Bergen op Zoom

In Bergen op Zoom doet zich de interessante situatie voor dat de bedrijfsgebouwen van zowel een particuliere- als een coöperatieve suikerfabriek behouden zijn gebleven en een nieuwe bestemming hebben gekregen. Omdat zich in de onmiddellijke nabijheid hiervan ook nog een proefstation en de schoorsteen van een spiritusfabriek bevinden, kan uit oogpunt van het industrieel erfgoed van deze sector met recht gesproken worden van een uniek ensemble. De oorsprong hiervan gaat terug tot 1862 toen de Belgische ondernemer Felix-Guillaume Wittouck een verzoek indiende bij de gemeente Bergen op Zoom om een suikerfabriek op te richten aan de Zuidzijde Haven. Met het uitzicht op nieuwe werkgelegenheid gaat de gemeente akkoord en niet veel later gaat de bouw van start. Die verloopt zo voorspoedig dat een jaar later al een eerste campagne kan worden ‘gedraaid’. Er volgen uitbreidingen met onder andere een fabriek voor beenzwart (t.b.v. de sapzuivering) en moutsuiker. De suikerfabriek heeft in 1884 ook de primeur van het eerste elektrische licht in Bergen op Zoom, aangezien deze lichtbron bij uitstek geschikt is voor een bedrijf waar vierentwintig uur per dag geproduceerd wordt. Terwijl ook na de eeuwwisseling wederom capaciteitsuitbreiding nodig is voor een efficiënte bedrijfsvoering, blijft het bietenaanbod hier bij achter. Daarom besluit Wittouck om samen met enkele andere suikerfabrikanten uit de regio een spiritusfabriek te bouwen, die het mogelijk maakt om alcohol en kalizouten uit een bijproduct van de suikerwinning (melasse) te vormen, zodat de winstgevendheid toch kan toenemen. Deze is nog maar amper gereed, of een nieuwe investering dient zich al aan, dit keer om het transport van de bieten naar de fabriek te verbeteren. De overslag vanuit binnenschepen aan de Zuidzijde Haven geeft tijdens de bietencampagne namelijk veel overlast. Een zogenaamd ‘luchtspoor’, een ingenieus kabelbaansysteem om deze vanuit de verderop gelegen Vissershaven naar de fabriek te aan voeren, brengt vanaf 1904 verbetering in deze situatie.bergen-op-zoom-1Afbeelding 1: Aan de Zuidzijde Haven zijn twee hallen van de suikerfabriek Wittouck behouden gebleven en toen tegenwoordig dienst als restaurant ‘Koej’ (links) en bedrijfsverzamelgebouw ‘Interium’ (rechts).

