. Vanaf 1957 ging men er overigens ook granen voor dierlijke consumptie verwerken. Ondertussen was de leiding in handen gekomen van een nieuwe generatie. Joseph was in 1943 gestorven en opgevolgd door zijn zoon James, die na diens overlijden in 1952 door zijn broer Arthur werd opgevolgd.

Geheel in de trend van de voorwaartse integratie, die zich destijds binnen de sector voltrok, bouwde Arthur de onderneming uit tot een voedingsmiddelenconcern. Daartoe kocht hij in 1962 Hovis-McDougall, dat op zijn beurt in 1957 was ontstaan uit de brood- en bakkerswaarbedrijven Hovis (1898) en McDougall (1864), en haar bakkerijproducten onder de merknaam ‘Hovis’ op de markt bracht. Door overname van Cerebos Ltd. in 1968 kreeg Rank-Hovis-Mcdougall (RHM) nog meer bekende merken in handen met belangen in Frankrijk, Australië, Zuid-Afrika, Argentinië, Verenigde Staten en Canada. Arthur’s neef Joseph was van 1969 tot 1981 de laatste Rank die aan het hoofd stond van de onderneming en vooral de Research & Development-activiteiten stimuleerde. Hieruit kwamen een aantal vlees-vervangende producten voort die onder de merknaam ‘Quorn’ in de winkelschappen belandden. In de alsmaar voortschrijdende schaalvergroting binnen de voedingsmiddelenindustrie wist RHM haar zelfstandigheid tot 2007 te behouden, waarna het onderdeel is gaan uitmaken van het eveneens Britse ‘Premier Foods’.

De ‘Baltic Flour Mills’ hebben slechts dertig jaar dienst gedaan en werden in 1982 buiten gebruik gesteld. Tien jaar later ontstond het idee om het silogebouw te transformeren tot een centrum voor hedendaagse kunst (Centre for Contemporary Art). Daartoe werden in 1998 de honderdtachtig betonnen silo’s verwijderd, waarna de vier buitenwanden en vier bakstenen torens enkel door een tijdelijk stalen frame overeind werden gehouden. Met dertien betonnen vloeren kreeg de constructie vervolgens weer voldoende inwendige samenhang en daarmee een totaal tentoonstellingsoppervlak van drieduizend vierkante meter. Om ook grote, zware kunstobjecten te kunnen exposeren hebben de nieuwe vloeren een draagvermogen van zes ton en beschikt het gebouw over een lift waarmee een vrachtwagen van veertig ton toegang heeft tot alle etages. Indien nodig kunnen nog grotere objecten m.b.v. een hijskraan door schuifdeuren naar binnen getakeld worden. In 2002 ging het centrum open voor de bezoekers, die via een grote glazen wand een magnifiek uitzicht hebben over de Tyne. Voor een optimale verbinding met de binnenstad van Newcastle bouwde het Nederlandse bedrijf Volker Stevin de ‘Gateshead Millennium Bridge’. Het betreft een stalen fietsers- en voetgangersbrug die in vijf minuten onder een hoek van veertig graden gekanteld kan worden, om schepen met een maximale doorvaarhoogte van vijfentwintig meter te laten passeren. Deze zevende brug over de Tyne, waarvan het ontwerp goed was voor drie prijzen, ging op 17 september 2001 open voor het publiek.Newcastle (4)Afbeelding 4: Opname van de ‘Baltic Flour Mills’ uit de jaren ’60, waarop te zien is hoe de lading van de SS Sideris met elevators gelost wordt. Op de korte zijde van het silogebouw is de bedrijfsnaam J. Rank Ltd. zichtbaar.

Niet ver verwijderd van de ‘Baltic Flour Mills’ bevonden zich nog twee andere meelfabrieken langs de oever van de Tyne. Stroomopwaarts in Dunston-on-Tyne liet de ‘Co-operative Wholesale Society’ (CWS) in 1887 als een van de eerste in Engeland een maalderij in gewapend beton optrekken, die bovendien van elektrische verlichting was voorzien. Met een silocapaciteit van 2500 ton en dagproductie van 800 zakken meel was ze in grootte min of meer vergelijkbaar met de ‘Clarence Flour Mills’ die Joseph Rank terzelfdertijd in Hull tot stand bracht. Vergelijkbaar in omvang met de ‘Baltic Flour Mills’ was de ‘Tyne Mill’ van concurrent Spillers Ltd. die in 1937 operationeel werd in Newcastle en toen de grootste meelfabriek van Europa was met een jaarlijkse verwerkingscapaciteit van een kwart miljoen ton graan. Net als Joseph Rank was grondlegger Joel Spillers als eenvoudige molenaar begonnen, maar dan al in 1829. In 1854 verplaatste hij zijn bedrijf van Bridgewater in Somerset naar havenstad Cardiff in Wales. Na fusie met William Bakers & Sons verrees daar in 1889 een moderne meelfabriek met een capaciteit van honderdduizend ton op jaarbasis. Bakkers die meel afnamen van Spillers & Bakers Ltd. kregen een licentie om hun bruin brood onder de merknaam ‘Turog’ te verkopen, dat een concurrent werd van het ‘Hovis’ brood. In de jaren twintig werd het assortiment uitgebreid met diervoeding, waarvan de ‘Winalot’ hondenkoekjes het uithangbord vormden. Een vijandige overname door concurrent Dalgety Ltd. maakte in 1979 een einde aan de zelfstandigheid van het bedrijf. De meelfabriek in Newcastle bleef tot 2007 in productie en werd vier jaar later gesloopt.Newcastle (5)Afbeelding 5: Bij oplevering in 1938 was de ‘Tyne Mill’ van Spillers Ltd. in Newcastle de grootste van Europa.

Een aanzienlijk oudere maalderij is behouden gebleven in Wallsend aan de monding van de Tyne, dat zijn naam ontleent aan de Romeinse Muur van Hadrianus (Hadrian’s Wall) die hier eindigt. Het betreft de ‘Willington Mill’ die rond 1800 gebouwd is en toen de eerste stoommaalderij in het noorden van Engeland was. Met enkele steenkolenmijnen, scheepswerven en constructiewerkplaatsen was Wallsend begin negentiende eeuw één en al bedrijvigheid, waar destijds ook de jonge ingenieur George Stephenson met zijn gezin woonachtig was. De plaats was tevens bekend om de touwslagerij (ropery) van William en Edward Chapman, die in 1789 een revolutionaire touwvlechtmachine ontwikkelden. De huidige touwproducent Bridon International Ltd. is er uit voortgekomen en op dit bedrijfsterrein staat ook de ‘Willington Mill’. George Unthank en William Procter lieten hem bouwen ter vervanging van een windmolen, maar kort daarna sloeg het noodlot toe. Althans, zo luidt het verhaal, want we hebben hier te maken met het typisch Engelse genre van de ‘ghost story’. Er zouden toen twee vrouwen vermoord zijn en hun geestverschijning zou daarna nog menigeen de stuipen op het lijf hebben gejaagd. Deze gebeurtenissen zijn in 2011 nog te boek gesteld onder de titel ‘The Haunting of the Willington Mill’, met een bewerkte foto van de maalderij bij maneschijn op de cover. Een complicerende factor om dit stukje industrieel erfgoed te herbestemmen, ‘to put it mildly’!Newcastle (5, Willington Mill)Afbeelding 6: Stoommaalderij ‘Willington Mill’ in Wallsend, met op de achtergrond een spoorwegviaduct uit 1869 dat tegenwoordig door de ‘Tyne & Wear’ metro wordt bereden.