Haarlem

haarlem-1Afbeelding 1: Bouwtekening voor de turbinehal. De aanduiding ‘Dynamolocaal’ maakt duidelijk dat er aanvankelijk nog gelijkstroom werd opgewekt.

Met de ‘Chocoase’ en het ‘FigeeCenter’ heeft het negentiende-eeuwse industrieterrein aan het Noorder Buitenspaarne twee mooie voorbeelden van herbestemd industrieel erfgoed. Restaurant De Chocoase vestigde zich in 2009 in de voormalige chocoladefabriek die Droste in 1897 liet bouwen in de Veerpolder. Het FigeeCenter is een bedrijfsverzamelgebouw op het fabrieksterrein in de naastgelegen Waarderpolder waar de bekende Haarlemse machinebouwer Figee zijn bedrijf vanaf 1913 liet uitgroeien. Vooral de grote hefkranen gaven Figee bekendheid en de ook grote constructiehal waarin deze gebouwd werden is bewaard gebleven. Met de voormalige gasfabriek van Haarlem, die tussen beide bedrijven in ligt, is het minder voorspoedig verlopen en liet een nieuwe bestemming zo lang op zich wachten dat het verval in trad en gedeeltelijke sloop noodzakelijk was. Hoewel het stadsgas als lichtbron werd verdrongen door elektriciteit en als warmtebron voor keukenfornuizen een nieuwe toepassing kreeg, en elektriciteit bovendien naast lichtbron ook een krachtbron werd, bleef de naam ‘lichtfabriek’ in de volksmond nog lange tijd gebruikelijk en is daarom voor de nieuwe functie als evenementenlocatie gehandhaafd. Dat men ook in Gouda deze naam heeft gekozen voor de nieuwe bestemming van de oude elektriciteitscentrale, zal niet gauw tot verwarring leiden omdat het daar om een restaurant gaat en beide plaatsen voldoende ver van elkaar verwijderd zijn. Maar de benaming ‘Nieuwe Energie’ voor de herontwikkeling van het gehele gasfabriekterrein had beter gekund, aangezien men die in het naburige Leiden eveneens heeft gekozen voor een herbestemde fabriek.haarlem-2

Afbeelding 2: De turbinehal, kort na gereedkomen in 1902.