Uit onvrede over de voorwaarden die de fabrikanten opleggen aan de bietenboeren, zoals het uitbetalen op bietengewicht in combinatie met het voorschrijven van rassen met hoge suikergehaltes, ontstaan in deze tijd de eerste coöperatieve suikerfabrieken. In 1913 wordt voor het gebied Midden- en Oost Zeeland de Verenigde Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek ‘Zeeland’ opgericht. Na het mislukken van pogingen om in die provincie zelf tot suikerproductie te komen, wordt de hulp ingeroepen van scheikundig technoloog P.J.H. van Ginneken. Hij komt tot de conclusie dat enkel het overnemen van een bestaande suikerfabriek kans van slagen heeft en die gelegenheid doet zich voor als in 1916 de fabriek van Wittouck in Bergen op Zoom zijn deuren sluit vanwege een bietentekort. Als gevolg van de oorlogsomstandigheden, en het daardoor ontstane brandstoftekort, heeft de rijksoverheid namelijk aan alle suikerfabrieken een maximale hoeveelheid te verwerken bieten (quotum) opgelegd. Ondanks dit ongunstige gesternte gaat in het najaar van 1917 toch de eerste campagne van de ‘Zeeland’ van start met Van Ginneken als directeur. Als na de Eerste Wereldoorlog de suikerprijzen weer stijgen zet hij een fors uitbreidingsplan in gang, waar zelfs een volledig eigen haven met los- en laadinrichtingen onderdeel van uitmaakt. In de aangrenzende Geertruidapolder wordt een terrein van dertig hectare aangekocht waarop drie nieuwe fabriekshallen van de ‘Zeeland’ komen te staan. In de eerste hal, aan de havenzijde, worden de bieten gewassen en gesneden en daar vindt ook de diffusie plaats (het oplossen van de suiker uit de bieten in warm water, waarbij zich diksap vormt). In de kleinere, tussenliggende hal bevindt zich de machinekamer en een opslagruimte voor pulp. Deze pulp wordt vervolgens in de derde hal gedroogd in grote ronddraaiende trommels, waardoor een goed houdbaar veevoeder ontstaat. Daarnaast staan in deze hal de machines om het ruwsap te zuiveren. Het hele voorbehandelingstraject is daarmee geconcentreerd in de Geertruidapolder. Het dunsap wordt vervolgens door een pijpleiding naar het oude fabrieksterrein van de voormalige ‘Wittouck’ verpompt, waar de kookpannen, verdampketels en centrifuges zich dan nog steeds bevinden. In de campagne van 1921 moet deze capaciteitsuitbreiding zich voor het eerst bewijzen,  maar er doen zich de nodige tegenslagen voor, waardoor de suikerverliezen fors oplopen. In de daaropvolgende campagnes weet men deze aanloopproblemen te overwinnen, maar blijkt wederom de aanvoer van suikerbieten de beperkende factor te zijn. Daarom gaat de ‘Zeeland’ er in 1925 toe over om zelf ook de ruwsuiker te raffineren, waarvoor achter de fabriek aan de Zuidzijde Haven een kookstation en suikermagazijn worden gebouwen. Maar ook deze poging om uit de rode cijfers te geraken wordt ingehaald door de marktontwikkelingen. Door overproductie en protectionistische maatregelen van Engeland zakken de suikerprijzen en stijgen de prijzen van de bieten, waardoor veel coöperaties de concurrentie niet meer aankunnen en ten onder gaan. Zo ook in 1929 de ‘Zeeland’.bergen-op-zoom-2Afbeelding 2: In het voormalige suikermagazijn van de ‘Zeeland’ is nog altijd het Instituut voor Rationele Suikerproductie gevestigd. In de verte is nog net de staalconstructie te zien waarmee sinds 2011 de schoorsteen van de spiritusfabriek getooid is (boven het vierde raam van links). 

Voor de hallen van de ‘Zeeland’ in de Geertruidapolder begint een lange periode van leegstand, terwijl sommige oude fabrieksgebouwen van de ‘Wittouck’ een nieuwe functie krijgen. Zo gaat het Instituut voor Suikerbietenteelt onder leiding van Van Ginneken van start in het laboratorium- en kantoorgebouw aan de Zuidzijde Haven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt deze organisatie omgedoopt in Instituut voor Rationele Suikerproductie (IRS) en concentreert men er het onderzoek ten behoeve van de suikerbietenteelt. Omdat het suikerareaal naar vrijwel alle provincies is uitgebreid en daardoor sterk uiteenlopende grondsoorten omvat, nemen de werkzaamheden voor het instituut in de naoorlogse jaren sterk toe. Daarom wordt in 1952 het voormalige suikermagazijn van de ‘Zeeland’ aangekocht door het Ministerie van Landbouw en ingericht met laboratoriumzalen en werkkamers. Voor extra lichtinval worden de ramen vergroot en een samengesteld raam boven de hoofdingang aangebracht, waarmee weliswaar de indeling van het gebouw verandert maar het karakter aan de buitenzijde behouden blijft. Ingrijpende wijzigingen hebben zich sindsdien niet meer voorgedaan, waardoor de oorspronkelijke functie van dit gebouw ook nu nog direct herkenbaar is.  Vijfenzestig jaar later is het nog steeds de huisvesting van het IRS, dat zich nog altijd ten dienste stelt van de Nederlandse suikerbietenteelt. Van de Wittouck-fabrieksgebouwen aan de Zuidzijde Haven resteren er tegenwoordig nog twee, die na een grondige restauratie – waarbij de kenmerkende rondboogramen en Polonceau-spanten behouden bleven – een nieuwe functie hebben gekregen als bedrijfsverzamelgebouw (onder de naam ‘Interium’) en restaurant (onder de naam ‘Koej’). Even verderop, op de hoek met het Wagenpleintje, bevindt zich de voormalige directeurswoning in het pand dat van oudsher bekend is als ‘De Bruyne Hondt’.