Net zoals het particuliere ondernemers waren die het voortouw namen bij de bouw van de eerste elektriciteitscentrales, zo was dat ruim een halve eeuw eerder ook het geval geweest met de gasfabrieken. Toen was het zelfs een buitenlandse onderneming geweest die deze nieuwe ontwikkeling in Nederland introduceerde, de Engelse Imperial Continental Gas Association (ICGA). Na Rotterdam (1835) en Amsterdam (1836) was Haarlem in 1837 de derde stad waar een gasfabriek verrees. Dit was vooral te danken aan de Engelse textielondernemer Thomas Wilson, die met financiële ondersteuning van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) zijn katoendrukkerij had verplaatst naar Haarlem en deze graag op moderne wijze verlicht wilde hebben. Na opening van de fabriek op de Raaks duurde het niet lang voordat ook de eerste straatverlichting op gas brandde. Maar terwijl de gemeenten al na tien à vijftien jaar zich met elektriciteitsopwekking gingen bezighouden, had dit met de gasproductie veel langer geduurd, in Haarlem om precies te zijn vijfenzestig jaar. Reden hiervoor was het feit dat bij de onderhandelingen over een nieuwe concessie de ICGA niet bereid was om een nieuwe fabriek aan de rand van de stad te bouwen Daarom besloot de gemeenteraad in 1900 tot oprichting van de ‘Gemeentelijke Lichtfabrieken’ en kredietverstrekking voor de bouw van een nieuw gasbedrijf en een elektriciteitscentrale. Het nieuwe complex dat in 1902 in gebruik werd gesteld, bestaande uit een retortgebouw, twee gashouders,  loskade voor steenkool, directiegebouw en kleine elektriciteitscentrale, was ontworpen door stadsarchitect Johannes Jacobus van Noppen, die enkele jaren eerder ook de tekeningen voor de chocoladefabriek van Droste in de Veerpolder had geleverd. In de tien daarop volgende jaren nam de capaciteit van de gelijkstroomcentrale dusdanig toe, dat het gemeentebestuur in 1911 besloot om de Gemeentelijke Lichtfabrieken in een afzonderlijk elektriciteits- en gasbedrijf op te delen. De leiding van het gasbedrijf bleef in handen van directeur Blom terwijl het nieuwe elektriciteitsbedrijf zou worden geleid door ingenieur Reus. Essentieel daarbij was de aanleg van een wisselstroomnet rondom de gemeente Haarlem, noodzakelijk om de energievoorziening van de buitenwijken veilig te stellen. Dergelijke netten vervingen langzamerhand de bestaande gelijkstroomnetten. In de jaren 1915 en 1917 werd de capaciteit van de centrale door de bouw van extra transformatoren verhoogd tot 14 MW. In 1922 vond een verdere schaalvergroting plaats. Niet alleen werd in dat jaar een incassodienst opgericht, die zorg moest dragen voor een gelijktijdige inning van de gas-, elektriciteits- en watergelden, tevens kwam in dat jaar de Provinciale En Gemeentelijke Electriciteits Maatschappij (PEGEM) tot stand. Voortaan zorgde Haarlem samen met Amsterdam en de provincie Noord-Holland voor de productie van elektriciteit. De grenswijzigingen van 1927, waardoor met name de gemeente Schoten door Haarlem geannexeerd werd, betekenden een aanzienlijke uitbreiding van het stroomvoorzieningsgebied van de Haarlemse centrale. Hierdoor moest de totale capaciteit in 1929 met behulp van een nieuw turboaggregaat tot 24 MW opgevoerd worden. De NV PEGEM werd een Vennootschap met als eigendom een 50 kV-onderstation. Dit station vormde de verbinding tussen de centrales van de deelnemende gemeenten en diende daarnaast voor de stroomlevering aan de Nederlandse Spoorwegen, die in Haarlem over een grote werkplaats beschikten. In 1931 werd het vermogen van de elektrische centrale opnieuw uitgebreid. De installatie van een tweede turbogenerator zorgde voor een totaal vermogen van 34 MW. De Tweede Wereldoorlog leidde tot een stagnatie in de stroomlevering, mede als gevolg van een bombardement op 27 oktober 1942 waarbij productiegebouwen beschadigd raakten. Eind 1944 viel de distributie vanwege de geallieerde opmars helemaal stil, om pas na de bevrijding weer beperkt op gang te komen. In 1949 werden het elektriciteitsbedrijf en het gasbedrijf weer samengevoegd tot een Gemeentelijk Energiebedrijf (GEB). De elektriciteitsopwekking was toen al beëindigd en het GEB speelde alleen nog maar een rol in de distributie van stroom uit de PEN-centrale in IJmuiden. De gasproductie in de Veerpolder bleef nog tot 1968 actief, waarna het GEB zich ook op dit terrein enkel met distributie ging bezighouden. Zo hebben particuliere- en vervolgens gemeentelijke gasproductie het in Haarlem precies even lang uitgehouden.Haarlem (3)Afbeelding 3: De Lichtfabriek in haar nieuwe functie als evenementenlocatie. De voormalige turbinehal is tegenwoordig opgenomen in de European Routes of Industrial Heritage (ERIH).

Naast de voormalige turbinehal van de gemeentelijke elektriciteitscentrale zijn ook het zogenaamde oliehuis en energiehuis voor sloop gespaard gebleven. De turbinehal is weliswaar decennia geleden al ontdaan van haar technische installatie, de originele portaalkraan, groen geglazuurde tegels en houten plafond herinneren nog aan haar vorige functie. Tegenwoordig worden er evenementen gehouden. In het oliehuis bevonden zich eens de grote transformatoren en de benaming verwijst naar het toenmalige koelmedium van deze installatie. Het energiehuis tenslotte, ook wel ‘meterhuis’ genoemd, omdat van hieruit de voorraad in de grote gashouder werd bewaakt, dient als café-restaurant voor het evenementenpubliek.