Behoudens een tijdelijk gebruik door het Ministerie van Defensie als opslagloods, staat het fabriekscomplex van de ‘Zeeland’ er tot na de laatste eeuwwisseling verlaten bij. De belangrijkste gedaantewisseling onderging de Geertruidapolder in 1970, toen de Zeelandhaven na een halve eeuw weer gedempt werd. Een nieuwe bestemming als winkelcentrum kwam in zicht toen een projectontwikkelaar en de gemeente Bergen op Zoom, die het complex op de monumentenlijst plaatste, vanaf 2005 de handen ineen sloegen. Daarna duurde het overigens nog een kleine tien jaar alvorens het daadwerkelijk tot realisatie kwam. Studies van gespecialiseerde ingenieursbureaus wezen uit dat voor deze nieuwe functie verdiepingen aangebracht dienden te worden in beide buitenste hallen en dat de tussenliggende hal zich het beste leende als centrale toegang. Voor voldoende lichtinval werd laatstgenoemde hal dan ook grotendeels vervangen door een glazen overkapping, waarbinnen de karakteristieke eindgevels (timpanen) echter konden blijven staan. Vanwege de onregelmatigheden in de muren koos men voor het box-in-a-box concept, waardoor een complex ontstond waar oud en nieuw elkaar ontmoeten en een eenheid vormen. Direct na oplevering in 2014 opende er een filiaal van supermarktketen Albert Hein haar deuren, een jaar later een bowling centrum. Gelijktijdig verrees in de onmiddellijke nabijheid nieuwbouw, waarmee de extra kosten voor restauratie en herbestemming gecompenseerd konden worden.bergen-op-zoom-3Afbeelding 3: Zuidelijke hal van de ‘Zeeland’ na restauratie. Hier werd de pulp gedroogd voor toepassing als veevoer en vond de reiniging van het ruwsap plaats. 

De even verderop gelegen Zuid-Nederlandsche Melasse-Spiritusfabriek kende een geheel andere levensloop dan de ‘Zeeland’. In plaats van amper tien jaar was het bedrijf meer dan honderd jaar operationeel. Maar terwijl van de ‘Zeeland’ veel bedrijfsgebouwen behouden bleven, uitgezonderd de hoge schoorsteen, is het juist dit object dat als enige resteert van de vroegere spiritusfabriek. Deze dateert uit 1938 en heeft een hoogte van vijfenzeventig meter, die sinds 2011 overigens voor vijftien meter uit staalconstructie bestaat, omdat bij restauratie bleek dat de top door de slechte conditie van het metselwerk niet meer te behouden was. Bovendien is door deze aanpassing een tweede leven als zendmast mogelijk geworden. Een jaar eerder was de rest van de fabriek, die sinds 1983 de naam ‘Nedalco’ (een samentrekking van ‘Nederland’ en ‘Alcohol’) was gaan voeren, gesloopt. Moederbedrijf Royal Cosun was namelijk overgestapt van melasse op graan als grondstof voor haar alcoholproductie en liet daarvoor een nieuwe fabriek bouwen in Sas van Gent. Pogingen om de maltosefabriek uit 1886 (voorloper van de spiritusfabriek uit 1899) en het ketelhuis uit 1925 te behouden, waren tevergeefs. Het beleid van de gemeente Bergen op Zoom met betrekking tot het industrieel erfgoed van haar suikerverleden concentreerde zich toen al volledig op de ‘Zeeland’ en voor het Nedalco-terrein stond haar een ambitieus stadsuitbreidingsplan met bijna drieduizend woningen voor ogen. Uiteindelijk leverde dit het stadsbestuur een bittere nasmaak op, omdat men achteraf bezien Nedalco veel te veel betaald had voor een locatie waar ten gevolge van de ingetreden crisis op de huizenmarkt (vanaf 2008) geen belangstelling meer bleek te bestaan. In 2015 kwam men weliswaar tot een schikking, concrete bouwplannen waren er toen nog steeds niet.